De Spelen en het goddelijke in de mens

Sneller, hoger, sterker

Kan Usain Bolt nog sneller, op de Olympische Spelen? En wat doet Epke Zonderland? De wetenschap twijfelt aan de eeuwige verlegbaarheid van grenzen, maar juist daarom zijn de onmogelijke prestaties van sporters zo boeiend. Usain Bolt is Zeus.

Medium sporters1

Over de oorsprong van de Olympische Spelen bestaan verschillende mythen. Maar of het nu ging om Pelops die koning Oinomaos versloeg in een wagenrace, een advies van het orakel van Delphi of een initiatief van Zeus na de overwinning van de Olympische goden op de Titanen: de eerste Spelen vereerden de Griekse goden. Georganiseerd op de velden rond de tempel van Zeus, waar honderd ossen brandden als Olympisch vuur, werd de winnaar van een hardloopwedstrijd over 190 meter bekroond met een lauwerkrans van olijftakken uit de tuin van de oppergod.

Nadat de disciplines zich hadden uitgebreid naar onder meer de vijfkamp, wagenrennen en hardlopen in wapenrusting werden de spelen door de Romeinen in 393 na Christus verboden vanwege hun ‘heidens’ karakter. Pas 1500 jaar later, in april 1896, vond de volgende editie plaats. In Griekenland, onder de leuze ‘citius, altius, fortius’: sneller, hoger, sterker.

Veel atleten halen hun inspiratie nog altijd uit de rijke Olympische historie en deze spreuk. Maar dat het anno 2012 ook nog steeds sneller, hoger en sterker blijkt te kunnen, dat record na record sneuvelt, verbaast. Hoeveel Olympische Spelen zijn er nodig om de grens van het menselijk lichaam te bereiken?

DE SNELSTE MENS op aarde, zo mag de winnaar van de honderd meter sprint zich noemen. Het is het koningsnummer van de Spelen, dat altijd op veel aandacht mag rekenen omdat het tot de verbeelding spreekt: het is een ultieme krachtmeting tussen imponerende lijven. Dat vindt althans Troy Douglas, tot 2004 zelf sprinter en tegenwoordig coach: ‘Het sprinterslichaam is het mooiste lichaam dat er is.’ ‘Ook knap’, vervolgt Douglas, ‘is wat de sprinter met zijn lichaam doet. In tien seconden moet alles kloppen. Dat betekent dat de warming-up al feilloos moet zijn. En dan de opbouw naar de start, waarbij alles erop gericht is actie en reactie op hetzelfde moment te laten vallen: startschot en beginnen met lopen. Dan het lopen, waarin alle passen zijn uitgeteld en afgemeten, en technisch perfect moeten worden uitgevoerd, met chirurgische precisie.’ Na tien seconden is de race gelopen.

Lange tijd werd ervan uitgegaan dat het onhaalbaar was om onder de tien seconden te duiken. Tot de Amerikaan Jim Hines eerst handgeklokt 9.9 liep (elektronisch gelijk aan 10.03) en daarna op de door rassenrellen getekende Olympische Spelen van 1968 in Mexico-Stad een elektronische 9.95 – in een finale met alleen donkere atleten. Zijn record hield liefst vijftien jaar stand.

Na Hines werd het record met steeds kleinere stappen aangescherpt, alsof men tegen de grens van het mogelijke aan zat. Interessant hierbij is dat de recordhouders sinds Hines allen West-Afrikaanse wortels hadden. De West-Afrikaanse anatomie blijkt ideaal voor de sprint: lange benen en veel fast-twitch spiervezels die zorgen voor explosieve spierkracht. De toppers waren vaak klein, wat gunstig is voor een snelle start. Door professionalisering en selectie op steeds jongere leeftijd lukte het de afgelopen jaren telkens meer renners om de honderd meter onder de tien seconden te lopen. Maar de verschillen werden steeds kleiner.

Tot Usain Bolt, de bliksemschicht uit Jamaica. Hoewel de honderd meter niet zijn specialiteit was, verbeterde hij in 2008 het wereldrecord van zijn landgenoot Asafa Powell. Eerst van 9.74 naar 9.72, later dat jaar scherpte hij het aan tot 9.69. Hierna ging hij er meer op trainen, en werkte onder meer aan zijn start. Daar zou nog veel winst te behalen zijn. In 2009 bleek dat waarheid: zijn huidige wereldrecord van 9.58 seconden is fenomenaal. Voor de laatste keer dat een wereldrecord met meer dan een tiende seconde werd verbeterd, moeten we terug naar de handgeklokte tijden uit de jaren vijftig. Als je de curve van eerdere records zou doortrekken, zou je de tijden van Bolt pas over vijftig jaar verwachten. Hij heeft de sprint eigenhandig tientallen jaren vooruit gerend. Hoe is dat mogelijk?

Om te beginnen: de man is 1,96 meter lang. ‘Volgens de conventionele wijsheid is dat te lang voor een sprinter’, vertelt de Groningse hoogleraar neuromechanica Bert Otten. ‘Iedereen dacht: als je lang bent kun je niet goed starten. En dat klopt wel, je ziet hem ook moeite hebben met de start. Maar het grootste deel van de race loop je op topsnelheid, en dan rent Bolt iedereen eruit.’ Door zijn lengte heeft hij minder passen nodig: bij zijn wereldrecord in 2009 liep hij in 41 passen naar de finish, waar de meeste sprinters 45 of 46 passen nodig hebben. ‘Omdat spieren tijd nodig hebben om aan en uit gezet te worden, kracht te leveren, is een iets lagere stapfrequentie gunstiger.’

‘Het is bijna een cartoon, die jongen’, zegt Otten over Bolts lichaam. ‘Het klinkt misschien respectloos om hem met een dier te vergelijken, maar als biofysicus durf ik dat wel: hij lijkt op een rendier of een antilope. Het is allemaal nog net binnen de grenzen van het mogelijke, maar Bolt zit echt op een uiterste.’ Hoewel hij veel langer is dan andere topsprinters heeft hij verder de ideale verhoudingen, met ongenadig veel vermogen in de kern van zijn lijf, rond zijn billen en bovenbenen. Zijn onderbenen zijn heel slank en zijn kuit zit hoog, de torso en schouders zijn gespierd. Door sterke schouders kan er zwaarder afgezet worden, zowel bij de start als bij de vervolgpassen.

Bolt belichaamt een optimale mix. Hij heeft de explosieve kracht én de sturing. Bij de honderd meter sprint voor vrouwen rende er een kwart eeuw geleden een vergelijkbaar fenomeen rond. De excentrieke Delorez Florence Griffith-Joyner, bijnaam Flo-Jo, stond bekend om haar versierde nagels, boa constrictor en, vooral, haar snelheid. De Amerikaanse vormt nog altijd een raadsel. Waar bij de mannen records blijven sneuvelen, staan de tijden die wijlen Flo-Jo in 1988 op de honderd en tweehonderd meter liep nog altijd fier overeind. ‘Flo-Jo was de Usain Bolt van 25 jaar terug’, vertelt Henk Kraaijenhof, oud-coach van enkele grote sprinters. ‘Het zijn genetische freaks. Ze komen uit het niets en doen het onmogelijke.’ Dat roept de vraag op wat er nog mogelijk is na Bolt en Flo-Jo. Wanneer is onvoorstelbaar onmogelijk? Bolt zegt dat hij 9.40 kan lopen, maar kan dat eigenlijk wel?

Als we hazewindhonden en renpaarden als voorbeeld mogen nemen, luidt het antwoord: nee. De cijfers liegen er niet om. Honden en paarden zijn al eeuwenlang gefokt op snelheid, maar de records die de dieren lopen in wedstrijden zweven al bijna vijftig jaar op een plateau. Volgens Mark Denny, die de cijfers in 2008 op een rijtje zette in The Journal of Experimental Biology, gelden dezelfde beperkende wetten voor mensen. We zijn nog niet op het plateau, maar we zullen er wel belanden en tegen die tijd zal blijken dat de mens op de honderd meter niet sneller kan dan 9 seconden 48 honderdste. Usain Bolt is en blijft een wonder omdat hij zijn tijd ver vooruit is, schrijft Denny, maar deze grens zal ook hij niet kunnen slechten.

Bert Otten onderschrijft deze redenering: ‘Het aantal stappen dat je functioneel nog kunt zetten is beperkt. Als ook de sturing bijna optimaal is, valt er weinig meer te winnen. Mensen worden niet zo veel langer en krachtiger meer. Er zitten gewoon keiharde limieten aan de menselijke spiereigenschappen. Als je nog harder wilt, moet je een compleet andere spier gaan bedenken.’

In de praktijk hebben atleten hier echter geen boodschap aan, en het moet gezegd: tot op heden maken ze er een sport van de wetenschap te verrassen. Een jaar na Denny’s artikel liep Bolt zijn nieuwe wereldrecord. Het was nog geen 9.48, maar hij liep op een laaglandbaan in Berlijn, met 0.9 meter meewind per seconde waar twee meter de maximaal toegestane windsnelheid is om in aanmerking te komen voor een record. Bovendien kan hij volgens Douglas nog steeds winst boeken op zijn start. Bij elkaar genomen zouden dat weer fracties winst kunnen betekenen. Douglas gelooft daarom dat Bolt ooit 9.40 gaat lopen: ‘En als hij het niet doet, doet iemand anders het. Er komt altijd een nieuw fenomeen, de sport blijft in ontwikkeling. Kinderen worden nu al getraind voor de Spelen van 2020. Er wordt steeds jonger geselecteerd en alles wordt gemeten. Records zullen altijd worden verbroken. Ook die van Bolt en Flo-Jo.’ De volgende kroonprins staat al klaar: de Jamaicaan Yohan Blake, het trainingsmaatje van Bolt, die lak heeft aan diens reputatie en hem in een onderlinge strijd al een paar keer versloeg.

Medium sporters2

HOE DAN OOK zijn de marges waarmee records op de honderd meter worden gebroken klein. Bij de marathon, de race aan het andere uiterste van het spectrum, zit er vanzelfsprekend meer rek in de tijden. Toen de klassieke test van uithoudingsvermogen en snelheid in 1908 voor het eerst werd gelopen op de huidige officiële afstand van 42.195 meter, deed de rapste renner er bijna drie uur over. In het begin van de twintigste eeuw werden er flinke happen van deze tijd af gerend, maar daarna ging de vordering steeds langzamer, en het duurde uiteindelijk 27 jaar om het record van ruim 2 uur en 8 minuten naar het huidige record van 2:03:38 te brengen. Het was geen verrassing dat de man die deze tijd liep, Patrick Makau, een Keniaan is. Eigenlijk doet naast Kenia alleen Ethiopië nog mee in de absolute top.

Het verhaal van de Oost-Afrikaanse dominantie in de marathon is er – net als dat van de West-Afrikaanse sprinters – een van geschiedenis en omgevingsfactoren, genen en cultuur. De verklaringen die vaak worden opgedist en gerecycled – over het soort lichaamsbouw dat historisch nuttig is gebleken op de prairie, bijvoorbeeld, of het effect van elke dag tien kilometer naar school rennen – hebben meestal wel een kern van waarheid, maar vaak ook zeggen ze meer over de westerse visie op Afrika dan over het continent zelf. Naast een eenvoudig maar goed dieet, uitstekende fysieke eigenschappen en lange, zware trainingen op grote hoogte geeft tegenwoordig misschien wel een psychologisch argument de doorslag: Oost-Afrikaanse renners geloven in hun eigen superioriteit op de lange afstand.

En terwijl de marathon ook vanuit financieel oogpunt steeds interessanter werd, sneuvelde in de afgelopen jaren het ene na het andere record. In 2011 werd op ieder erkend parcours van de World Marathon Majors een recordtijd gelopen.

Toch blijkt er nog veel ruimte voor verbetering. ‘Er is wel sprake van professionalisering’, zegt oud-atleet Jos Hermens, vooral bekend als coach van het Ethiopische loopwonder Haile Gebrselassie, de wereldrecordhouder voor Makau. ‘Maar langeafstandslopen is nog niet te vergelijken met bijvoorbeeld wielrennen, waar werkelijk alles georganiseerd en uitgerekend is. Neem die gels en sportdrankjes die sinds een paar jaar gedronken worden tijdens de marathon. Er is wel over nagedacht, maar ieder lijf reageert daar weer anders op. Als je precies zou willen uitzoeken wat het doet en hoe je dat moet toepassen zou je gewoon een paar jaar onderzoek moeten doen. We halen er nog niet het maximale uit.’

Hetzelfde geldt voor looptechniek. ‘Deze jongens hebben een bijzonder economische manier van lopen, maar daar is absoluut nog niet biomechanisch naar gekeken. De meeste midden- en langeafstandslopers zijn mid-footstrikers: die landen op de middenvoet of de hak. Maar afwikkelen vanaf de hiel kost meer tijd en energie dan als je met je voorvoet de grond raakt en weer weg bent. Er werd altijd aangenomen dat je op de lange afstand niet kunt lopen op je voorvoet, zoals een sprinter. Maar Haile Gebrselassie heeft dat wel gedaan, en hoe! Kenenisa Bekele, eigenlijk de opvolger van Haile en op veel fronten beter, loopt weer anders. Het zou natuurlijk nergens op slaan om Kenenisa nu te leren lopen zoals Haile, het punt is vooral dat er nog weinig onderzoek naar is gedaan. Ook op alle andere aspecten die je kunt noemen – voeding, fysiotherapie, medische begeleiding, krachttraining – zijn nog verbeteringen mogelijk.’

GEEN WONDER dat het debat over de willekeurige maar onweerstaanbare grens van twee uur in alle hevigheid is losgebarsten. ‘Het is mogelijk, de vraag is wanneer’, zegt Haile Gebrselassie beslist als hij op een zondagochtend tijd maakt om ons telefonisch te woord te staan vanuit Ethiopië. (Hij heeft die ochtend ‘niet zo veel’ gelopen omdat het regende: ‘maar anderhalf uur’.) ‘Het zal afhangen van de omstandigheden’, zegt Gebrselassie. ‘Als ik die van nu vergelijk met twintig jaar geleden, dan zijn ze zo vooruit gegaan. We hebben ieder jaar een betere uitrusting, meer sportdranken, betere schoenen en betere pace makers (de ‘hazen’ die in het begin het tempo bepalen en de toprenners uit de wind houden – red.). Zolang die omstandigheden beter worden, zullen de tijden sneller worden.’

Maar hij denkt dat het nog twintig tot 25 jaar zal duren voordat de marathon onder de twee uur wordt gelopen. Bij de komende Spelen hoeven we er dus zeker niet op te rekenen. Anderen, waaronder de Amerikaanse coach en marathonwatcher David Martin, verwachten dat die grens al eerder wordt geslecht. In The New York Times voorspelde Martin onlangs dat het al in 2015 zou gebeuren.

‘Als je het uitrekent is inderdaad wel te verwachten dat je onder de twee uur zult komen’, zegt Hermens. ‘Maar in de praktijk: het wereldrecord halve marathon is ruim 58 minuten. Je moet dus richting twee keer dat wereldrecord. Dat is een heel grote stap.’

Inderdaad is bijna niet voor te stellen hoe hard er gelopen moet worden om een marathon in minder dan twee uur te volbrengen. Er wordt al zo onwaarschijnlijk hard gelopen. ‘Als je de marathon op televisie bekijkt, krijg je daar geen goed beeld van’, zegt Otten. ‘Je ziet niet goed hoe hard ze gaan. Hoe luchtig. Die gasten zweven. Biomechanisch kan het bijna niet, maar die voeten komen nauwelijks op de grond! Ze voelen precies aan hoe het moet, weten hun spieren precies op het juiste moment aan te zetten en weer uit. Bijna als een goede danser.’

‘Uiteindelijk zal er wel een grens zijn’, zegt Kamiel Maase, in Nederland recordhouder op verschillende lange afstanden, waaronder de marathon. ‘Tegelijkertijd: als iemand die grens verlegt en een nieuw wereldrecord neerzet, waarom zou er op een wereldbevolking van zeven miljard dan niet iemand zijn die er weer twee seconden vanaf loopt?’

Het is de mentaliteit van de sportman: het kan altijd nog. ‘Het zal wel steeds moeilijker worden om nog harder te lopen’, zegt Gebrselassie. Maar hij heeft goede redenen het te blijven proberen: ‘Rennen is maar saai als je er niet iets bijzonders mee kunt bereiken.’

Medium sporters3

TURNEN BLIJFT ALTIJD bijzonder. Op YouTube circuleert een filmpje met slowmotionbeelden van topturner Epke Zonderland. Maar zelfs vertraagd zijn z’n bewegingen nauwelijks te vatten. Vanuit een handstand op de brug zwaait hij naar beneden, werpt zijn benen naar voren, laat zich zodra zijn benen parallel aan de balken staan los, spreidt zwevend in de lucht zijn benen tot een driehoek waardoorheen hij opnieuw de balken vastgrijpt, duwt zijn lichaam achterwaarts weer uit tot een handstand, maakt opnieuw de zwaai naar beneden, deze keer tot hij bijna loodrecht op de balken staat, draait op zijn rechterhand om zijn eigen as, hervat de handstand met twee handen op dezelfde balk, roteert tweemaal, zoeft weer naar beneden, zwenkt zijn benen omhoog zodat zijn scheenbenen langs zijn schouders liggen, en zwaait zo weer omhoog om uiteindelijk, met zijn onderlijf in een halve spagaat, in de handstand te eindigen.

Kenners noemen Zonderland de beste turner ter wereld. Op het WK in 2011 deed hij op de rekstok – zijn specialiteit – een oefening­combinatie die geen turner eerder had uit­gevoerd, met de hoogste moeilijkheidsgraad ooit. Maar helaas maakte hij daarna een fatale fout. Op de komende Olympische Spelen hoopt hij een gouden medaille af te dwingen.

Neuromechanicus Otten bestudeerde Epke voor een aflevering van het programma ­Pavlov. ‘Wat hij eigenlijk doet, weet Epke zelf ook niet precies. Hij krijgt massieve informatie binnen via sensoren in z’n huid (de stok waar hij aan hangt), uit de sensoren in z’n spieren en z’n gewrichten, uit z’n evenwichtsorgaan en uit z’n visueel systeem. De timing van de sprong die hij aan het maken is, wordt gematcht aan die sensor flow. Dat matchen is essentieel. Als hij bijvoorbeeld iets te snel draait, moet hij de beweging afremmen met kleine spieractivaties. Zijn talent is dat hij voelt hoe dat moet. We hebben allemaal dat vermogen, maar bij hem werkt het op een veel hoger niveau dan wij ooit zullen bereiken. Als je zoals ik weet hoe slordig spieren werken, dan is het bijna magisch dat iemand dat op zijn niveau kan.’

Ook coach en auteur van turnboeken als Turnen in woord en beeld Tjalling van den Berg is diep onder de indruk van Epke’s talent: ‘Hij heeft zenuwbanen als een boom met allerlei kleine vertakkingen, waar de meeste mensen een kale stam hebben. Hij pikt alles op. Ziet ook veel meer van zijn omgeving dan anderen. Hij kijkt breder. Hij kan goed surfen, en ook als voetballer was Epke adembenemend. Hij moest op een gegeven moment kiezen tussen een turn- en een voetbalcarrière.’ Van den Berg trekt graag de vergelijking met voetballer Messi, die ook een zeer goede turner was. ‘Dat zijn wat ik noem techno-sporters. Ze hebben een sterk ontwikkelde prikkelgeleiding, ze zijn snel en explosief. Epke kan bovendien binnen die snelheid nog extra versnellen. Alsof hij een versnelling erbij heeft.’

Turnen was al onderdeel van de klassieke Olympische Spelen. De Romeinen noemden het arte gymnastica, en ook de oude beschavingen in India en China propageerden turnoefeningen om fit te blijven. Het waren de Grieken die begonnen te turnen in wedstrijdverband. Zij gebruikten de oefeningen om soldaten te leren snel af en op te stijgen op het paard. Toen het Romeinse rijk ineenstortte raakte het turnen in de vergetelheid. Het werd pas in de achttiende eeuw herontdekt. Dat kwam vooral door de Duitse schoolmeester Friedrich Ludwig Jahn, die het turnen op de kaart zette als een manier om de burgermoraal op te vijzelen. Samen met zijn leerling Ernst Eiselen ontwierp hij turntoestellen als de brug en het rek. In Nederland ontstond in 1830 de eerste turnvereniging. Bij de Spelen van 1896 was turnen een officieel onderdeel.

In Heerenveen heeft Van den Berg Epke Zonderland zien opgroeien tot de topturner die hij nu is: ‘Als klein jongetje stippelde hij al samen met zijn coach een eigen route uit. Hij probeerde telkens nieuwe dingen. Dat is ook nodig, want in de topsport zit je altijd tegen de grens aan van wat mogelijk is. Zonder grenzen geen verbetering.’ Het is een standpunt waarin Van den Berg en neuromechanicus Otten elkaar ongetwijfeld vinden. ‘Het is voor turners erg belangrijk om te zoeken naar de beste manier om een oefening uit te voeren. Door variatie leert men beter. Er is ooit een inmiddels bekende proef gedaan met bowlers bij cricket. Eén groep werd op de klassieke manier getraind; de andere groep kreeg les op de meest gekke manieren. Dus hinkelend en dan gooiend, achteruitlopend… De tweede groep leerde sneller en hield de opgedane kennis beter vast. Dat komt doordat hun motoriek beter werd uitgedaagd om ervaringen te hebben rond het optimum.’

Coach Daniel Knibbeler begeleidt Epke Zonderland dagelijks in Heerenveen: ‘Voor turners is een aantal eigenschappen belangrijk. Je moet een goede bouw hebben: klein en natuurlijk lenig. Lenig zijn is trouwens meer dan lange spieren hebben. Ook de bewegingsuitslagen van je gewrichten moeten groot zijn. Dat heeft te maken met het bottenstelsel van je gewrichten. En je gaat constant over de kop, maakt schroeven in de lucht, dus met je coördinatievermogen moet het goed zitten.’ Op zichzelf is een aantal van de criteria voor topturners volgens Knibbeler niet eens zo buitengewoon, het gaat om de combinatie: ‘Bij de meeste turners kom je wel ergens een beperking tegen. Bij Epke zit alles goed.’

Raymond Nankoe is turner en daarnaast internationaal jurylid voor de heren. ‘Er worden nog steeds nieuwe oefeningen gedaan, de turners blijven je verrassen. Wat Epke aan de rekstok kan, daarvan werd vijf jaar geleden nog gedacht dat het onmogelijk was. Er wordt steeds effectiever getraind. Zo maken de turners in Den Bosch en Heerenveen tegenwoordig gebruik van videosystemen waardoor iedere oefening vertraagd kan worden bekeken. Zo kun je precies zien waar mogelijkheid tot verbetering is.’

Tot 2006 werd het wedstrijdturnen beoordeeld aan de hand van een puntensysteem waarin inhoud en uitvoering één cijfer opleverden, maximaal een 10. Om de moeilijkheidsgraad van een oefening beter in de beoordeling mee te nemen, is er nu geen maximum meer. Toen Epke Zonderland zich in Maribor kwalificeerde voor de finale van de Olympische Spelen in Londen haalde hij voor zijn oefeningcombinatie 7.90 punten, het hoogste cijfer ooit voor een moeilijkheidsgraad. Toch is de uitvoering nog steeds van enorm belang en zit ook daar nog ruimte voor verbetering. Geen stapjes na de oefening, de voeten netjes naast elkaar, het lichaam gespannen en perfect recht. Het zijn dit soort details die een jurylid als Nankoe kippenvel bezorgen. Details die een turner ontastbaar, bovenmenselijk maken.

DAT SPORT SNELLER, hoger en sterker wordt blijkt het gevolg van een eindeloze combinatie van factoren. Bij de komende Olympische Spelen is de grootste vraag of we weer vooruit zijn gegaan. Gaat Bolt ons opnieuw verbazen? Zijn de Kenianen te verslaan bij de marathon? En redt Epke Zonderland de Nederlandse turn-eer?

Omdat de wetenschap twijfelt aan de eeuwige verlegbaarheid van grenzen, zijn het juist de voor onmogelijk versleten prestaties van fenomenale sporters die sport laten boeien. We willen commentatoren horen zuchten: ‘Wat hier gebeurt, kan helemaal niet.’ De hoop op mijl­palen maakt sport zo mooi. En die mijl­palen worden verankerd door gekken, genetische freaks, sporters die onmenselijk zijn in lichaam en prestaties.

Toen de Olympische Spelen in het oude Griekenland voor het eerst georganiseerd werden waren het de goden die vereerd werden. Sindsdien is er iets verschoven: we vereren het goddelijke nu in de mens. Bolt is Zeus, Gebrselassie is Hermes, Zonderland is Apollo. En goden laten zich geen grenzen voorschrijven.


Beelden:

Usain Bolt, nog net binnen de grenzen van het mogelijke. Courtesy Max Rossi / Reuters

Emmanuel Mutau in de marathon van Londen, 2011. Courtesy Eddie Keogh / Reuters

Epke Zonderland op het NK turnen in Ahoy, 2012. Courtesy Robin Utrecht / ANP