FILM The Troll Hunter

Snuffelen naar christenen

De populaire film, vooral ‘Hollywood’, bevindt zich in een vreemde fase van artistieke en technologische ontwikkeling, om niet te zeggen: stagnatie of verlamming.

Waar cineasten als James Cameron nieuwe wegen proberen te bewandelen door onder meer in Avatar de filmtechniek op een nooit eerder getoonde wijze te gebruiken, daar gebruiken andere regisseurs uit kleinere filmculturen als die in Zuid-Korea of Scandinavië de huidige leegte om op een veel bescheidener schaal precies hetzelfde soort verhaal te vertellen. Het resultaat kan magistraal zijn, getuige The Troll Hunter van de Noorse regisseur André Øvredal.

Jawel, trollen, monsters uit de Noorse mythologie die niet tegen zonlicht kunnen; die christenen mijlenver kunnen ruiken of horen (moslims hebben blijkbaar niets te vrezen van de snuffelende monsters); en die het steeds moeilijker hebben met de moderne wereld waarin men of geringschattend over hen denkt, of hen alleen maar wil uitroeien.
Hier komt de trollenjager in het spel, Hans die er zelf uitziet als een trol: grote neus, wilde baard, wilde ogen. En misschien is hij ook een van hen. Want hij heeft als enige respect voor de eeuwige wezens. Wanneer een groep universiteitsstudenten komt opdagen om Hans met een camera te volgen, vindt er een botsing plaats tussen de mythologische wereld van de oude verhalen en de frivoliteit van de moderne maatschappij waarin technologie alles is.
Na The Blair Witch Project uit 1999 en Cloverfield uit 2008 van J.J. Abrams wordt ook The Troll Hunter in mockumentary-stijl verteld. Aan het begin van de film verschijnt er een mededeling op het scherm dat wat we gaan zien afkomstig is van gevonden beeldmateriaal waarvan de eigenaar of maker spoorloos is verdwenen. Dat materiaal is de film gemaakt door de studenten.
Deze ‘ruwe’ visuele stijl kan inmiddels een cliché zijn, maar Øvredal weet er effectief mee om te gaan. Er is genoeg humor, bijvoorbeeld wanneer de arme studenten zich met 'trollenstank’ moeten insmeren om aan de monsters in de bergen te ontkomen. De spanning en horror worden vervolgens opgevoerd doordat de trollen zich 'erg moeilijk’ laten fotograferen en al het afgrijselijke aan de wezens maar net niet op film valt vast te leggen. Het magnifieke aan deze vorm van 'guerrillafilmmaken’ is dat alles laten zien of het hele verhaal vertellen ook niet eens hoeft. Want we weten wat de conventies van dit soort films en verhalen zijn, ironisch genoeg dankzij Hollywood die de monsterfilm immers heeft uitgevonden en vervolmaakt. En nu dus in een identiteitscrisis is beland.
De verlamming zit ’m in het feit dat grote special-effectfilms uit Hollywood op dit moment het raffinement van een Cameron en een film als Avatar missen. Recente werken waren niet meer dan interessant en de komende lijst zomerfilms belooft al helemaal niets goeds. Het klimaat is dat van afwachten om te zien in welke richting de technologie zich gaat ontwikkelen. Toch 3D? En welke regisseurs zijn er dan toe in staat zoals Orson Welles of John Ford de nieuwe hardware op een artistieke wijze te benutten, om de filmkunst dus opnieuw uit te vinden? Deze vragen zijn vooralsnog onbeantwoord.
Bij tijd en wijle komen de interessantste genrefilms niet uit Hollywood, maar juist uit Engeland, Noorwegen, Denemarken of Zuid-Korea, getuige The Host (2006) van Bong Joon-ho, de film noir Terribly Happy (2009) van de Deense regisseur Henrik Ruben Genz, en een van de beste films van het jaar tot nu toe: de low budget sciencefictionfilm Monsters van de Engelsman Gareth Edwards. En nu dan het heerlijke The Troll Hunter. De vraag rijst: waar is Hollywood dan nog goed voor?

Te zien vanaf 12 mei