Snoepjes van de noordpool

Jean Craighead George, Julie van de wolven. Uitgeverij Jenny de Jonge, 166 blz., f25,75
TUSSEN DE jaarlijkse stapels nieuwe kinderboeken duikt soms een herdruk op die de betrekkelijkheid aantoont van de actualiteit, van veelbelovende auteurs en vermeende jeugdliteraire ontwikkelingen. Daarbij gaat het niet om de zoveelste druk van Winnie de Poeh, Alleen op de wereld of andere titels die het predikaat ‘klassiek’ al lang geleden verwierven, maar om belangrijke jeugdboeken die na een kortstondige periode van aandacht en succes staan te verstoffen in uitgeversarchieven en bibliotheken.

Zo'n boek is Julie van de wolven van de Amerikaanse Jean Craighead George, in 1974 bij de toenmalige uitgeverij Kosmos verschenen als Miyax, de wolven en de jager. Julie is de Amerikaanse en Miyax de Eskimo-naam voor een en hetzelfde meisje, en met die dubbele naamgeving is de thematiek gegeven: de gespletenheid die het gevolg is van de botsing tussen de traditionele Inut-cultuur en de moderne Amerikaanse leefwijze.
Miyax groeit op in de eenzaamheid van Alaska’s toendra, slechts in gezelschap van haar vader, een groot zeehondenjager, van wie ze al doende leert wat een Eskimo nodig heeft om te overleven. Wanneer ze niet langer uitkomt onder de verplichting naar school te gaan, komt ze terecht bij familie in een stadje, waar de oude leefwijze al is beinvloed door toerisme, drank en muziek uit de jukebox. Op haar dertiende wordt ze uitgehuwelijkt. Om aan haar onappetijtelijke ‘echtgenoot’ te ontkomen, vlucht ze de toendra op, waar ze verdwaalt. Haar redding is een troep wolven, die haar als min of meer gelijke opnemen, nadat ze door geduldige observatie heeft uitgevonden hoe ze met hen kan communiceren. Op haar beurt redt Julie-Miyax een wolvejong dat uit een vliegtuig is aangeschoten.
Craighead George vertelt het tijdloze en altijd weer aangrijpende verhaal van de verbondenheid tussen mens en dier zonder enig sentimenteel vertoon. Het is het verhaal van overlevingsdrift, van geven en nemen en van wederzijds respect. Vooral in het eerste deel van het boek, waarin Julie’s achtergronden nog onbekend zijn en de lezer plompverloren op de onmetelijke vlakten tussen de wolven wordt gedropt, levert dat fascinerende lectuur op. In een centraal verwarmd huis met drie maaltijden per dag raakt deze lezer onder de indruk van de creativiteit waarmee een jong meisje met behulp van haar hakmes, naalden en gezond verstand bij dertig graden onder nul in leven weet te blijven. Je realiseert je hoe groot het belang is van traditioneel doorgegeven kennis en vaardigheden, en je moet flink slikken bij een lekkernij als rauwe kariboelever of uile-ingewanden, de 'snoepjes van de Noordpool’.
Hier en daar is merkbaar dat het boek stamt uit een tijd dat de 'ongerepte natuurvolken’ - voornamelijk de Indianen - een voorbeeld voor de mensheid moesten vormen, en dus in jeugdboeken werden beschreven. Op zo'n moment laat de gedreven auteur haar hoofdpersoon een soort volwassen betoogje denken: 'Die oude Eskimo’s waren ook niet dom. Zij hadden de onherbergzame Noordpool bewoonbaar weten te maken door de planten, de dieren en de temperatuur te benutten, wat minstens zo'n prestatie was als een raket naar de maan sturen.’
Maar de mens die zijn natuurlijke omgeving verwoest, is na twintig jaar weinig veranderd. Het alternatief dat de auteur schetst, behoort hierdoor mogelijk voorgoed tot het verleden, maar vindt nog altijd met gemak de weg naar het hart van de lezer.