Ger Groot

Snelweg

Mijn Penguin-uitgave van Jack Kerouacs On the Road heeft als omslag een hyperrealistisch schilderij van Andrew Holmes. Een highway verdwijnt erop in de bergen aan de einder, verlaten op een geparkeerde auto na. De kont ervan, met de wellustige lijnen van de jaren vijftig, neemt het achterplat grotendeels in beslag. «Riding the rails, hitching lifts, driving borrowed cars at a crazy hunderd miles an hour», staat erboven als een korte samenvatting van het leven van de helden van het boek. Eén ervan leunt op het schilderij nonchalant tegen de achterbak.

Ik heb het boek meermalen proberen te lezen, maar verder dan een tiental pagina’s ben ik nooit gekomen. Vormloos proza dat nergens vandaan komt en nergens heen gaat, zoals in zoveel Amerikaanse literatuur: de highway op het omslag had er model voor kunnen staan. Wild parties, girls, drink, drugs: misschien klonk dat ooit literair even opwindend als de bop in het boek dat muzikaal geweest moet zijn. Maar niets is zo belegen als de dernier cri van eergisteren, toen honderd mijl per uur nog een krankzinnige snelheid was.

Literatuur heeft niet veel met snelwegen op. In romans zijn ze zelden meer dan de kortste verbinding tussen twee punten van handeling, even betekenisloos als hun geometrische tegenhangster. Tot veel méér nodigen ze ook niet uit, zolang de wielen blijven draaien. De snelweg is het beste voorbeeld van wat Heidegger de technische wereld noemde. Hij bestaat alleen dankzij zijn functioneren en daarin maakt hij zichzelf onzichtbaar.

Dat wordt anders voor wie met een gebroken aandrijfriem op de pechstrook strandt. Plotseling vindt hij zichzelf terug in een unheimlich landschap dat noch op stilstand noch op menselijke wezens is toegesneden. Meer dan het kleine broertje van een gecrashte vliegtuigpassagier, die tenminste nog in een aardse wereld terechtkomt, is hij dat van de neergestorte kosmonaut die overeind krabbelt op een vreemde planeet. Zelfs de materie transformeert. Het asfalt is niet meer soepel, maar hard, de vangrail geen sensuele deining, maar een scherpe rand die bij het wachten in de billen snijdt. De minieme afstand tussen de praatpalen wordt bijna onoverzienbaar.

Julio Cortázar voelde zich zo’n ruimte reiziger toen hij in het begin van de jaren tachtig met zijn vrouw Carol Dunlop een wekenlange ontdekkingstocht maakte over de Autoroute du soleil. De expeditie moest nauwgezet worden voorbereid, want op bewoning was de snelweg ook toen al niet meer ingericht. De winkeltjes bij een enkel benzinestation konden periodieke ravitaillering door vrienden langs de route niet vervangen.

De autoroute was al bezig een eigen kosmos te worden en Cortázar en Dunlop werden autonauten van de kosmosnelweg, zoals ze hun reisverslag noemden. Maar nog altijd verloren de pleisterplaatsen die ze planmatig verkenden zich in een tussenwereld waarin de snelweg overging in de gewone werkelijkheid van bossen en velden. Tussen beide liep een grens, maar die was nog niet scherp en volmaakt. De twee werelden wreven langs elkaar in een rafelige onbestemdheid, die bij Cortázar beurtelings sprookjesachtig en luguber wordt.

Van die groezeligheid is steeds minder over, zo constateert Tijs van den Boomen in zijn zojuist verschenen bundel Asfaltreizen (Uitg. 521), een verzameling reportages over Nederlandse en Europese snelwegen. Glad en gelikt glijden ze door het landschap, sexy in hun steeds eenvormiger styling waarlangs zij hautain de diversiteit van hun omgeving laten afglijden. Opgeruimd worden de volkstuincomplexen, autosloperijen, opslagterreinen en de niemandslandjes van jeugdbaldadigheid die er decennialang de onbestemde marges van vormden.

De snelweg is kosmopolitisch geworden en daarmee een even nondescripte, virtuele wereld als het internet, waarvan hij aanvankelijk de digitale metafoor vormde. En net als cyberspace is hij vervolgens de echte wereld gaan opslokken. Hotels, winkels, banken en entertainment vestigen zich bij voorkeur langs de boorden ervan. Frankrijk, ondanks zijn militante anti-Amerikanisme het meest Amerikaanse land op het Europese continent, aldus Van den Boomen, is daarin het verst gevorderd. Cortázars autoroute is vandaag de dag al onherkenbaar.

Maar mét de wereld zoog de snelweg ook de groezeligheid van Kerouacs On the Road naar binnen. Zelfs kunstmatige werelden hebben hun schemerzijde. Aan het aseptische wegrestaurant grenst de zone voor homo-cruising, caravanprostitutie of parking sex.