Soapschaamte

Dagbladrecensent kreeg brief van Avro-hoofd. Of hem in zijn kritiek op Avro’s Nationale Soap Acteer Wedstrijd wellicht ontgaan was dat het hier een proeve van ironie betrof.

Bij mijn weten was die brief niet voor publicatie bedoeld en dat maakt het nog onthutsender. Veel schijnheiliger kan het immers niet. Drie maanden lang zet je op vrijdag prime-time een voor de gelegenheid geschreven keukenmeiden/stalknechtenserie; je laat die spelen door amateurs die oprecht hopen ontdekt te worden voor het Grote Werk - van soapster tot meidenzanggroeplid tot spelletjespresentator; je laat dat inleiden door Mister Spottende Knipoog en ‘Denk-Niet-Dat-Ik-Erbij-Hoor’-himself; je zet een jury neer die 'ha-ha-ha’ de Vrouwelijke Welvingen beoordeelt, maar ook bij het treurigst gestuntel stelt dat het fris en authentiek en naturel gedaan is en dat de uitstraling er mag wezen, maar dat er nog iets aan ontbreekt; je zet als vaste bijrol het enige voorbeeld in van iemand die in soap begon en meer bleek te kunnen; kortom, je probeert zowel te profiteren van de soapgekte en zoveel mogelijk soapminnaars te trekken, als degenen te bedienen die zich daar ver boven verheven voelen maar niet te beroerd zijn voor een trimester leedvermaak en voyeurisme, en dan zeg je, als iemand schrijft dat je lege en opportunistische televisie maakt: 'U ziet niet hoe superieur en intelligent en geestig want ironisch wij bezig zijn.’
Soap. Een goede vriend speelde recentelijk een bijrolletje in Onderweg naar morgen. Geintje. Nieuwsgierig. En gezwicht voor zijn dochters die apentrots vriendinnetjes jaloers wilden maken (als u het zwakke argumenten vindt: liefde leidt tot rare dingen en hoe dan ook, hij blijft mijn vriend).
Dus gekeken. Ook eenmalig, want ondanks de intellectuele soaplobby die spreekt van elitaire minachting voor massacultuur en van inmiddels verworven professionaliteit, stonden we versteld over zoveel samengebalde knulligheid. Naast een enkele redelijke acteur staat een horde matigen tot beroerden; de karakters zijn van hetzelfde bordkarton als de decors; de tekstschrijvers leveren niet alleen lopende-band-clichés in dramatische ontwikkeling en dialoog maar, en dat verbaasde nog het meest, doen dat in een harkerig soort taal die geen normaal mens de bek uit krijgt, laat staan deze derderangsacteurs.
'Momenteel zou alleen een hele goeie nacht doorslapen mij ontspannen’, zegt een meisje. Probeer dat te zeggen, compleet met het boekentaalachtige 'mij’ in plaats van 'me’ - mondkramp gegarandeerd. Eén op de tien zinnen heeft een hoog exposégehalte in de geest van 'wij zijn broers’: zaken die mensen nooit tegen elkaar zeggen omdat ze vanzelfsprekend zijn, maar die hier worden bedoeld voor nieuwe of heel domme clientèle.
Het merkwaardige van deze soap is dan ook dat de eenmalige kijker tegelijk in een bizarre en onbegrijpelijke wereld belandt én binnen de kortste keren ziet welke kant het op zal gaan. Ach, het is bagger die verder niemand kwaad doet. Ze doen maar. Laten ze dan wel ophouden met gejeremieer over 'onderschatting’ en 'kwaliteit’.
Maar vriend is verbluft over het grote aantal bekenden in kringen van de kunsten dat hem over zijn 'rol’ aansprak. Iedereen had hem 'toevallig’ gezien: zappend, op bezoek bij soapverslaafde vrienden, door de kinderen. De makers kennen weinig schaamte, een deel van de kijkers kennelijk veel.