Zomerklassiekers

Soap, maar meer nog satire

Deze maand (her)lezen we Nederlandse en vertaalde klassiekers. The Power and The Glory, Catch-22… Fijne dikke meesterwerken voor op het strand of in de tuinstoel. Deze week Jacq Vogelaar over De huid van chagrijn van Honoré de Balzac.

Balzac was lange tijd een ijkpunt: afgaande op Franse auteurs die ik op hun woord geloofde gold hij - ongelezen - als toppunt van realisme. Daar had de avant-garde en een belangrijk deel van de moderne literatuur absoluut geen boodschap meer aan. Balzac opende een rijtje waarin Zola een prominente plaats innam. Kortom, de balzaciaanse roman was passé; het antinaturalisme had gezegevierd. Eén ding kan ik na inmiddels het een en ander van hem gelezen te hebben wel zeggen: Balzac zelf heeft geen balzaciaanse roman geschreven, evenmin als Marx marxist was en Freud freudiaan. De enormiteit van het werk gaf al helemaal een vrijbrief om niet eens te beginnen aan het bolwerk Comédie humaine. Toen het in 1842 ter inschrijving aan het publiek werd voorgesteld, werden er door de uitgever 24 delen in het vooruitzicht gesteld, waarvan er voor 1848 zeventien zouden verschijnen, na Balzacs dood in 1850 uitgegroeid tot 24. In 1842 werden ook al alle nog te schrijven titels vermeld; en vorig werk vanaf 1829 had Balzac alsnog een plaats in het totaalwerk gegeven. In twintig jaar schreef hij zijn oeuvre bij elkaar, bedoeld om een genadeloze inboedelbeschrijving te geven van de wereld van zijn generatie, het Frankrijk van na de Revolutie dat volgens hem door en door ziek was. Toen Balzac op z'n vijftigste stierf, had hij praktisch geen roman of verhaal afgemaakt. Telkens als er een gedrukt was, gebruikte hij de drukproeven als klad voor een volgende versie; hij herschreef ook niet, maar schreef door, vulde aan en op, zodat sommige verhalen mettertijd vijf keer zo omvangrijk werden. In feite schreef hij simultaan aan alle boeken tegelijk verder. En hij kon dit omdat hij een allesomvattend bouwplan had.
Balzac wilde ook geen romanschrijver zijn, maar zag zichzelf als sociaal wetenschapper, historicus, filosoof en steeds meer als heelmeester van Frankrijk. Het grote werk zou bestaan uit een serie Zedenschetsen (Études de moeurs), waarin hij de kwalen van de tijd beschreef; een serie Filosofische studies, waarin de diagnose van de ziekte van de beschaving werd gesteld, en een derde reeks Analytische studies waarin remedies zouden worden voorgeschreven. Van die derde serie is het nauwelijks gekomen, omdat de beschrijving al analytisch was en bol stond van raadgevingen.
Balzac wilde niet zoals veel schrijvers van mammoetwerken na hem de wereld verbeteren, maar letterlijk beter maken. En dat in en met één gigantisch werk dat tegen de (verziekte) maatschappij op kon: de romans waren bouwstenen van een allesomvattend bouwwerk dat wat betrof constructie, eenheid en betekenis opwoog tegen het anarchisme van de reële samenleving. Als hij een realisme beoogde, dan geen spiegelbeeld, zoals hij expliciet in het grote voorwoord van 1842 bij de Comédie formuleerde, maar een geconcentreerde vorm van werkelijkheid, letterlijk een tegenbeeld - het woord ‘studie’ was dan ook perfect gekozen. De moderne samenleving miste samenhang, een bindend idee; hij deed de schepping alsnog over, beter, doordachter. Nieuw was de complexiteit van het hele project, de ambitie van een allesomvattende roman. Nieuw was zeer zeker ook zijn sociologische blik.
Of hij zelf echt in dat wereldplan, dat hypothetische geheel, geloofde, dat een schrijver echt de realiteit kon rechtzetten, maakt niet zo veel uit - zolang de hypothese maar werkte. In zekere zin is dat werk juist als hypothese een monument geworden, en dan bedoel ik alle voorwoorden en uitweidingen bij elkaar, die in de complete werken werden weggelaten en pas een eeuw later, na 1950 aandacht kregen. Anders gezegd: het steigerwerk zou wel eens interessanter kunnen zijn dan het oeuvre van al die romans en verhalen. Balzac mag dan de indruk wekken zijn romans met een grote luiwagen bijeengeveegd te hebben, je hoeft maar wat beter te kijken en je ziet een gedreven ambachtsman aan het werk die zich ervan bewust was dat ideeën in de literatuur zetstukken zijn, verwisselbaar en voor alles te gebruiken, maar dat denken al schrijvend gaat, zoals een schilder alleen schilderend denkt, waar de raadselachtige novelle over twee typen genie Het onbekende meesterwerk uit 1831 om draait.
De novelle maakte deel uit van een cyclus van de voor Balzac zelf uitermate belangrijke kunstenaarsverhalen. Het centrale thema was daarin het contrast tussen plan (idee) en uitvoering (kunstwerk), een thema dat Balzac op het lijf geschreven was. De serie was gegroepeerd rond de roman La peau de chagrin (1830), de roman die de overgang vormde van de zedenschetsen en de filosofische studies - daarin gaat het expliciet om een willen dat nog geen kunnen is. De kunstenaarsverhalen zijn een vervolg op de roman doordat ze de wanorde laten zien die het denken, als het verder ontwikkeld wordt en doordenken wordt, aanricht in de ziel van de kunstenaar. In de woorden van Balzac zelf: het ging om de zelfmoord van de kunst - het motief daartoe had Balzac door Rousseau geformuleerd gezien: denken doodt - rationaliteit is de oorzaak van alle maatschappelijke kwalen, het duidelijkst te zien aan de kunst waar reflectie een verwoestende uitwerking heeft.
Zonder enig besef van de wijdere filosofische en maatschappijtheoretische context weet de lezer van de roman La peau de chagrin, vertaald als De huid van chagrijn, niet eens tot welk genre het verhaal hoort. Op het eerste gezicht is het een oriëntaals getinte fantastische vertelling, in de sfeer van de kadervertellingen van Sheherezade. Zo was het ook bedoeld: Balzac was een groot bewonderaar van de fantastische vertellingen van E.T.A. Hoffmann. Het spannende aan Balzac is dat je kunt volgen hoe een verhaal soms per pagina van genre wisselt: nu eens doodserieuze beschouwing, dan weer satire, van zakelijke beschrijving verspringend naar barok of maniërisme; je kunt ook zeggen dat hij achter een groot orgel alle registers tegelijk bediende.
Het wonderlijke is dat de man van de grote gooi ook heel goed uit de voeten kan op de vierkante centimeter van de miniatuur. Zo is het begin van De huid van chagrijn al een roman in het klein - waarin hij trouwens van een kort krantenbericht over een vrouw die in de Seine gesprongen is zegt dat het in genialiteit op kon tegen de oceaan van literaire werken.
Eind oktober 1829 stapt een jongeman, de hoofdpersoon, Raphaël de Valentin, een jonge dichter van 25 (ofschoon de roman maar enkele maanden beslaat is hij elders 26 en zelfs al 27), een speelhuis binnen, waar ’s middags alleen een paar verlopen types aan het gokken zijn. Zijn laatste goudstuk zet hij in en hij kan zodra hij zijn laatste stuivertje versnoept heeft meteen weer naar buiten, vastbesloten een eind aan zijn leven te maken. Maar zelfmoord pleeg je niet ’s middags, maar ’s nachts. Om de tijd te doden gaat hij een uitdragerij in, wat Balzac de kans geeft in kort bestek het rariteitenkabinet als een samenvatting van de hele wereld en vooral een eclectische kunstgeschiedenis te geven ('een Gerard Dou die wel iets weg heeft van een bladzijde van Sterne’). De eigenaar, een grijsaard van 102, verkoopt hem voor zijn laatste centen een talisman, een stuk gelooid ezelsvel, met onder een laagje leer een tekst in het Sanskriet: 'Als je mij bezit, bezit je alles, maar je leven zal mij toebehoren…’
De talisman van chagrijnleer wordt de running gag: elke keer als de bezitter een wens doet, krimpt het vel en wordt de tijd die hij te leven heeft korter. Het eerste wat hij wenst is een bacchanaal. Bij het verlaten van het rariteitenkabinet stuit de dichter op enkele oude vrienden die hem vragen mee te gaan naar een banket dat gehouden wordt door een man die net een krant heeft opgericht. Het banket zal uitlopen op een bacchanaal, niet dan nadat Balzac een kakofonie van meningen heeft laten horen van gasten die allemaal hun politieke mening ventileren. Dan zijn ze nog brooddronken, om middernacht zijn ze echt dronken en als dan de vrouwtjes in het spel komen, beginnen de uitspattingen. Daar worden heel veel woorden aan besteed, maar 'uitspattingen’, 'liederlijkheden’ en andere 'excessen’ blijven woorden of zijn te erg voor woorden.
De eerste wens is vervuld. Meteen aan het eind van het gelag gaat de tweede in vervulling: 'Ik wil nu leven. Ik ben rijk en wil een lijfrente van tweehonderdduizend pond.’ Een advocaat komt vertellen dat Raphaël de enige erfgenaam is van majoor O'Flaherty, die onlangs in Calcutta gestorven is.
Ik zeg wel dat de tweede wens onmiddellijk in vervulling gaat, maar tijdens het feest heeft Raphaël in een monoloog van bijna honderd pagina’s zijn leven verteld van de laatste tien jaar: een roman in de roman. Na drie jaar als een kluizenaar met wetenschap bezig te zijn geweest, is hij geobsedeerd geraakt door een mooie rijke vrouw die geheel verstoken is van gevoel en daarom alles en iedereen naar haar pijpen kan laten dansen. Zo ook de jonge dichter, die van de nood een deugd maakt en, voortdurend door haar afgewezen, een studie maakt van dit ondoorgrondelijke karakter: een vrouw zonder gevoel, maar toch eerder een vrije vrouw dan een femme fatale. Haar onverschilligheid is haar kracht die haar behoedt voor alle ellende waarmee de liefde gepaard gaat. Met alle plezier zou ik de hele roman navertellen, alle verhalen die kunstig aaneengeregen en met elkaar verknoopt worden, even larmoyant als geestig; soap, maar meer nog satire.
Al die uitweidingen doen Balzac niet vergeten dat hij iets te vertellen heeft, heel veel zelfs, onder meer over de pestilente uitwerking van het denken, de desastreuze effecten van wensen, de besmettelijkheid van de maatschappij die verziekt wordt door weetgierigheid, winzucht, ijdelheid, gevoelloosheid. Voor Raphaël nadert het einde als zijn magische vel tot een flintertje gekrompen is en zijn laatste wens in vervulling gaat: 'Ik wil in de armen van Pauline sterven’ - het bescheiden meisje Pauline is de belichaming van het ware gevoel en in alles het tegendeel van de vrije vrouw Foedora. Behalve als studieboek is De huid van chagrijn ook zeer geschikt als bedboek.

De huid van chagrijn is in 1982 vertaald door Jean A. Schalekamp, uitgegeven door Het Spectrum in de serie Prisma klassieken en nog steeds leverbaar; uiteraard ook tweedehands te krijgen