Snoktorrentijd

Itak is een jongetje van de Wahuki’s, een stam ergens in het Braziliaanse oerwoud. Hij doet per ongeluk iets vreselijks en moet vluchten. Op die vlucht belandt hij in het dorp-zonder-eind, waar hij Waltertje ontmoet, een geheel uit kunststoffen samengestelde jongen, die werkt voor het moordenaarsbedrijf van zijn oom Frederik.

Waltertje neemt Itak mee naar huis, en daar moet hij leren praten in gestolde tekens (‘dooie beestjes die zijn geplakt op iets dat ze papier noemen’) en 'goedendag’ zeggen tegen mensen die hij niet kent. Aan de kevers - zo groot als vier keer een Wahuki - die rondrennen met, zichtbaar in hun buik, de mensen die ze net hebben opgegeten, is hij intussen gewend. Net als aan de onderaardse konijnengangen waar grote kreunende wormen rondwoelen, die ook al mensen opeten. Itak heeft geen woorden voor de dingen die hij ziet; hij kent alleen zijn snoktorrentijd in het oerwoud, de naar vis stinkende bosdemon Kazimir, en het opperwezen Omar. In het dorp-zonder-eind bidden de mensen onder een puntdak voor een ander opperwezen - 'maar die is er bijna nooit’. Itak en Waltertje proberen het samen te redden. Tot die middag in het stadion, die middag toen alles misging.
Wie denkt dat uw recensent het afgelopen weekend te veel gedronken heeft, kan ik geruststellen: dit is allemaal echt gebeurd. Toen Itak in de konijnengang op zijn rug ging liggen om te zingen zoals dat hoort bij doodgaan (de zang die zijn vader hem ooit leerde), moest ik huilen. Want ik wist wat Itak nog niét wist: hij werd helemaal niet opgegeten door een reusachtige worm, er ging (gewoon?) een metro over hem heen. Die trein zagen we op veertien tv-schermen.
Itak heet de voorstelling. Op het affiche staat dat ze is 'verboden onder de 8!’, en ik hoop dat er veel mensen van bóven de acht gaan kijken. Dit kind van 48 heeft er intens van genoten.
Itak handelt over twee werelden. Die van Itak en van Kazimir, en zijn bedrog in het oerwoud van de snoktorren. En die van Waltertje en van de dokters die zijn kunsthart op hard en zacht kunnen zetten. Itak is gemaakt door Peter de Graef (tekst en regie), Robert van Leeuwen (spel), Arne Lievens (licht en regie) en Tanja de Jong (beeld). Er wordt een verhaal verteld over hoe kinderen hun onschuld kwijtraken, omdat mensen en krachten die groter zijn dan zij allerlei dingen van ze vragen. Er wordt een verhaal verteld over hoe die kinderen daar bang van worden, en dat angst hen ook dapper kan maken. En ik dacht wat ik wel vaker denk als ik kijk naar theater dat voor jonge mensen is gemaakt: wat had ik dit graag gezien toen ik '8 uitroepteken’ was.
Peter de Graef en zijn mensen vormen een troep begenadigde tovenaars. Ze zuigen hun publiek in een vertelling die de kwaliteit heeft van een spannende legpuzzel: genietend van hun spel met taal en beelden, meewiegend in hun bizarre fantasie, maken we ons eigen verhaal, wandelen we ademloos mee met Itak en Waltertje. Door de openingsscène weten we welk verschrikkelijk einde ze te wachten staat. En als die gruwelijke bijeenkomst in dat overvolle stadion dan eindelijk is aangebroken (nee, ik verraad er niets over), dan zijn we als toeschouwers opeens niet bang meer: dit moest zo gebeuren. En we snappen heel goed die laatste woorden. Itak en Waltertje willen slapen, ze zijn moe, en 'dat zijn ze vaak als ze terugkomen’.
Lang geleden werd het jeugdtheater nog gemarteld met de vraag: is dit wel geschikt voor kinderen? Dat was een pedagogenvraag, geen vraag van makers, geen vraag van kunstenaars. De makers van Itak keren die ouderwets geworden vraag als het ware óm: met welke kinderen en jongeren (en ouderen, want Itak is een voorstelling voor families) hebben we anno nu eigenlijk te maken? Wat maken zíj mee? Wat kunnen zíj aan? De Paardenkathedraal uit Utrecht (sinds kort geleid door Dirk Tanghe en Jetta Ernst) maakt met deze gedenkwaardige voorstelling een nieuwe start. Ze hadden zich geen betere, geen idealere start kunnen wensen.