Srebrenica: Nederland weet het niet meer

Sociaal geheugenverlies

Vorige week werden de ex-ministers Hans van Mierlo en Joris Voorhoeve verhoord door de Srebrenica-commissie in Parijs. De hoop was dat eindelijk de waarheid over de val van de enclave boven zou komen. Het werd een anticlimax.

De Franse avondjournaals raffelden het onderwerp vorige week donderdag met Gallische onverschilligheid af. Le Figaro besteedde er de volgende dag slechts een klein kadertje aan, Le Monde vond het niet eens een vermelding waard. Het NOS-Journaal verstopte het item tussen de MKZ-berichten en zelfs de Nederlandse dagbladen hadden er niet meer dan een paar regels voor over. Het verhoor van de ex-ministers Hans van Mierlo en Joris Voorhoeve door de Srebrenica-commissie in Parijs was een anti climax voor alle betrokkenen, inclusief de opgeluchte getuigen zelf. Het was nieuws, maar daar was ook alles mee gezegd.

Nederland had zichzelf weer eens vrijgepleit van verantwoordelijkheid voor de val van Srebrenica, maar zonder de schuld te leggen bij zijn toenmalige bondgenoten, bij individuele VN-diplomaten of bij de Franse militaire leiding van Unprofor, de internationale vredesmacht die destijds moest toezien op de wankele wapenstilstand tussen de strijdende partijen. Het eenkennige gemompel van Van Mierlo en de steriele analyse van Voorhoeve (die hij de laatste jaren in zijn slaap honderden malen moet hebben afgestoken) riepen nauwelijks scherpe vragen van de kant van de commissie op. In de beste vaderlandse traditie werden zodoende kool en geit gespaard.

Voorzitter Loncle dankte beide heren voor hun «feitelijke verslag» terwijl de overige commissieleden, voorzover aanwezig, de zitting opbraken en hun schreden ijlings richtten naar weekendhuis, opera of confit de canard. «Het is ook al zes jaar geleden, de scherpe kanten zijn eraf», zei het socialistische commissielid Brana onlangs in een interview. Zo dreigt de grootste oorlogsmisdaad in Europa sinds 1945 een voetnoot in de geschiedenis te worden. Alle betrokkenen hebben inmiddels hun verhaal van a tot z klaar en weten zich aan alle kanten ingedekt. Onderzoeken verzanden in een dodelijke routine, dodelijk voor de collectieve herinnering en wellicht dodelijk voor toekomstige soldaten en vluchtelingen die in een vergelijkbare situatie terechtkomen omdat niemand zijn les heeft geleerd.

«De diplomatie heeft weer eens gewonnen van de waarheid», zegt een Parijse woordvoerder van Artsen zonder Grenzen (AzG) die de verhoren op de voet volgt. Hij walgt van het gebrek aan zelfreinigend vermogen dat betrokkenen aan de dag leggen. «Niemand wil de verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven krijgen, niemand durft met de vinger naar een ander te wijzen. De Franse sleutelfiguur, generaal Janvier, is op 24 februari nota bene gehoord achter gesloten deuren. Dat gebeurde op verzoek van het ministerie van Defensie. De motivatie was dat men zogenaamd het onderzoek van het Haagse oorlogstribunaal niet wilde doorkruisen. Het beeld wordt op die manier alleen maar schimmiger.»

Hij is zeer teleurgesteld door het optreden van de Nederlandse oud-bewindslieden. Het Franse hoofdkwartier van AzG heeft jarenlang aangedrongen op een onderzoek naar de Franse rol bij de val van de enclave en de daaropvolgende gevechten en moordpartijen in de omgeving waarbij duizenden moslims werden gedood, onder wie 22 medewerkers van AzG zelf. De organisatie wil eindelijk antwoord op twee vragen, namelijk in welk stadium de Franse legerleiding wist dat de Serven Srebrenica wilden innemen en waarom de Franse opperbevelhebber van Unprofor, generaal Janvier, weigerde de Nederlandse blauwhelmen de gevraagde luchtsteun te geven.

AzG beschouwde afgelopen donderdag als een dag van de waarheid. Eindelijk zou de schuldvraag inzake de uitblijvende luchtsteun aan de orde komen: wie had de benarde blauwhelmen in die tweede, beslissende week van juli 1995 nu eigenlijk laten vallen, de Franse militaire leiding van Unprofor of de Nederlandse bewindslieden? In Nederland circuleerde destijds het verhaal dat de Franse opperbevelhebber het al in het voorjaar van 1995 op een akkoordje had gegooid met de Servische generaal Mladic: er zouden geen Navo-luchtoperaties boven Servisch gebied meer worden uitgevoerd in ruil voor de vrije aftocht van de westerse militaire gijzelaars die Mladic en de zijnen aan hekken en lantaarnpalen bij militaire doelen hadden vastgeketend. Het bewijs voor die aantijging werd niet geleverd, maar er was een belangrijke aanwijzing: in een redevoering tijdens een besloten zitting van de Veiligheidsraad had Janvier in het voorjaar van 1995 duidelijk gemaakt dat hij graag verlost wilde zijn van de onverdedigbare «veilige enclaves».

Van meet af aan circuleerde er ook een andere versie, volgens welke de Nederlandse regering zelf de luchtsteun had tegengehouden om de levens van de Nederlandse militairen niet in gevaar te brengen. Die versie werd begin dit jaar opnieuw gelanceerd door ex-premier Alain Juppé tijdens zijn verhoor door de Parijse commissie. Nederland wilde geen geweld gebruiken en zou dat in de kritieke fase van de belegering nog eens hebben bevestigd met een telefoontje van Van Mierlo naar zijn Duitse ambtgenoot Kinkel. En zelfs na de val van Srebrenica, aldus nog steeds Juppé, wilde Nederland niets weten van een onmiddellijke herovering zoals voorgesteld door de Franse president Chirac.

Voor de Parijse commissie wisten Van Mierlo en Voorhoeve aannemelijk te maken dat Juppé een paar dingen door elkaar haalde. Nederland wees de luchtsteun pas van de hand toen het toch al te laat was en de blauwhelmen en vluchtelingen door de Serven in een onontwarbare kluwen opeen waren gedreven. Tot zover hadden ze de feiten aan hun kant, maar Juppé had niettemin een zaak. Het punt dat hij wilde maken betrof de Nederlandse houding gedurende de hele aanloop naar de dramatische ontknoping van juli 1995. Daaraan gingen de twee Nederlandse bewindslieden gemakshalve voorbij. Maar juist daarover hadden ze kunnen struikelen als de commissie flink had doorgevraagd, zodat ze alsnog alle voorpagina’s hadden gehaald.

De Fransen hebben namelijk niet alleen na de val van Srebrenica aangedrongen op een doortastender optreden tegen de Serven, maar al ruim voor die tijd. President Chirac, die in het voorjaar van 1995 aantrad, had meermalen in internationaal verband aangedrongen op extra beveiliging van de enclaves en het instellen van een luchtbrug voor de bevoorrading. Voor noodgevallen stelde hij zelfs de Franse Snelle Interventiemacht ter beschikking, op voorwaarde dat de Britten en Amerikanen die inzet steunden en zich als blijk van goede wil verplichtten tot het beschikbaar stellen van helikopters. Maar dat weigerden ze, onder goedkeuring van Neder land, dat als leverancier van blauwhelmen bij de onderhandelingen aanzat en heel goed op de hoogte was van de benarde situatie van zijn eigen manschappen in Srebrenica.

De French doctors zijn niet de enigen die hun eigen autoriteiten hinderlijk blijven achtervolgen. Wat dat betreft hebben ze een Nederlandse pendant in de vorm van het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), dat de verhoren eveneens op de voet volgt vanwege zijn jarenlange betrokkenheid bij de Balkancrisis. In een recent artikel in Trouw wierpen IKV-medewerkers een paar prangende vragen over het Nederlandse aandeel op die ook in Parijs niet zijn beantwoord. Waarom verzette Nederland zich tegen een robuuster optreden zoals voorgesteld door Chirac? «Waren wij in die tijd soms alleen maar bezig met de aflossing van Dutchbat en niet echt geïnteresseerd in een effectieve bescherming van de enclave?» vragen de auteurs retorisch.

«Ja», antwoordt Gertjan Dijkink, hoofddocent politieke geografie aan de Universiteit van Amsterdam, onomwonden. «Nederland heeft steeds ambivalent gestaan tegenover het gebruik van geweld op de Balkan. Het belang van de eigen troepen, het overleven van de Nederlandse blauwhelmen, stond tot aan de val van Srebrenica in alle beraadslagingen voorop.» Dijkink doet onderzoek naar de publieke perceptie van schokkende gebeurtenissen zoals de val van Srebrenica en de vuurwerkramp in Enschede. Hij constateert een opvallend «sociaal geheugenverlies», zowel bij het grote publiek als bij de autoriteiten die achteraf rekenschap van hun aandeel moeten geven.

«In de discussie tot juli 1995 lag de nadruk volledig op de verantwoordelijkheid van de overheid voor eventuele Nederlandse doden, niet voor Bosnische doden. Dat zie je bijvoorbeeld aan de pregnante manier waarop in die tijd het woord ‹lijkenzak› werd gebruikt. Daar ging een permanente dreiging vanuit. Als je zorgvuldig de maatschappelijke stemming van die dagen reconstrueert, dan begrijp je pas onder welke druk bewindslieden als Ter Beek, Van Mierlo en Voorhoeve toen stonden. Indachtig het Vietnamsyndroom en de Golfoorlog, die toen nog maar net achter de rug was, moesten ze namens de publieke opinie het morele voortouw nemen maar zonder dat het Nederlandse slachtoffers mocht kosten.»

Tot juli 1995 ging de aandacht van de pers voornamelijk uit naar de benauwde positie van Dutchbat. Pas toen er in en om Srebrenica talloze lijkenzakken met Bosnische slachtoffers opdoken, sloeg de publieke opinie om. Opeens doken woorden als «Auschwitz» en «holocaust» op in het publieke discours. Besluiten uit het verleden werden beoordeeld met de ogen van het heden, inclusief de wetenschap dat Nederlandse soldaten hadden moeten toezien op de deportatie van vluchtelingen die een wisse dood tegemoet gingen. Dijkink: «Dat sociale geheugenverlies kom je steeds weer tegen in reconstructies van rampzalige gebeurtenissen, ook in de overheidsonderzoeken die achteraf worden ingesteld. Men hanteert maatstaven en morele uitgangspunten die pas na de gebeurtenis, en in het volle licht van die gebeurtenis, zijn geformuleerd. De RSV-enquête was een gunstige uitzondering omdat de Kamer, die het onderzoek verrichtte, ten slotte uitkwam bij zijn eigen verantwoordelijkheid voor het RSV-fiasco. We moeten beseffen dat het Nederlandse beleid voor de Balkan tot juli 1995 werd gemaakt zonder dat men enige voorstelling had dat zich daar een massamoord zou kunnen voltrekken.»

Volgens Dijkink is dit geheugenverlies typerend voor het postmoderne tijdperk, zodat we niet eens doorhebben dat we onszelf voor de gek houden als we de schuldvraag vernauwen tot generaal zus of minister zo: «Vroeger werd kennis vooral bepaald door de maatschappelijke positie die iemand innam en de manier waarop hij in het leven stond. Tegenwoordig zou je kunnen zeggen dat nieuwe informatie telkens nieuwe vormen van ‹zijn› oproept; mensen gaan daardoor op een andere manier in de wereld staan en vergeten hoe ze er vroeger over dachten, ook al is het nog maar een paar jaar geleden. Door wat we nu weten over het drama van Srebrenica staan we anders tegenover de inzet van blauwhelmen, maar we beseffen het niet eens.»