Snuffelen aan de zwachtels

De grote drie: een al te menselijke constructie die beantwoordt aan de eisen van het veld en het narcisme van het publiek.

Anton Wachter, held uit de romancyclus van Vestdijk, lijkt niet op zijn vader. En toch: als de man lang genoeg dood is en de jongen groot genoeg, zegt zijn moeder dat de zoon steeds meer op de vader gaat lijken. Minachtend noemt Anton dit het inbalsemingsproces: de verschillen worden weggewerkt in een mummificerend proces dat van de twee een bijna heilige eenheid moet maken. De grote drie hebben voor hun heiligverklaring niet hoeven wachten tot hun dood, maar hun inbalseming is even dubieus als die van Antons vader. Ze negeert de reusachtige verschillen tussen de drie ten faveure van enkele, vaak niet-literaire overeenkomsten. En daardoor maakt ze van complexe figuren stromannen – mummies, omzwachteld door de literaire kritiek, die het wel zo handig vindt drie belangrijke schrijvers als Reve, Hermans en Mulisch in één crypte onder te brengen.

Zowel formeel als inhoudelijk staan de drie nochtans ver uit elkaar. De vroege Reve mag nog iets hebben van de vroege Hermans, maar de barokke stilist van Oud en eenzaam (Reve in 1978) lijkt in niets op de gortdroge analyticus van Uit talloos veel miljoenen (Hermans in 1981). Een lichtjes megalomane en optimistische universumbouwer als Mulisch is lichtjaren verwijderd van de paranoïde afbreker Hermans en van de demonische zondaar Reve. Honderden essentiële verschillen zou je kunnen opsommen om duidelijk te maken dat dit literaire trio niet bepaald de Heilige Drievuldigheid is, die immers «onderscheiden maar onverdeeld» is.

Wat houdt die drie dan samen? Welke zwachtels worden daarvoor gebruikt? En hoe komt het dat er (later) niemand mee ingebalsemd werd? Dat er zelfs nooit met enig succes sprake geweest is van een andere Grote Hoeveelheid? Waarom zijn er bijvoorbeeld geen grote twee van de poëzie? Geen grote vier van de vrouwen? Het zal wel aan de zwachtels liggen, de strookjes die als bindmiddel gebruikt worden. Laat ik die dus bekijken. Dan verschijnt, hopelijk, een reeks van voorwaarden waaraan de grote drie, en zij alléén, beantwoorden. En dan zal misschien blijken hoe elitair dat clubje wel is.

De avonden en Conserve verschijnen in 1947. Archibald Strohalm verschijnt vijf jaar later, maar Mulisch is dan ook zes jaar jonger dan Hermans (1921) en vier jaar jonger dan Reve (1923). De achtergrond waartegen deze schrijvers debuteren is ongeveer dezelfde: de oorlog is voorbij, de mens werkt hard aan een betere toekomst, die voorlopig de vorm aanneemt van de zogenaamd saaie en brave jaren vijftig.

Grote schrijvers die later debuteren en deze achtergrond niet hebben, zullen nooit in het clubje van de grote drie opgenomen worden. Van Jeroen Brouwers (1940) kun je zeggen dat hij een belangrijk schrijver is die in zijn eerste werken op Reve lijkt, in zijn polemieken op Hermans en in al zijn werken op Mulisch. Maar hij is te laat geboren. Wanneer hij aan het eind van de jaren zestig nog maar net komt kijken, is de club van de grote drie al gecanoniseerd. Ook Nooteboom, geboren in 1933, valt uit de boot. Hoewel hij in 1955 debuteert, wordt hij pas in 1980 bekend als romancier met Rituelen, en dan is het label «grote drie» al lang vergeven. Wolkers, geboren in 1925, heeft wel de geschikte leeftijd, maar debuteert te laat (in 1961) en verdwijnt als romancier te snel uit het zicht.

Naast de gepaste achtergrond en leeftijd is er nog een tweede voorwaarde: je moet een man zijn. Zo ging dat nu eenmaal in die tijd – en zo gaat het blijkbaar nog vaak. De jonge Reve en Hermans worden door de literatuurgeschiedenis samen met Anna Blaman bij «de landerigen» ingedeeld – de futloze jongeren die het land hadden aan de idealen waarmee men in de jaren veertig en vijftig de wereld opnieuw probeerde op te bouwen. Maar Blaman werd niet tot de club van de groten toegelaten. Ze is nu bijgezet als existentialistisch auteur. Ze had trouwens wel meer handicaps dan haar geslacht. Ze was geboren in 1905 en was dus te oud om met de drie nieuwelingen ingebalsemd te worden; ze stierf in 1960, dat was dan weer te vroeg om mee te profiteren van de vernieuwingen in het literaire veld (pockets, boekenbijlagen enzovoort) die ervoor zorgden dat Reve, Hermans en Mulisch omarmd werden als de grootste schrijvers van hun tijd. Hoeveel uitstekende schrijfsters er later ook debuteerden, geen van allen is ooit doorgedrongen tot de Drievuldigheid. Als troost mag gelden dat ze dat gemeen hebben met hun mannelijke leeftijdgenoten én met Reves Heilige Maagd Maria, die ook buiten de Drievuldigheid werd gehouden. It’s a man’s world.

Meer zelfs: it’s a Dutchman’s world. Louis Paul Boon (1912) en Hugo Claus (1929) mogen in Vlaanderen de onbetwistbare groten zijn, ze zijn er nooit in geslaagd om van de grote drie de grote vijf te maken. Veel meer dan de leeftijd spelen hier de taal en de cultuur een rol. De Engelsen lezen zonder probleem het Iers getinte Engels van Joyce en maken van hem een van «hun» grootste auteurs. De Duitsers doen hetzelfde met Kafka, die niet bepaald idiomatisch Duits schreef; en de Italianen met Svevo, die evenmin het standaard-Italiaans hanteerde. Voor de Nederlandse literatuur blijven Boon en Claus echter buiten het Heilige der Heiligen. Op vele andere punten staan ze het dichtst bij de grote drie: ze debuteren in de juiste periode, ze staan literair en kwalitatief op hetzelfde niveau, ze zijn in Vlaanderen even heilig als de grote drie in Nederland, maar het zijn Vlamingen.

Van Hermans en Mulisch kun je zeggen dat ze de vernieuwingen van het modernisme hebben binnengebracht in de mainstream van de Nederlandse literatuur. De versplintering van het ik; de onzekere werkelijkheidsbeleving; de tekst als puzzel en als mozaïek van intertekstuele verwijzingen; de oneerbiedige afrekening met het fatsoen en met de verwachtingen van de lezer – dit alles en nog veel meer leveren Mulisch en Hermans ieder op hun eigen manier. Over het algemeen is hun moderniteit gematigd. Het avant-gardistische modernisme tref je bij hen uiterst zelden aan. Het surrealisme is belangrijk in de twee zogenaamd onleesbare romans van Hermans (De God Denkbaar Denkbaar De God en Het Evangelie van O. Dapper Dapper), maar die worden zelden tot de kern van Hermans’ werk gerekend. Ze lijken bijna Fremdkörper, te vergelijken met de surrealistische verhalen die Claus in Natuurgetrouw bundelde. Mulisch’ zogenaamd «hyperrealistische roman» De verteller («hij reproduceert de reële chaos als een literair labyrinth», aldus de auteur) is een even uitzonderlijk geval in het oeuvre van de auteur. En als je het vergelijkt met het hyperrealisme van Boon in De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren is het tegelijkertijd abstracter en minder ingebed in de surrealistische en groteske avant-garde.

Dat de vernieuwing van Mulisch en Hermans redelijk gematigd genoemd mag worden, betekent dat dit tweetal meestal heel leesbaar blijft. Dat hebben ze gemeen met Reve, die zichzelf niet ziet als een modernist, maar als een romantisch decadent auteur. Reve mag een virtuoos zijn in het spel met ingebedde verhalen en hij mag proustiaanse volzinnen schrijven, zijn vorm blijft steeds perfect overzichtelijk, en in die zin traditioneel. Van experimenten heeft hij nooit willen weten. Inhoudelijk getuigt zijn werk wel van het moderne levensgevoel, en zijn ongrijpbare ironie vormt een van de beste voorbeelden van de onzekere werkelijkheidsbeleving.

Een gematigde, slechts uitzonderlijk avant-gardistische vorm van modernisme hoort dus bij Mulisch en Hermans, terwijl Reve vooral inhoudelijk modern genoemd kan worden. Van een duidelijke literaire stroming waarop de grote drie eensgezind zouden voortdrijven, is geen sprake. Maar leesbaar en modern zijn ze wel. Dat blijkt een bijkomende eis voor lidmaatschap van de club. Schierbeek, die in de juiste periode debuteert met niet-experimentele oorlogromans als Terreur tegen terreur (1945) en Gebroken horizon (1946), kan elke vorm van lidmaatschap vergeten na Het boek ik (1951) – volgens de literatuurgeschiedenis de eerste experimentele roman. Wie niet toegankelijk schrijft, kan niet tot de grote drie behoren.

Er zijn dan ook geen groten van de experimentele literatuur. Het zou nochtans makkelijk kunnen. Eerst de grote twee Schierbeek en Michiels (die in 1963 Het boek alfa publiceert), en dan de vernieuwers die de jaren zeventig domineren. Die zijn zo talrijk dat het onmogelijk wordt een beperkte selectie te maken. Polet, Vogelaar, Van Marissing, Robberechts, Roggeman en tientallen anderen schrijven experimentele literatuur in die jaren en zijn daarin veel onvriendelijker voor hun lezers dan de grote drie. Hun verregaande experimenten lijken contraproductief te zijn voor de opname in de club van evergreens. Het andere proza en de nouveau roman worden nu vaak beschouwd als «typisch voor die tijd», terwijl de grote drie zogenaamd moeiteloos hun tijd overstijgen. Die overstijging is deels het gevolg van de economisch geïnspireerde productiemachine, die de grote drie in allerlei vormen recycleert en ze zo in steeds nieuwe contexten promoot. Literaire eeuwigheid is in dit geval niet los te maken van economische rentabiliteit.

Ook latere vernieuwers zijn er niet in geslaagd door te dringen tot het clubje van de groten en hebben al evenmin een eigen reuzencircuit kunnen opleggen. Het _Revisor-_proza leek een relatief duidelijk afgebakende en in ieder geval toegankelijke vernieuwing, maar tot een nieuwe Drievuldigheid (bijvoorbeeld: Kellendonk, Matsier en Kooiman) of tot een gendervriendelijker viertal (met Doeschka Meijsing erbij) is het nooit gekomen. Hetzelfde geldt voor de minder toegankelijke vernieuwing van het postmodernisme. Net als bij de experimentelen zou je in een vroeg stadium van de grote twee kunnen spreken (Ferron en Brakman) en zou in een later stadium – ruwweg vanaf 1990 – de keuze onmogelijk worden. Jongstra, Februari, Mutsaers, Thomése, Verhelst, Hertmans, Hoste en zo vele anderen – hoe moet je hier kiezen? Bovendien is er in dit geval onvoldoende afstand in de tijd. De grote drie werden ook niet als dusdanig bestempeld in de eerste tien jaar van hun carrière. Het is pas achteraf dat zulke etiketten geconstrueerd worden.

Om tot een kleine elite van groten door te dringen, mag er blijkbaar niet te veel keuze of concurrentie zijn. En moet er voldoende temporele afstand zijn. Misschien is het eerste wel het gevolg van het tweede: pas in de terugblik kan de literaire productie van de jaren veertig en vijftig voorgesteld worden als een relatief overzichtelijk en zelfs enigszins kaal landschap, waarin drie mannen zozeer opvallen dat het lijkt alsof er nauwelijks concurrenten zijn. De grote drie bestaan alleen in de terugblik, en dat is onze blik. De leeshouding die Mulisch, Hermans en in mindere mate Reve vroegen, leek in de jaren vijftig onorthodox, maar behoort nu tot de kern van wat de ontwikkelde leeshouding genoemd mag worden. Als we deze drie omarmen als grote schrijvers, omarmen we meteen onszelf als grote lezers. Dat is nog eens een aangename inbalseming.

De grote drie hebben poëzie, toneel en proza geschreven. Maar hun faam en zeker hun leespubliek danken ze aan hun proza. Er is geen heilig clubje van dichters. Lucebert, Kouwenaar en Claus worden niet voorgesteld als de grote drie van de poëzie. De Vijftigers mogen voor de vernieuwing van de literatuur minstens even belangrijk zijn als de grote drie, toch worden ze niet opgenomen in het bestaande clubje van groten en mogen ze ook hun eigen club niet oprichten. Zou de concurrentie in de wereld van dichters groter zijn dan in de wereld van de romanciers? Is de toegankelijkheid van poëzie kleiner dan die van de roman? Faalt de economisch gemotiveerde literaire productie wanneer het gaat om poëziebundels, die zelden bestsellers worden? Als een dichter niet vaak herdrukt wordt, kan hij niet profiteren van steeds nieuwe contexten en steeds nieuwe lezers, die hem het aura van eeuwige grootsheid zouden verlenen.

Ook op het vlak van de toneelliteratuur is er geen Heilige Drievuldigheid. Toneelteksten worden even zelden beststellers als dichtbundels en bovendien circuleren ze in een ander circuit, met een ander publiek en een andere, minder centrale rol voor de tekst. Grote toneelteksten zijn voor hun succes mede afhankelijk van grote regisseurs en acteurs, wat de grootheid en almacht van de schrijver relativeert. Geen wonder dat een reus als Claus herhaaldelijk gefulmineerd heeft tegen de vrijheden die regisseurs en acteurs zich veroorloven. Een lezer van een roman zal de grootheid van die tekst (en van zijn eigen lectuur) veel directer verbinden met de auteur dan de toeschouwer van een theatervoorstelling. Er staat in dit geval gewoon te veel volk tussen de goddelijke schrijver en zijn publiek. Zoiets is niet bevorderlijk voor de inbalseming.

Blijkbaar zijn de grote drie zo stevig omzwachteld dat er geen plaats is voor een vierde of een vijfde, zelfs niet voor een heilig trio in een andere stroming of een ander genre. Men spreekt wel af en toe van «een nieuwe Reve» en men heeft er bij nieuwe auteurs vaak op gewezen dat ze schatplichtig zijn aan een of meer van de grote drie, maar bij mijn weten spreekt men nergens van «de nieuwe grote drie». Misschien is men een beetje moe van dergelijke canoniserende labels. Misschien is onze tijd daar wat te relativistisch voor.

Maar het effect is helaas niet zo relativerend: het lijkt wel alsof er na Reve, Hermans en Mulisch geen grote schrijvers meer opgestaan zijn. Het exclusieve gebruik van het etiket voor één oude en twee dode schrijvers is niet bepaald bevorderlijk voor jonge en levende auteurs. Of zelfs voor oude en dode. Natuurlijk zijn Mulisch, Reve en Hermans grote schrijvers, maar de gemakzucht waarmee zij gebruikt worden als referentiepunten voor het moderne Nederlandse proza reduceert dat proza tot een skelet. Al even skeletmatig worden deze drie auteurs zélf wanneer ze voortdurend op elkaar betrokken worden, terwijl hun grootsheid net in hun eigenheid ligt.

Conclusie: de zwachtels waarmee de grote drie bij elkaar gehouden worden, stinken. Niet alleen maken ze mummies van het drietal, bovendien reduceren ze de andere auteurs tot schimmen in de schaduw van drie reuzen. Eenvoudig gezegd komt dat doordat het verbandgaas veel te strak aangespannen is. De beperkingen – dat wil zeggen: de toegangsvoorwaarden van het clubje – zijn dwingend omdat ze de machtsverhoudingen van het literaire veld weerspiegelen: Nederland boven Vlaanderen, man boven vrouw, leesbaar modern boven experimenteel of postmodern, proza boven poëzie of toneel. Ik beweer helemaal niet dat de grote drie hun plek te danken hebben aan die kenmerken, maar wel dat hun literaire kwaliteit niet zo makkelijk erkend zou worden als ze die kenmerken niet bezaten. Natuurlijk zijn er auteurs die, vanuit welke poëtica dan ook, even groot of zelfs groter genoemd kunnen worden, maar het etiket is al uitbesteed en de podiumplaatsen weerspiegelen fraai de machtsverhoudingen van het veld.

Tegen zulke verhoudingen valt nauwelijks op te boksen. Niet alleen worden ze ondersteund door de literaire machine van uitgevers, critici, boekhandels enzovoort – ze worden ook bevestigd door het narcisme van het publiek, dat in de grootsheid van de drie auteurs het gelijk en het gehalte van zijn eigen literatuuropvatting bevestigd ziet. Om even met Bourdieu te spreken: de positie van de grote drie in het literaire veld past perfect bij de dispositie van het lezende publiek. Het zou dan ook lichtjes onrealistisch zijn te pleiten voor de afschaffing van de term «grote drie». Je kunt evengoed pleiten voor de afschaffing van de machtsverhoudingen en het publiek. Toch kan de term gerelativeerd worden door te tonen dat hij geen goddelijke garantie is voor literaire kwaliteit maar een al te menselijke constructie die beantwoordt aan de eisen van het veld en het narcisme van het publiek. Als er een geurtje is aan de grote drie, is dat vooral de geur van dat veld en dat publiek. * Bart Vervaeck is verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en onderzoekt het postmodernisme in het literaire proza en de literatuurwetenschap