Snor, pijp en berendans

André van der Louw als burgemeester van Rotterdam op werkbezoek in de wijk, 1976 © Berry Stokvis / HH

Het duurde geruime tijd tot ik in de gaten kreeg wat me irriteerde aan deze biografie van André van der Louw. Aan de auteur ligt het niet. Hoewel niet spannend heeft Hietland het levensverhaal van de grote man van Nieuw Links adequaat opgeschreven. De volgorde is klassiek maar daarom des te duidelijker: chronologisch. Van der Louw kwam al op jonge leeftijd in de PvdA, maakte daar een vliegende start, bracht het als voorman van de revolutionaire oppositie (‘Nieuw Links’) tot voorzitter van de partij, werd vervolgens burgemeester van Rotterdam maar raakte daarna, na nog even minister te zijn geweest, in toenemende mate op een dood spoor.

Op de keper beschouwd zijn deze feiten alleen al voldoende voor een spectaculair en dramatisch verhaal. Maar er komt van alles bij: de koerswijziging van de PvdA, van pluche- naar protestpartij; de rivaliteit met Den Uyl; het bestuur van een wereldstad op een keerpunt in zijn geschiedenis; en idem dito van een bestel (Van der Louw was ook voorzitter van de nos). Zo is er meer. Een voorzitterschap van de knvb bijvoorbeeld, plus van vele andere organisaties. De teloorgang van de Rode familie. De opvolging van Den Uyl. Redenen te over, zou je denken, voor een spetterend levensverhaal. Dat is dit boek niet. Erger nog, er hangt een schaduw overheen, een voortdurende sfeer van verveling, oppervlakkigheid, saaiheid. Zoiets. Heel raar.

Vele malen vertelt Hietland in dit boek over Van der Louws kenmerkende stijl. Iedereen die in de jaren zeventig en tachtig een krant las, zal die zich nog wel herinneren. Op mij persoonlijk maakte het ribfluwelen pak indruk. Ik was de details vergeten maar Hietland herinnert me eraan. Hoe Van der Louw in november 1974 als burgemeester van Rotterdam in ribfluweel geïnstalleerd werd. Het was in de polder van strakke pakken met stropdassen een kleine revolutie. ‘Magistraat in coltrui’ kopte de plaatselijke krant terwijl altijd-in-pak Dries van Agt, vicepremier en minister van Justitie, zijn weerzin uitsprak. Het was een signaal van een burgemeesterschap dat anders was, dichter bij de mensen, regelmatig op de fiets, potje zaalvoetbal, gezellig dansen, publieke nieuwjaarsreceptie, een dichtende burgemeester en tijdens de raadsvergaderingen al om elf uur ’s ochtends een eerste glaasje whiskey – waarop vele volgden.

Van der Louws ideeënleegheid is een handicap voor een innemende biografie

Het lijdt weinig twijfel dat Van der Louw door de bevolking op handen werd gedragen, net zoals het weinig twijfel lijdt dat zijn burgemeesterschap het hoogtepunt van zijn carrière was. Maar dat is niet hetzelfde als zeggen dat hij als zodanig verrassend was. Nee, verrassend was Van der Louw vooral (alleen?) wat betreft stijl. Snor en pijp bijvoorbeeld. Corduroy, houtje-touwtjejas. En natuurlijk de altijd weer genoemde ‘berendans’. Toen de congresvoorzitter bij het PvdA-congres van maart 1969 de namen van de gekozen Nieuw Links-bestuursleden bekendmaakte, werd Van der Louw almaar enthousiaster. Uiteindelijk kon hij zich niet meer bedwingen en huppelde juichend rond, handen in de lucht, hé, hé, hé roepend. Het is tot op de dag van vandaag zijn meest genoemde daad. Dát is kenmerkend – en veelzeggend. Zo ook dat Van der Louw zelf de beelden ervan op het omslag van een kort na zijn dood gepubliceerd boek over Nieuw Links plaatste. Het geeft, zoals Hietland schrijft, aan ‘dat hij allang niet meer alleen maar baalde van het voortdurend in herinnering roepen van de berendans. Het was, net als de snor en pijp, een soort beeldmerk van hem geworden.’

Beeld. Merk. Het is precies wat me in dit levensverhaal tegen de borst stuit. Ik denk dat ik Van der Louw hiermee als persoon onrecht doe. Hij was vast aardig en oprecht, een goed bestuurder, een innemende burgervader, een handige organisator. Maar met dit alles vertegenwoordigt hij ook een type. In andere context zou je zo’n type een apparatsjik noemen, iemand die op elke plek in het systeem past dan wel het overal ‘goed’ doet. Die ‘kracht’ c.q. inwisselbaarheid weerspiegelt een zwakte: een gebrek aan eigen ideeën.

Van der Louw wist dit zelf ook. Het kwelde hem zijn leven lang. Vandaar dat hij zich steeds weer omringde met zogenoemde ‘adviseurs’ – mensen die wél ideeën hadden, in staat waren een probleem te analyseren, stukken lazen, stukken schreven. Van der Louw deed nooit de moeite. Hietland zegt het keer op keer. Dat hij regelmatig ter vergadering verscheen met de stukken in een nog ongeopende enveloppe. Dat hij vervolgens toch het hoogste woord voerde komt doordat hij een verduiveld handige kameleon was. Hij maakte van zijn zwakte een kracht.

Een dergelijke ideeënleegheid is een handicap voor een innemende biografie. Maar het zet de lezer wel op het spoor, denk ik, van een land en een cultuur, van hoe Nederland veranderde in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Een land van zesjes. Een land van compromissen, regelaars, adviseurs, vergaderaars en kwaaksneutels. Zo bezien verbaast het niet dat de carrière van Van der Louw na zijn burgemeesterschap, een sociale functie, vooral mislukkingen kende. Met alleen gezelligheid trek je de kar niet.

Het verrassendste feit uit zijn levensverhaal is dat hij, verstokt pijproker en in 1983 zelfs ‘pijproker van het jaar’, maar liefst vijf jaar lang voorzitter was van het Astma Fonds. ‘Een joppie’, zoals hij zei. Ik geloof niet dat hij de vergaderingen pijprokend voorzat. Hoewel… Een avond vergaderen met Van der Louw betekende in elk geval dat, ook als astma het onderwerp was, de volgende dag zelfs de onderbroek stonk. Naar het beeldmerk van de voorzitter. Pijp.