Ger Groot

Snot

In Spanje heb ik nog mogen meemaken hoe iemand aan tafel een stuk brood op de grond liet vallen en daar na het oprapen een kus op drukte. «Omdat het brood het lichaam van Christus is», zo legde iemand anders uit, «of zou kunnen zijn» – wat theologisch correcter is. Erasmus maakt al melding van die gewoonte, maar de christologische verklaring gaat bij hem nog schuil achter de heidense: «In de Oudheid beschouwde men brood bij elk feest vol eerbied als iets gewijds.» Dat klinkt betrouwbaar. Een sacramentele verklaring zou hij zich, had hij ervan geweten, als goed gelovige niet hebben laten ontgaan.

Erasmus’ opmerking valt terloops in het korte geschriftje Etiquette, waarmee het zojuist verschenen derde deel van zijn Verzameld werk opent (uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep). Even schitterend uitgegeven als de voorgaande delen is de vertaling van dit zorgzame vermaan, gericht aan de jonge Hendrik van Bourgondië die de juiste gedragsvormen van het adellijke leven nog leren moest, niet alleen een wonder van levendigheid maar ook een bron van verrassingen.

Zoveel lijken we een kleine vijf eeuwen later van de etiquette te hebben geleerd, dat nogal wat van Erasmus’ adviezen van de weeromstuit een omgekeerde uitwerking krijgen. Een samenleving die er nog op gewezen moet worden dat het bedekken van kleren en mouwen «met een wansmakelijk korstje, niet van gips, maar van snot en spuug» van slechte manieren getuigt, lijkt nog te verkeren in een fysieke barbarij waarvan Jos Stelling alleen maar durfde dromen.

Maar plots kan Erasmus’ fijngevoeligheid omslaan in een extreem dat zelfs wij lichtelijk overdreven vinden. Aan tafel het zout niet met de vingers maar met een mes uit het vaatje nemen, lijkt als voorschrift alleen maar hoogdringend in het licht van een eerdere vermaning: «Als je je neus snuit tussen twee vingers en er belandt wat op de grond, moet je dat onmiddellijk met je voet wegwrijven.» Uiterst actueel is Erasmus dan weer in zijn vaststelling: «Vanuit je ooghoeken loeren naar een brief die niet voor jou bestemd is, getuigt van weinig fatsoen» – als computersticker een geheide waarschuwing aan e-mail meelezende collega’s.

En verder zijn er de tijdloze wijsheden, die niettemin nooit voldoende herhaald kunnen worden. «Als iemand bij het drinken iets heeft gezegd of gedaan wat niet helemaal door de beugel kon, mag je dat niet aan de grote klok hangen: dat is voor iedereen onfatsoenlijk.» Luttele dagen na het Boekenbal lijkt dat nog altijd aan Heleen van Royen persoonlijk gericht te zijn. «Wat daar wordt gedaan of gezegd moet je aan de wijn toeschrijven, opdat je niet te horen krijgt: ‹Ik haat een drinkebroer met een goed geheugen›», zo haalt Erasmus ten overvloede nog eens Horatius aan.

Op Pim Fortuyn lijkt dan weer een andere opmerking te zijn toegesneden: «Kritiek leveren op wat wordt voorgezet is ongehoord en helemaal niet hoffelijk tegenover de gastheer.» Het toetje dat de toekomstige volksleider ooit bij een familiedinertje opgediend zag, kwam de gastvrouw te staan op het kraaiende commentaar «Dat lusten we dus niet» – zo herinnerde een familielid zich later. De hondjes mochten het ter plekke verorberen en ook dat zou Erasmus niet hebben gewaardeerd: «Eten van tafel nemen en aan vreemde honden geven wordt gezien als een grove inbreuk op de etiquette.» Toegegeven: over eigen honden spreekt hij niet.

Maar ieder verwijt van onwellevendheid bijt genadeloos in zijn eigen staart, zo maakt Erasmus eveneens duidelijk. Gedragsregels zijn er nimmer ter beschaming van de ander – en ook de columnist buigt in de slotregels van zijn stukje schuldbewust het hoofd. De hoogste beschaving wijst nu eenmaal niet met de vinger. _In de woorden van Erasmus zelf: «Als iemand zich op een feest wat onhandig gedraagt bij gebrek aan ervaring, is het hoffelijker te doen alsof je niets merkt dan te spotten.»