De stad als sociaal laboratorium

‘Sociaal’ wordt sexy

Verreweg de meeste wethouders in Nederland zijn mannen: tachtig procent maar liefst. Op het sociale beleidsterrein is die verhouding anders, daar zijn de vrouwen in de meerderheid. Dat kan komen doordat daar van oudsher minder geld en macht geconcentreerd is: sociaal was altijd soft, typisch zo’n vrouwendingetje.

Medium web 2520davids doka fotografie   ronde tafel gesprek 18 12 2003 5

Maar… de wereld is op lokaal niveau stevig in beweging: door drie gigantische decentralisaties (zorg, jeugd en werk) krijgt de gemeente veel meer taken. Bovendien is er een golf van burgerinitiatieven, niet alleen in energie en wonen, maar ook in zorg en welzijn. Als straks na de gemeenteraadsverkiezingen de onderhandelingen starten over de nieuwe colleges, zou de portefeuille sociaal daarom wel eens de meest begeerlijke kunnen zijn. Grondzaken is zo 2008!
Reden genoeg om het aan vijf prominente vrouwelijke wethouders sociaal te vragen. Hoe verandert die wereld lokaal? Spannen zij hun zusters voor het karretje door de verzorgingsstaat uit te hollen? Zetten ze de gemeenteraad buitenspel door de zaken rond de decentralisaties te regelen in regionale achterkamertjes?

Margriet de Jager is voor de lokale partij Deventer Belang wethouder. In juli 2013 viel heel Nederland over haar heen toen ze in Nieuwsuur zei dat werklozen en vrijwilligers best ook thuiszorg konden leveren, inclusief de persoonlijke verzorging. Na een motie van afkeuring van haar raad bood ze haar excuses aan. De kruitdampen zijn inmiddels neergedaald en De Jager ziet nog steeds een brede maatschappelijke beweging: ‘We doen als burgers steeds meer zelf, we willen zelf beschikken over ons leven. Dat zie je in de wereld van de energie, maar ook in de zorg. Dat kun je als overheid niet opleggen, maar je moet het wel goed volgen en je ook inspannen om het mogelijk te maken.’
Corrie Noom, in Zaanstad wethouder voor de PvdA, ziet die beweging ook. ‘Dat heeft voor een groot deel te maken met trends in de economie. De komende jaren zal er steeds minder werkgelegenheid zijn in grote bedrijven en steeds meer in kleinere. Ook het aantal ZZP’ers zal groeien. Meer zelfstandigheid en kleinschaligheid maakt dat mensen anders omgaan met de verhouding tussen werk en de rest van de wereld.’
Hetty Welschen, in het Amsterdamse stadsdeel West wethouder voor GroenLinks ziet dat in de praktijk al gebeuren: ‘West is het stadsdeel met een hoog percentage ZZP’ers. Die mensen bemoeien zich met van alles in het publieke domein, ook de sociale verhoudingen. Je kunt niet zeggen dat de samenleving moet veranderen, want die is gewoon volop in verandering, autonoom. Wat wel moet, is dat bestuur, politiek en professionals mee veranderen, en dat gebeurt nog veel te weinig. Een voorbeeld? Ik was vanmiddag op werkbezoek in een verzorgingshuis. Die verkeren in zwaar weer door de veranderingen in de AWBZ. Ik sprak daar een vrijwilligster van 84, die drie keer in de week veertien kilometer fietst om koffie te helpen schenken. Geweldig natuurlijk, maar waarom is er dichter in de buurt geen vrijwilligster te vinden? Dat komt doordat er van oudsher een enorme kloof ligt tussen de verzorgingshuizen en de wijken waar ze staan. Dat hebben we te lang voor lief genomen en dat kan niet langer.’

Zusters voor het karretje

Dat die 84-jarige vrijwilligster een vrouw is, is niet voor niets. Als mannen zich vrijwillig inzetten, doen ze dat vooral in sport of kerk, vrouwen doen dat vaker in onderwijs en zorg. Nu de verzorgingsstaat haar faillissement nadert en de overheid een beroep doet op burgers om elkaar te verzorgen, brengt dat een risico met zich mee: een nog groter appel op vrouwen. Hoogleraar Actief burgerschap Evelien Tonkens waarschuwde daar eerder indringend voor: ‘Een beroep op burgerkracht is een beroep op vrouwen.’ Dat kan een pikante kwestie zijn voor de vrouwen die als wethouder aan de knoppen zitten bij de transformatie van verzorgingsstaat naar verzorgings¬stad. Spannen zij hun zusters voor het overheidskarretje?
Roos van Gelderen is voor de SP wethouder in Leiden. Volgens het VPRO-programma Slag om Nederland was ze in 2012 een van de drie beste bestuurders van ons land. Onlangs benoemde de Leidse SP haar tot lijsttrekker. Over haar zusters voor het karretje is ze laconiek: ‘Dat zijn we wel gewend. Ook nu leveren we al het meeste vrijwilligerswerk en de meeste mantelzorg. Dat verander je niet zo snel. Ik maak me er eigenlijk alleen zorgen om als het gaat om vrouwen van allochtone afkomst. Die zijn nóg zwaarder belast en tegelijkertijd nu eindelijk wel eens toe aan een soort westerse, geëmancipeerde levensstijl. Uitgerekend op dat moment komen wij met een beroep op mensen om zelf meer zorg te verlenen. Als overheid kun je daar gelukkig ook nog iets anders mee: bij uitstek deze vrouwen kun je vanuit de informele zorg het perspectief proberen te bieden op een betaalde baan in de zorg.’
De vijfde wethouder, de Bredase D66’ster Saskia Boelema, is met haar 33 jaar verreweg de jongste. ‘Mijn generatie wordt inderdaad gesandwicht tussen zorg voor kinderen, voor ouders en de noodzaak maatschappelijk te presteren. Dat zal het ons niet makkelijk maken iets te betekenen voor dit overheidsideaal van zorgzaamheid. Dat geldt trouwens ook voor de generatie van mijn ouders die voor hun hoogbejaarde vaders en moeders moeten zorgen en tegelijk ingeschakeld worden voor de opvang van kleinkinderen. Kortom: dit is wel een weerbarstig probleem, maar je moet precies kijken waar zich eventueel problemen voordoen. Mijn generatie is bijvoorbeeld wel geëmancipeerd genoeg om hierover met elkaar praktische afspraken te maken zonder die emancipatie teniet te doen.’

Andere bestuursstijl

En dat geldt eigenlijk voor al die geëmancipeerde burgers die – in energie, in zorg, in de publieke voorzieningen – steeds vaker het heft in eigen hand nemen. Die laten zich niet voor het overheids¬karretje spannen, die dóen gewoon en vinden allerhande praktische oplossingen waaraan de overheid in haar regeldrift niet had gedacht, zo stellen ook de andere wethouders. Dat vergt wel een andere bestuursstijl. Hoe ziet die eruit?
‘Je kunt de maatschappij niets opleggen, je kunt hooguit goed volgen’, probeert Margriet de Jager.
‘Loslaten dus’, poneert Corrie Noom.
‘Nee’, corrigeert Hetty Welschen, ‘je moet ruimte bieden en dichtbij blijven. Als je het “loslaten” noemt, doe je net alsof je het eerst in de hand had en dat is niet zo. Bovendien is het van groot belang dat je met die burgerinitiatieven wel een relatie houdt.’
Het zijn nuances, de wethouders zijn het in de kern gloeiend eens. Zoals ze het ook eens zijn over het feit dat de gemeenteraad het moeilijk heeft in dit nieuwe spel van loslaten en ruimte bieden. Welschen: ‘Je ziet burgers emanciperen en bestuurders daar redelijk in mee gaan. De lokale politiek heeft veel meer moeite om die ontwikkeling bij te benen. Het tempo van de gemeente¬raden ligt op dit vlak veel te laag. In Amsterdam komt het regelmatig voor dat B&W en de dagelijkse besturen in de stadsdelen al uitwerkingsplannen laten opstellen voordat de politiek een besluit genomen heeft.’
Dat argument kan echter ook terugslaan op het type voortvarende wethouder dat met collega’s van andere gemeenten in de regio zaken doet en vervolgens de raad voor voldongen feiten stelt. Medio 2013 sprak de Algemene Rekenkamer van een ‘gebrek aan democratische controle op de decentralisaties werk, jeugd en maatschappelijke ondersteuning’. Hij vreesde zelfs voor een nieuwe bestuurslaag op regionaal niveau en de onvermijdelijke ‘bestuurlijke drukte’ die daarbij hoort. Gemeenteraden zouden in die beweging op afstand komen te staan. De rekenkamers van die raden wijzen al langer op dat gevaar.
Roos van Gelderen kan zich die vrees wel voorstellen. ‘Gemeenteraden voelen zich in toenemende mate buitenspel staan, omdat ze geen greep hebben op de regionale samenwerking die noodzakelijk is om de drie decentralisaties tot een goed eind te brengen. De belangrijkste remedie daarvoor is, de raden zo goed mogelijk bij dat complexe regionale proces te betrekken.’
Saskia Boelema (toevallig in 2012 genomineerd voor de titel ‘Beste bestuurder van het jaar’, waar ze op de vierde plaats eindigde, achter drie burgemeesters): ‘De wethouder van een kleine gemeente in de buurt van Breda besefte zo scherp dat hij niet in staat zou zijn de wetgeving rond jeugd correct uit te voeren, dat hij me vroeg wat ons bankrekeningnummer was. Hij was heel blij dat wij als grote stad in de regio het voortouw namen. Vervolgens ben ik natuurlijk best bereid om in zijn gemeenteraad te komen uitleggen waarover we welke zaken hebben gedaan.’
Zo blijken er wel meer innovaties plaats te vinden in de lokale besluitvorming: gezamenlijke vergaderingen van twee of meer gemeenteraden, regioconferenties, themasessies, enzovoort. Probleem blijft dat niet elk gemeenteraadslid daar gemakkelijk in meegaat. ‘Veel raadsleden –vooral aan de rechterzijde van het politieke spectrum – houden nog vast aan de klassieke manier van besluitvorming. Die zie je ook weinig bij bijeenkomsten waar de agenda door de bewoners wordt bepaald,’ aldus Hetty Welschen.
Margriet de Jager en Corrie Noom zijn daar streng over: ‘Op die manier laten raadsleden zich buitenspel zetten. Je moet er als volksvertegenwoordiger zelf wat van maken, je uiterste best doen en er veel tijd in steken.’

Schaalvergroting

Maar de beperkte schaal is een probleem. Kleine gemeenten hebben de capaciteit niet om de drie decentralisaties zelfstandig uit te uitvoeren; regionale samenwerking lijkt de oplossing, maar die kan door de gemeenteraad moeilijk worden gecontroleerd. Niet elke kleine gemeente is blij met een grote centrumgemeente die haar het werk uit handen neemt, er zijn er ook die zich gepasseerd en gekleineerd voelen. Het kabinet sprak in het regeerakkoord een oplossing af: alle gemeenten moesten binnen afzienbare termijn meer dan honderdduizend inwoners tellen. Fel verzet was de reactie: net zo min als geëmancipeerde burgers lieten gemeenten zich de wet voorschrijven. Intussen lijkt er in de praktijk toch een schaalvergroting plaats te vinden, maar dan op een organische manier, van onderop.
Corrie Noom: ‘De drie decentralisaties maken duidelijk dat we ons democratisch bestel anders moeten organiseren. De opgaven die op ons af komen, zijn groot. De drie decentralisaties dwingen als het ware tot samenwerking en op een grotere schaal opereren. Dat zijn complexe processen die tijd en wijsheid nodig hebben. Forceren via gedwongen fusies is contraproductief en kost uiteindelijk meer tijd.’ Het door de rekenkamers gesignaleerde democratische gat wil ze vooralsnog dichten door de gemeenteraden zo veel mogelijk bij de besluitvorming te betrekken maar op termijn is ze ook niet voor fusies tussen gemeenten.
Dat lijkt een paradox: de ratio achter de decentralisaties was, dat gemeenten beter in staat zouden zijn maatwerk te leveren dichtbij de burger en het effect is nu dat de gemeente zich van de burger weg beweegt door op te schalen. Saskia Boelema ziet het probleem niet zo: ‘Als je het werk maar kleinschalig organiseert.’ Ook het verzet van gemeenteraden tegen regionale besluitvorming relativeert ze. ‘Als je de gemeenteraden goed op de hoogte houdt en het bestuurlijk goed regelt, ontstaat er geen gedoe.’
Roos van Gelderen onderstreept dat: ‘De ergernis bij raadsleden over achterkamertjesgedoe bij regionale samenwerking is ingegeven doordat kosten soms uit de hand liepen en directeuren niet goed functioneerden. Die ergernis wordt nu geprojecteerd op de drie decentralisaties.’
Dat democratische gat is volgens de wethouders dus wel te dichten, maar de raden krijgen wel een andere rol. ‘Meer kaderstellend’, aldus Margriet de Jager. ‘Meer op grote lijnen’, aldus Saskia Boelema, die beseft dat de controlerende taak van de lokale volksvertegenwoordigers daarmee wel onder druk staat. Dat betekent dat de raadsleden de bestuurders en de uitvoerende professionals meer vertrouwen moeten schenken, ook als zich incidenten voordoen. ‘Juist bij incidenten moet je bij elkaar blijven. Hoe goed een systeem ook is, er bestaat altijd het risico dat er iets mis gaat. Als dat gebeurt, moet de wethouder zijn poot stijf houden en weerstand bieden aan de verslaving om ogenblikkelijk de regels aan te passen.’
Roos van Gelderen: ‘Klopt, zolang je verwijtbare fouten in het systeem wel erkent en bestraft.’

Politieke verschillen

Wie de vijf vrouwelijke wethouders zo’n twee uur met elkaar in de weer ziet, begint zich op een bepaald moment af te vragen wat hen nu onderscheidt. Ze zijn het vooral met elkaar eens, ze zouden met elkaar een eensgezind en slagvaardig college kunnen vormen. Wat zijn nog eigenlijk de partijpolitieke verschillen? Of gaat het in de nieuwe bestuurlijke werkelijkheid niet zozeer om de traditionele tegenstellingen tussen links en rechts, maar om andere zaken? Stijl? Persoonlijkheid? Betrokkenheid?
Iedereen is het er over eens dat lokale politiek inmiddels van een totaal andere orde is dan de landelijke politiek: SP’ster Roos van Gelderen trekt in het college eendrachtig op met haar collega’s van andere partijen, Deventer Belang-wethouder Margriet de Jager gaat niet anders de wijken in dan haar collegepartners en ook D66-wethouder Saskia Boelema ziet het college toch in de eerste plaats als een hardwerkend team.
Politieke verschillen blijken volgens de wethouders scherper in de gemeenteraad. Wat doe je met werkzoekenden die zich niet goed kleden of onverzorgd op sollicitatie gesprek gaan? Kort je die op hun uitkering omdat ze hun kansen op de arbeidsmarkt vergooien? Of ga je ze helpen zich effectiever te presenteren? Daar kun je een stevig debat over hebben. SP’er Roos van Gelderen zou bij dat soort discussies graag de wetenschap te hulp halen. ‘Het gaat al snel of iemand uit de gemeenteraad iets goed of fout vindt, terwijl het natuurlijk moet gaan of een bepaald soort interventie het gewenste effect heeft en daar wel degelijk kennis over bestaat.’
Het is een mooi voorbeeld van een zekere depolitisering van de lokale politiek. Minder principes, meer concrete casuïstiek. Minder discussie over beleid, meer over bejegening. De kaarten worden straks na de gemeenteraadsverkiezingen geschud als er even stevig onderhandeld wordt over de budgetten. Dan echoën klassieke partijpolitieke verschillen nog wel door: geven we meer aan zielige mensen (links) of aan economische bedrijvigheid (rechts). Maar de grote geldstromen liggen toch min of meer vast; er valt hooguit wat met budgetten te schuiven. En als de grote politieke zaken gedaan zijn, dan begint het dagelijkse werk. Dan wint de bestuurder het al snel van de politicus.

Toch werken we aan een politiek-maatschappelijk landschap, zegt PvdA-ster Corrie Noom, dat er over vijf jaar totaal anders uitziet. ‘De oriëntaties veranderen, zeker op het terrein van zorg en welzijn. Lange tijd waren gemeenten gespitst op grote klappen: grote organisaties, grote bedrijven binnen halen die werkgelegenheid moesten brengen. Dat verandert, het gaat veel meer om kleine bedrijfjes, ZZP’ers, netwerken van ZZP’ers, sociale ondernemers. Dat gaat een hele nieuwe dynamiek opleveren, andere verhoudingen tussen formeel en informeel. Daar moet je als politiek bestuur lokaal ook ruimte voor bieden, maar je kunt van tevoren de weg niet uittekenen. Dat kan je niet sturen, maar wel stimuleren, aanmoedigen, groter maken.’
Dat is ook de stijl die Hetty Welschen voor ogen heeft. Niet alleen als het gaat om bedrijvigheid en omgang met instituties, maar ook op het niveau van mensen die afhankelijk zijn van de overheid. ‘Amsterdam is onlangs weer eens begonnen om mensen met een bijstandsuitkering uit te nodigen. Dit keer niet voor een verantwoordingsgesprek maar in de vorm van wat ze een “kansencafé” hebben genoemd. Uitkeringsgerechtigden doen dan mee aan een aantal groepsbijeenkomsten waarin ze samen zoeken naar wat ze wél kunnen. Op die manier zou er ruimte moeten komen voor de eigen kracht van mensen. Om te kijken of die aanpak werkt, ben ik daar laatst eens bij gaan zitten. Dat was echt heel boeiend. Die gesprekken gaan over wat mensen kunnen, waar ze van dromen, wat ze willen ondernemen. En dan zie je zo iemand zitten, eerst wantrouwig, halsstarrig: wat moet ik hier, moet ik hier een potje gaan zitten dromen? Maar een paar uur later is het ijs gebroken en zie je dat er een vlammetje gaan branden. Dat is in het klein wat een overheid moet doen. Ik denk dan wel eens: hoe is het mogelijk dat we dat niet al veel langer doen.’
Zou dit dan een vorm van feminiseren van de macht zijn: meer uitnodigend, meer aandacht voor de bejegening, meer interesse voor mensen? Als we die hypothese aan het einde van ons gesprek voorleggen, krijgen we de handen niet op elkaar. Het is duidelijk: vrouwen op het bestuurlijke pluche willen gewoon op hun kwaliteiten worden aangesproken, niet op hun geslacht, zelfs als dat in hun stijl en redeneren wel een rol speelt.
Sterker: Corrie Noom vreest zelfs dat vrouwen de komende periode weer terrein gaan verliezen. ‘Nu zijn de wethouders sociaal van de meeste grote steden nog vrouwen, maar ik voorspel dat dat over een jaar andersom is. De portefeuille sociaal zal omkleed zijn met meer geld, aanzien en gezag en dat trekt nu eenmaal mannen aan.’
Van dat vooruitzicht wordt niemand vrolijk. Op een volgende generatie mannetjesputters zit de nieuwe verzorgingsstad niet te wachten. Maar ja.. wat doe je er aan?
Onze tijd zit erop. De wethouders pakken hun spullen in, ze hebben nog meer te doen. Saskia Boelema trekt haar kobaltblauwe jas aan en ineens roept Margriet de Jager: ‘Nou weet ik weer waar ik je gezien heb.‘ Ze schieten in de lach. Nog een keer kijken ze hun mannelijke gespreksleiders aan: ‘Jullie wilden toch weten wat typisch vrouwelijk is. De kleur van een jas onthouden, dat is typisch vrouwelijk.’ Grinnikend gaan ze op weg naar een volgende vergadering.


Nico de Boer en Jos van der Lans publiceerden deze week het boek Decentraal. De stad als sociaal laboratorium (AtlasContact, 17,99).

Beeld: David Verwer