Sociaalisme

In Zweden zitten de sociaal-democraten weer in de regering. In Duitsland gebeurt dat heel misschien, dank zij ‘Rotkohl’ Scharping, na zondag ook weer. En in Engeland straalt het morgenrood uit de mooie ogen van Tony Blair. Maar wat stelt het socialisme nog voor

ZE LIJKEN GEEN VAN ALLEN van de warme bakker te komen, de nieuwe sociaal- democratische helden. Als Ingvar Carlsson - de leider van de Zweedse sociaal-democaten, in de verkiezingen van 18 september weer tot het premierschap teruggeroepen - de uitstraling heeft van een sneetje knackebrod, geeft Wim Kok de smaak af van een te lang belegen Hollands beschuitje. De Duitse SPD-leider Rudolf Scharping heeft nog het meest van een droog sneetje donkerbruin Duits brood. Tony Blair, de nieuwe Labour-leider met de stralende Bambi-ogen, is dan tenminste nog een frisse Engelse tea-cracker, die althans enige weerstand biedt aan de tanden en lekker knapperig proeft in de mond.
De nog altijd Oostduitse schrijfster Christa Wolf heeft de leuze mogen leveren waarmee men nu de sociaal-democratie ten grave wil dragen. De titel van haar enigszins nostalgische boek Was bleibt werd in de Engelse vertaling en van een vraagteken voorzien, het dubbelzinnige What’s Left?: wat is er nog over van links en wat stelt het nu nog voor? Overal in Europa werden daar studieconferenties en colloquia aan gewijd en nu heeft de kreet het zelfs tot de omslag van Newsweek gebracht. Volgens het Amerikaanse weekblad is het socialisme in West-Europa bijna aan z'n eind.
Dat is volgens Newsweek niet alleen het gevolg van het falen van het communisme: ‘Lang voor de ineenstorting van de communistische economieen van Oost-Europa hadden de meeste linksen in de westelijke helft van dat werelddeel al de contradicties van de centrale planning ontdekt. Een “door de staat geleide” economie betekende dat bureaucraten God speelden op het marktplein, en dat deden ze niet zo goed. De enorme sommen geld die de Europese welvaartsstaten opslokten vormden een rem op de economie, zoals veel Duitsers nu wel willen toegeven, en hadden bovendien op z'n best niet meer dan een wisselvallige uitwerking op de sociale bestaansvoorwaarden. De torenflats in veel Europese steden bleken niet zozeer de door Le Corbusier beloofde hemel maar een hel van beton. De val van het communisme betekende alleen maar de afsluiting van dit proces van desillusies. Nu kon niemand meer geloven dat de regering het enige werktuig was om gelijkheid en economische rechtvaardigheid te bereiken.’ Newsweek citeert de nieuwgekozen leider van de Engelse Labour Party, Tony Blair: 'Het socialisme van Marx, het idee dat je alles moet concentreren in de staat is dood. Het is niet versleten. Het is dood.’
HET BETOOG VAN Newsweek doet op z'n minst wrang aan in de Verenigde Staten, waar de president tevergeefs heeft geprobeerd voor iedereen een redelijke gezondheidszorg te garanderen en alleen maar met internationaal wapengekletter zijn snel verdwenen populariteit schijnt te kunnen opvijzelen, het land ook waar de inkomensverdeling onder de twee Republikeinse presidenten Reagan en Bush op een ontstellende manier ongelijker is geworden, ten koste van de armsten en ten voordele van de allerrijksten. Het blad weet dat zelf ook wel en geeft verderop in het stuk ('met moeite’) toe dat er in geen enkel Westeuropees land zoiets als een 'onderklasse’ bestaat waarvan men de uitwassen in elke grote Amerikaanse stad kan waarnemen. Maar toch, schrijft Newsweek, 'Europa heeft nu iets dat veel meer op een onderklasse lijkt dan tien jaar geleden’. Dat komt, zou ik denken, toch eerder door te weinig dan door te veel socialisme.
Newsweek is echter zo vriendelijk ook de oplossing voor dit alles te bieden, in de vorm van het zogenaamde communitarisme, van ene Amitai Etzioni, socioloog aan de Universiteit van Washington. Het is een soort van tussenweg tussen radicaal individualisme en staatsinmenging. Blair in Engeland en in Frankrijk Jacques Delors zouden er al voor gewonnen zijn en het lijkt, zoals Rob Vreeken in De Volkskrant constateerde, op wat ze bij het CDA ooit de zorgzame samenleving noemden. Natuurlijk is het prachtig om niet alleen de nadruk te leggen op eenzame individuen, maar ook aandacht te besteden aan intermediaire sociale groeperingen, zoals gezin, buurt, school, kerk en allerlei soorten vrijwillige associaties. Maar dat kan jammer genoeg nooit een oplossing betekenen voor de grote problemen van armoede, ontscholing en het ontbreken van medische zorg waar de Verenigde Staten voor staan, laat staan dat het een antwoord is op de dilemma’s van links in Europa.
De Italiaanse politicoloog Norberto Bobbio heeft zich ook over de vraag What’s left? gebogen, een beschouwing die afgedrukt werd in het ex-communistische tijdschrift Politiek & Cultuur. Bobbio vraagt zich af of links niet naar haar aard tot mislukken is gedoemd. De wereld ontwikkelt zich te snel en in een tegenovergestelde richting dan die waaraan links z'n bestaansreden heeft ontleend. Met nationalisme en religie weet links gen raad en op de plotselinge opkomst van massale migratie was links in de economisch ontwikkelde landen al evenmin voorbereid. Het marxisme is misschien niet volkomen verdwenen, maar op z'n minst naar de marge geduwd. Niet alleen door de roemloze ondergang van de commando- economieen die de marktwerking uitschakelden, onder het motto dat de produktiemiddelen moesten worden gecollectiviseerd, maar ook doordat het historische subject van de socialistische partijen, de arbeidersklasse, aan het verdwijnen is en opgaat in een soort van middenstand. Toch ziet Norberto Bobbio een mogelijke nieuwe emancipatiebeweging aan de einder rijzen, die van de armen, waar ook ter wereld zij mogen wonen. Maar hij twijfelt er zelf aan of de krottenbewoners uit Rio en de daklozen uit Bombay ooit gezamenlijk een vuist zullen kunnen maken. En daarom vraagt hij zich af of links wel is opgewassen tegen de opgave die de internationale sociale kwestie stelt.
Als de utopie een wezenskenmerk van links is, zegt Bobbio, dan is het linkse project bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Want de utopische verwachting is nu eenmaal niet te verenigen met de noodzaak van politieke organisatie en machtsuitoefening. 'Als links aan zijn utopische opdracht vasthoudt, dan vernietigt zij zichzelf op het moment van verwezenlijking. Bedient men zich van macht, dan wordt de vrijheid, die toch het grote doel vormt van de utopie, verraden. Stelt men zich tevreden met het bereiken van overeenstemming, met de vorming van compromissen, dan is men gedwongen de eigen voorstellingen van een radicale maatschappijverandering zo af te zwakken dat ze niet herkenbaar meer zijn. In onze democratische samenleving gedragen de socialistische partijen zich, vooral als ze aan de macht komen, als partijen van het midden. Fracties van communistische of socialistische partijen die iedere concessie aan de macht afwijzen, slinken tot louter protestgroepen, waarmee ze in een democratisch systeem dat naar haar aard ieder extremisme mijdt, tot politieke onbeduidendheid veroordeeld zijn.’
DE REDENERING KLINKT ontmoedigend bekend. Al meer dan een eeuw wordt de tegenstelling tussen parlementarisme en revolutie in die termen beschreven. Wachten op een wereldwijde opstand van armoedzaaiers lijkt nauwelijks reeler dan hopen op een nieuwe gemeenschapszin in vrijwillige communitaristische groepjes. Intussen staan Europese sociaal-democraten voor reele dilemma’s en voor de opdracht met een aansprekend sociaal en economisch programma reele verkiezingen te winnen.
Dit weekend vinden er in Duitsland verkiezingen plaats die ongemeen spannend kunnen zijn, maar niet doordat SPD-leider Rudolf Scharping zich scherp afzet tegen Helmuth Kohl, die nu al twaalf jaar bondskanselier is. Het spannendste aan Scharping is zijn vergeefse gevecht tegen zijn imago van redelijke en nuchtere saaiheid. Het enige opvallende aan hem dat Der Spiegel heeft kunnen opduiken is zijn vriendschap met de volksdichter en zanger Constantin Wecker. Het is moeilijk te ontdekken waarin hij zich van de CDU onderscheidt - vandaar zijn hardnekkige bijnaam >f13f11<- behalve door het veelvuldig gebruik van de vage term 'sociale rechtvaardigheid’. Oorspronkelijk leek hij het met succes tegen Kohl te kunnen opnemen, maar in de opiniepeilingen loopt de SPD nu achter bij de CDU (volgens een laatste peiling 37 tegen 42 procent).
De opleving van de conjunctuur helpt Kohl; want hoewel een groot deel van de kiezers vooral veiligheid zoekt, moet ook voor hen onduidelijk zijn waarin Scharpings alternatief nu eigenlijk bestaat. Dat het toch spannend is wat zondag de uitslag wordt, komt door de kans dat Kohls coalitiepartner, de liberale FDP, onder de kiesdrempel van vijf procent zou kunnen zakken, waardoor de SDP, ook als ze kleiner blijft dan de CDU, samen met de Grunen toch het grootste regeringsblok vormt. Het is zelfs niet uitgesloten dat de PDS in de Bondsdag verschijnt, wanneer drie kanidaten van de ex-communisten het op eigen kracht halen.
Dan zou, gnuift partijleider Gregor Gysi bij voorbaat, de PDS misschien zelfs op de wip komen te zitten en nodig zijn om een regering mogelijk te maken. Scharping blijft echter volhouden dat hij geen kanselier wil worden als daarvoor ook maar een stem van de PDS nodig is. Dan zou dus alleen een grote coalitie tussen CDU en SPD als mogelijkheid overblijven, ook geen al te florissant vooruitzicht. Scharping geeft de voorkeur aan een coalitie met de liberalen, waarmee hij ook de deelstaat Rijnland-Palts regeert, dat tot 1990 altijd een geheid CDU-bolwerk was geweest. Maar landelijk lijkt dat paarse trucje niet te kunnen opgaan, aangezien de FDP zich aan de CDU heeft verbonden en zich daardoor al helemaal van het verkiezingsspel lijkt te hebben uitgesloten.
Scharping zou best eens een goede bondskanselier kunnen zijn, zoals zoveel sociaal-democraten zich goede bestuurders tonen; maar een ideale kandidaat-kanselier is hij in de huidige omstandigheden zeker niet. Hij is een man van compromissen, een goede organisator, die er bijvoorbeeld voor wist te zorgen dat de SPD meeging met de door Kohl voorgestelde verscherping van de asielwetgeving. Zelfs op dat punt wist hij de SPD geen eigen gezicht te geven. Nu moet iedere sociaal-democratische partij het uiteindelijk van de stemmen in het centrum hebben, maar als de kiezers geen enkel uitzicht op iets nieuws krijgen, kunnen ze alles net zo goed bij het oude laten.
OOK IN ENGELAND trad vorige week een nieuwe sociaal-democratische leider aan, Tony Blair. Hij werd door de media binnengehaald als een man met een nieuw en fris ge luid, die met veel jeugdig elan de kloof tussen rechts en links zal weten te overbruggen. Labour had in 1992 tot ieders verrassing de verkiezingen verloren, ondanks massale ontevredenheid. Ook hier stemmen de kiezers waarschijnlijk toch in de eerste plaats op zeker.
Onder John Major strompelt de conservatieve regering echter van het ene schandaal naar het andere. De Labour-partij zou nu de verkiezizngen volgens de opiniepolls gemakkelijk winnen, maar als de regering zich niet eerder gedwongen voelt vervroegde verkiezingen uit te schrijven kan het nog wel tot 1996 duren voor de proef op de som wordt genomen.
Op het Labour-congres vorige week in Blackpool werd Blair luid en ovationeel toegejuicht na een speech waarin hij, zoals de Guardian schrijft, zelfs het ’s-woord’ in de mond durfde te nemen. Labour hoeft zich helemaal niet voor het woord socialisme te verontschuldigen, zei hij. Maar Blair spreekt socialisme op zijn eigen manier uit: als social-ism, en hij zei ook wat hij daar onder verstaat: samen aan het werk, solidariteit, cooperatie, partnerschap. 'Niet het socialsme van Marx of staatsgezag. Maar een socialisme dat geworteld is in een duidelijke kijk op de maatschappij, in begrijpen dat het individu het beste gedijt in een sterke en fatsoenlijke gemeenschap van mensen met principes en normen en gemeenschappelijke doelstellingen en waarden.’
Toen nam hij een aanloop voor een scherpe slotpassage: 'De mensen van dit land vragen ons niet om een revolutie. Ze willen dat we een begin maken. Het wordt tijd voor een heldere, geactualiseerde formulering van de doelstellingen en doeleinden van onze partij. John Prescott en ik, als leider en adjunct-leider, zullen het bestuur van de partij daarover een formulering voorstellen. Laat dat in de komende maanden open staan voor debat.’
Het duurde even tot de angel in deze woorden tot iedereen op het congres doordrong. Blair wil tornen aan de geheiligde Clause Four, het artikel in de statuten van de partij dat in 1918 door Sidney en Beatrice Webb werd geformuleerd en dat wordt beschouwd als de canonisatie van het streven naar nationalisatie van industrie en handel. Dat wordt geformuleerd als: 'De hand- en hoofdarbeiders te verzekeren van de volledige vruchten van hun bedrijvigheid en de meest rechtvaardig mogelijke verdeling daarvan op basis van het gemeenschappelijk eigendom van de produktiemiddelen, de distributie en het ruilverkeer, en het best bereikbare stelsel van volksbestuur en - beheer van elke tak van industrie en dienstverlening.’
De linkervleugel op het congres vond het niet meer voldoende dat Blair John Prescott, die wordt gezien als een vertegenwoordiger van traditioneel links, bij de herformulering zal betrekken. Een motie die toch al op de agenda stond om Clause Four in zijn oorspronkelijke vorm te handhaven, werd tegen de zin van Blair niet ingetrokken maar in stemming gebracht. Na een aantal hertellingen bleek hij met 50,9 tegen 49,1 procent aangenomen. Een klap in het gezicht van Blair? Nauwelijks. Een aantal afgevaardigden kon niet anders dan, op grond van hun mandaat, voor de motie stemmen. Het lijkt erop dat Blair met een afschaffing van het nationalisatie-artikel op een volgend congres geen moeite zal hebben.
En toch zou het jammer zijn als hem dat al te gemakkelijk zou lukken, zonder het uitgebreide debat waar hij zelf om heeft gevraagd. Het gaat nu immers eens niet om persoonlijke charme, oude schandalen of ondergeschikte problemen. Het gaat precies om de vraag waar en hoe het socialisme zich nog van andere politieke stromingen onderscheidt. In Duitsland is een dergelijk debat blijkbaar in het geheel niet aan de orde. In Nederland bevindt de PvdA zich in de ongelukkige positie dat ze ofwel het oude beleid van het kabinet- Lubbers moet voortzetten of samen met de VVD een beleid voeren dat waarschijnlijk nog verder van enige vorm van gemeenschappelijkheid afstaat. Privatisering en denationalisering van monopoliebedrijven als spoorwegen en posterijen vormen hier derhalve niet eens onderwerp van enige discussie.
In Engeland bestaat die mogelijkheid wel. De lange jaren van Thatcher en Major hebben het land dicht bij de situatie gebracht waarin de Verenigde Staten verkeren. In geen enkel land in Europa zijn de nadelen van de werking van de vrije markt daarom zo goed te analyseren. Geen enkele Europese sociaal-democratische partij is sinds vijftig jaar nog voorstander van volstrekte nationalisatie van alle produktiemiddelen. Ze hebben zich sinds de Tweede Wereldoorlog allemaal bekeerd tot een gemengde economie. Dat heeft de landen van West-Europa geen kwaad gedaan. Het is dan ook niet alleen maar jeugdsentiment van verstokte traditionele marxisten om je af te vragen welke sectoren van de economie beter in handen van de gemeenschap kunnen zijn en welke door de vrije markt beter worden bediend, en onder welke voorwaarden. Daarom zou het jammer zijn als Blairs charmante Bambi-ogen elk debat daarover bij voorbaat zouden smoren. Er valt immers over het collectieve eigendom van de produktiemiddelen nog wel een crackertje te kraken.