Ger Groot

Snob

Goethe citeren op je zestiende, Hölderlin op je zeventiende, Racine op je achttiende en Beckett op je negentiende. Dat zijn de voornaamste wapenfeiten van de hoofdpersoon van Antoni Libera’s succesroman Madame (Prometheus). Naamloos heeft hij nog het meeste weg van een Poolse Michaël Zeeman in de dop. Ook hij neemt zich tenslotte voor schrijver te worden, maar de gunsten van de door hem aanbeden lerares Frans wint hij er niet mee. Daarin is Zeeman hem, naar verluidt, vooralsnog de baas, maar wat niet is kan komen.

Snobisme hoort bij adolescentie. Wie heeft zichzelf, het servet net ontgroeid, niet ooit overschreeuwd met slagzinnen en wijsheden van tafellakenformaat? Groots en meeslepend moet het zijn, als een voorschot op de nieuwe status waarin je eindelijk zult meetellen.

Iedere overgang koestert het verlangen reeds te zijn aangekomen en de verleiding is vaak onweerstaanbaar daarop alvast vooruit te lopen. Als gegoten zitten de nieuw aangepaste kleren maar zelden en in hun ruime plooien valt wat groots had moeten zijn vaak net iets te groot uit. De juiste maat was volgens de Grieken het geheim van een geslaagd leven. Geslaagd kan Libera’s held zich aan het eind van het boek alleen nog maar noemen dankzij een gymnasiumdiploma.

Evenwicht ligt dan nog ver in het verschiet, en dus ook de achteloze omgang met een eruditie die geen snobisme meer is. Het verschil tussen die twee ligt in een zelfverzekerdheid die zich niet laat veinzen en dat ook niet nodig heeft. Wie reeds is aangekomen, kan zich de luxe permitteren te vergeten dat hij ergens is. De zekerheid van de eruditie is onbekommerd en daarom meestal onzichtbaar of op zijn minst onopvallend.

Madame is dan ook een dubieus geval. Libera beschrijft niet alleen een vroegrijpe egg-head, maar verlustigt zich zelf merkbaar in de culturele ijdelheid van iemand die zijn jeugdige alter ego zou kunnen zijn. En misschien is hij met zijn ruim vijftig jaar nog altijd wel zijn jongere zelf.

Romans die vragen om een namen- en citatenindex aan het eind zijn veelal geschreven door eeuwige adolescenten. Wat Harry Mulisch — zelf een goed voorbeeld van het type — hun «absolute leeftijd» heeft genoemd, schommelt tussen de zestien en de achttien. Eindeloos zijn ze in de overgang van onwetendheid naar een wijsheid waarop ze nooit durven te vertrouwen en die daarom keer op keer moet worden uitgevent.

Het is niet zozeer de gemeenzaamheid met de Grote Traditie die de snob onderscheidt van de erudiet. Het zijn de verschillende wijzen waarop zij hun woorden opluisteren met de schoonheid en het vernuft van eeuwen. Een kwestie van stijl, maar die laat zich even moeilijk beschrijven als het verschil tussen echte en geveinsde vriendelijkheid of pretentie en distinctie. Allesbepalend is hij intussen wel. Le style est l’homme même.

Als de erudiete stijl al te leren is, dan in ieder geval niet via een methode. Ondefinieerbaar als hij is, ontsnapt hij aan iedere pedagogiek. Hij heeft nog het meeste weg van de noblesse die verplichtingen schept, waarvan discretie de eerste is. Opzichtigheid is het kenmerk van de homo novus.

Adolescenten kan hun snobisme worden vergeven; volwassenen nauwelijks. Wie heeft de jaren des onderscheids bereikt? Libera niet en Mulisch is op zijn absolute leeftijd van zeventien jaar zelfs altijd trots gebleven. Zoveel relativeringsvermogen ontkracht iedere ergernis en zijn militante puberteit hoeft niet te worden begrepen om aanspraak te maken op een generaal pardon.

Hoe uitzonderlijk het geval-Mulisch is, weet ieder die zich afvraagt hoeveel snobisme er nog altijd in zijn eigen wijsheden schuilt. Die vraag stellen is haar beantwoorden. Eruditie kan op dezelfde manier worden gemeten als de boeddhisten hun staat van verlichting: door het verdwijnen van iedere zorg daarom. Ze bestaat in achteloosheid en maakt zich om zichzelf niet langer druk.

Daarom mag de heikele vraag tu quoque? in dit stukje onbeantwoord blijven. In culturele correctheid heeft deze column zich in ieder geval niet onbetuigd gelaten. «Groots en meeslepend», Griekse wijsheid, boeddhisme en Harry Mulisch. Latijnse en Franse citaten. En op de achtergrond George Buffon, Mme de Staël en Julius Caesar, die u ongetwijfeld heeft herkend.

Maakt u zelf maar uit of dat eruditie of snobisme is.