Europa en de VS: Robert Putnam, Marc Hooghe en Hugh Pope

Sociale bruggenbouw

Amerikanen vertrouwen elkaar minder, ze organiseren minder picknicks en ze bowlen niet langer in clubverband, maar in hun eentje. Oude sociale verbanden sneuvelen en dus hebben we nieuwe nodig, zegt de Amerikaanse socioloog Robert Putnam. Een ‘nieuw wij’, een sociaal weefsel dat migranten insluit. Ook in Europa.

Op zondagochtend 9 oktober werd socioloog Robert David Putnam, op bezoek in Manchester, uit bed gebeld door een Britse collega. Het was weer eens zover: de zondageditie van de Financial Times bevatte een artikel van het soort dat Putnam en zijn medeonderzoekers aan de John F. Kennedy School of Government liever niet zien. Onder de kop ‘Harvard-onderzoek schetst somber beeld van etnische diversiteit’ vatte de krant een lezing van Putnam over zijn onderzoek naar de sociale effecten van migratie samen. De uitkomst was volgens de krant zeer negatief: ‘Het onderzoek toont aan dat naarmate een gemeenschap meer etnische diversiteit vertoont de leden minder vertrouwen hebben in anderen, van hun naaste buren tot en met de burgemeester.’ Binnen de Verenigde Staten had Putnam het laagste sociale vertrouwen gevonden in Los Angeles, de ‘meest heterogene menselijke nederzetting in de geschiedenis’, maar de regel ging ook op voor het platteland van Dakota waar diversiteit betekent ‘dat je Zweden uitnodigt op een Noorse picknick’. ‘De gevolgen van migratie zijn ernstiger dan werd gedacht’, zou de socioloog hebben gezegd: ‘We trekken als schildpadden onze koppen in. Niet alleen vatten we wantrouwen op tegen mensen die er anders uitzien, we vertrouwen ook niet meer op de mensen die er wel uitzien zoals wij.’ Al met al, zou hij de krant hebben toevertrouwd, waren de uitkomsten zo explosief dat hij die ‘liever eerst wilde omkleden met positieve voorstellen omdat het onverantwoord zou zijn ze zonder meer te publiceren’.

Dat laatste was voor Putnam reden om in de telefoon te klimmen. Binnen enkele uren stond er een andere weergave van zijn lezing op de FT-site, inclusief een interview waarin betrokkene een paar dingen rechtzette.

Sinds hij in 1995 met collega Lewis Feldstein de bestseller Bowling Alone: America’s Declining Social Capital publiceerde, moet Putnam voortdurend over zijn wetenschappelijke reputatie waken. Het boek bevatte de eerste oogst van de miljoenen dollars verslindende databank voor sociaal onderzoek die Putnam aan Harvard heeft opgebouwd. De stelling luidde dat het ‘sociale kapitaal’ van de Amerikaanse samenleving sinds 1960 fors is geslonken. Amerikanen vertrouwen elkaar minder, gaan minder sociale verbanden en informele verplichtingen aan, zijn minder vaak (actief) lid van een vakbond of club, doneren minder bloed, kaarten minder met elkaar en organiseren minder picknicks, familiebijeenkomsten en discussieavonden. En ze bowlen dus niet langer in clubverband, maar in hun eentje. Het boek trok wereldwijde aandacht, Putnam werd door president Clinton uitgenodigd voor een weekendje Camp David en maakte zijn opwachting bij Tony Blair en de Britse koningin. Links en rechts deden er politiek hun voordeel mee door het verschijnsel aan het kapitalisme respectievelijk het normverval van de jaren zestig te wijten.

Het besluit om de invloed van migratie afzonderlijk te onderzoeken lag voor de hand, omdat Amerika altijd een immigratieland is geweest. En de uitkomst was niet zo negatief als de Financial Times suggereerde. Robert Putnam: ‘Het was het halve verhaal. We hebben nooit een geheim gemaakt van de resultaten en ook allang voorstellen gedaan voor effectief integratiebeleid. Speciaal daarvoor hebben we in 2003 onze vervolgstudie Better Together: Restoring the American Community uitgebracht. Maar er zijn groeperingen die met ons onderzoek aan de haal willen gaan; in Amerika zijn dat degenen die de Mexicaanse immigratie willen stoppen, in Europa degenen die de immigratie uit moslimlanden willen tegenhouden. Het grotere plaatje dat ik schets, willen ze niet zien. Amerika is succesvol dankzij vele immigratiegolven. De vraag is hoe we de successen repliceren, niet hoe we migratie tegengaan.’ De ‘andere helft’ van Putnams verhaal is dat sociaal kapitaal ook weer kan worden opgebouwd. Daarvoor zijn veel precedenten. ‘De laatste keer dat de Verenigde Staten een probleem van deze omvang hadden, was rond de vorige eeuwwisseling’, zei hij in 2002 in een interview met De Groene Amsterdammer: ‘Door de industrialisering raakten gezinnen onder druk en sneuvelden agrarische gemeenschappen. In antwoord op die omwenteling werd niet geprobeerd om squaredances of naaikransjes te propageren, maar ontstonden organisaties als de scouts, het Rode Kruis, de Rotary. Ik constateer dat de oude sociale verbanden wederom sneuvelen en dat we dus nieuwe nodig hebben — niet dat we moeten herstellen wat we hadden.’

Einddoel is volgens Putnam de schepping van een ‘nieuw wij’, een sociaal weefsel dat migranten insluit. Dat weefsel ontstaat doordat oude en nieuwe bewoners gebruik maken van wat hij ‘sociale bruggen’ noemt: dat zijn kenmerken en activiteiten die ze gemeen hebben en waardoor ze kunnen samenwerken. Better Together behandelt voorbeelden van bruggenbouw, uiteenlopend van het personeelssysteem bij United Parcel Service tot groepssessies van bibliotheekmedewerkers in ‘moeilijke’ wijken. Soms komt sociaal kapitaal tot stand vanuit de deelnemers – Putnam noemt dat de ‘inside-out’ variant – waarbij autoriteiten of superieuren hooguit hun steentje bijdragen door erop in te spelen. Bij de ‘outside-in’-benadering is kleinschaligheid van doorslaggevend belang: een beleid van langdurige, persoonlijke interventies in een groep blijkt de beste manier om sociaal kapitaal op te bouwen.

Putnams werk bleef niet lang onweersproken, ook al omdat zijn gegevens betrekking hebben op de VS. De Canadese onderzoeker Stuart Soroka kwam in eigen land tot andere conclusies: ‘Putnams bevindingen worden bevestigd, maar de gevonden effecten zijn klein. Er is geen sprake van aardverschuivingen in het sociale vertrouwen zodra ergens migranten binnenkomen. En in Canada lijdt het vertrouwen in de politiek in het geheel niet onder migratie, anders dan in Amerika waar het wantrouwen tegen de overheid vanouds groter is.’ Om de geldigheid van zijn bevindingen in Europa te testen, zette Putnam onlangs ook een samenwerkingsverband op met de universiteit van Manchester. Europese onderzoekers zijn hem echter voorgegaan. Ook in de EU ziet het ‘grotere plaatje’ er anders uit dan het gangbare beeld van islamisering en het ontstaan van een etnische onderkaste.

Om te beginnen doen de zeventien miljoen immigranten in West-Europa het even goed als hun Amerikaanse soortgenoten – voor een groep die in meerderheid laag opgeleid is zelfs bijzonder goed. Ze droegen vorig jaar 460 miljard euro bij aan het Bruto Europees Product, terwijl een op de vijf volwassen migranten in de laatste tien jaar een eigen bedrijf runde. De vertrouwenskwestie ligt hier echter anders dan in de Verenigde Staten, meent de Leuvense hoogleraar Marc Hooghe. Onlangs presenteerde hij met drie collega’s een eigen onderzoek, Ethnic Diversity, Trust and Ethnocentrism and Europe, waarvoor ze gegevens gebruikten van de oeso en het European Social Survey, het (met de Descartesprijs bekroonde) onderzoeksproject dat gedrag van Europeanen in kaart brengt.

Het sociale vertrouwen in Europa is het laagst in Polen, Griekenland en Hongarije. Laten dat nu net de landen met de grootste etnische homogeniteit zijn. Als verklaring bleek een andere factor van groter belang te zijn dan etniciteit, namelijk de Gini-coëfficiënt, de economisch-statistische vakterm voor inkomensongelijkheid. Marc Hooghe: ‘Hoe ongelijker de samenleving, hoe lager het sociale vertrouwen. Over het geheel genomen valt etnische vermenging in Europa dus niet samen met groter wantrouwen, maar wél daar waar grote ongelijkheid heerst, zoals in de genoemde drie landen.’

Ziet hij geen problemen over het hoofd omdat hij nationale cijfers heeft vergeleken en geen lokale zoals Putnam? Op buurtniveau bestaan in Europa toch vertrouwensproblemen? Hooghe: ‘Zeker, en in Europa is ook op stadsniveau onderzoek gedaan. Enerzijds is er het voorbeeld van de Franse banlieux, daar hangt de ellende voor een goed deel samen met de inkomensongelijkheid van migranten. Er staat tegenover dat grote etnisch gemengde wijken als Kreuzberg en Charlottenburg in Berlijn hoog scoren op de vertrouwensschaal. In de VS zie je hetzelfde, al vallen daar sociale positie en etniciteit vaker samen. Niet alleen door gettovorming, ook door de indeling in schooldistricten. Zowel blanken als andere etnische groepen hokken bijeen teneinde hun kinderen naar een bepaald soort school te sturen. Het gevolg is dat ze minder contact hebben met andersoortige buren dan Europeanen. De wijk is daar veel meer bepalend voor je sociale bestaan.’

Ook de schepping van een nieuwe vertrouwensbasis stuit hier op andere problemen dan in Amerika. Hooghe: ‘Het is een ervaringsfeit dat de toenadering tussen autochtonen en migranten verloopt via “sociale bruggen”, zoals Putnam zegt. Maar die zijn niet altijd te vinden. Vergelijk de Italianen in de VS eens met de Marokkanen hier. De Italiaanse immigranten werden in de VS met de nek aangekeken totdat de Amerikaanse bisschoppen ontdekten dat Italianen trouwe gelovigen waren en de Amerikaanse vakbonden dat Italiaanse arbeiders loyale krachten waren die wisten wat staken was. Over die bruggen werden ze ‘binnengetrokken’ in de samenleving. Bij laagopgeleide, individualistische moslimmigranten uit gebieden als de Rif zijn die bruggen er nauwelijks. Vaak zijn de contacten tussen Marokkaanse en Europese vrouwen nog het meest veelbelovend. Maar hoe een “nieuw wij” er in dit geval uit moet zien, zou ik niet kunnen zeggen.’

In Europa is die vraag het meest relevant als het gaat om de Turken, de grootste groep immigranten van buiten de EU. Volgens Eurostat, het Europese bureau voor statistiek, maken de 7,3 miljoen Turkse migranten in Duitsland negen procent van de bevolking uit. In Denemarken is dat vijf procent (271.000), in Nederland vier (700.000). In andere lidstaten vormen ze kleinere maar aanwijsbare groepen die vasthouden aan hun cultuur, familiaire saamhorigheid en banden met het land van herkomst. Turken in de VS doen dat overigens ook. De huidige dwangmatige (her)bevestiging van de eigen culturele waarden van westerse naties doet er weinig goed aan. Maar ook welwillende autochtonen hebben vaak een basaal, functionalistisch idee van cultuur dat zich richt op uiterlijkheden (eten, handje schudden) en onrecht doet aan de complexiteit van cultuurverschillen.

‘Turken dragen een driedubbele erfenis van anderhalf duizend jaar islam, eeuwen van Ottomaanse beschaving alsmede een eeuw van stormachtige kemalistische modernisering met zich mee. Met zo’n achtergrond integreer je niet eventjes in een “Europees wij”, laat staan in een “Nederlands wij” gebaseerd op aardappels met kebab’, zegt de Britse journalist Hugh Pope. Hij is wellicht de eerste deskundige van niet-Turks-nationalistische huize die dit openlijk durft te stellen, maar Pope heeft er dan ook de papieren voor. Hij studeerde Arabisch in Oxford, maar vestigde zich in Turkije en verdiepte zich al werkend voor onder meer de bbc en de Wall Street Journal 25 jaar lang in de Turken en Turkssprekende volken. In 2004 publiceerde hij met zijn vrouw een goed ontvangen geschiedenis van het moderne Turkije en dezer dagen komt hij met een eigen boek over zijn vele reizen in Centraal-Azië, Zonen van de veroveraars: De herrijzenis van de Turkische volken.

Hugh Pope: ‘Omdat Turken zo’n hechte band met hun vaderland behouden en tegelijk al honderd jaar heel graag Europeanen willen zijn, zal een “nieuw wij” Turkije als land moeten incorporeren. Turken integreren sociaal-economisch uitstekend in Europa, maar ze zullen zich hier pas thuis voelen als die “brug” is genomen. De weg naar een Europees gevoel van saamhorigheid onder Turkse migranten loopt via Ankara, niet via koffiehuis, buurtwerk en integratieprogramma’s. Het lidmaatschap van de Unie is voor Turken de brug. Het psychologische effect van de huidige, weifelende Europese houding jegens Turkije wordt onderschat. Turkije heeft in honderd jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt om Europees te kunnen zijn. Het staat zoveel dichter bij Europa dan bij zijn islamitische buren, dat de gedachte dat een Turks lidmaatschap van de EU tot “islamisering” van Europa leidt, onzinnig is.

Op dit punt heerst volslagen onbenul bij Europese politici en opiniemakers, inclusief de Nederlandse regering en Tweede Kamer, als u mij toestaat. Helaas heerst ook onder welgezinde Europeanen een idee van Turkije gebaseerd op volksdansen en broodjes döner, wat net zo funest is. Istanbul is een metropool zoals Europa er geen tweede heeft. De razendsnelle economische ontwikkeling trekt steeds grotere buitenlandse en vooral Amerikaanse investeringen aan. Europeanen hebben geen idee dat de technische apparaten van Grundig die ze in huis hebben allang van Turkse makelij zijn. Turkije is West-Europa in sommige opzichten voorbijgestreefd, het voert bijvoorbeeld een eigen, constructieve Midden-Oostenpolitiek. Als we daar nu geen gebruik van maken, zal Turkije vroeg of laat Europa de rug toekeren en zich oriënteren op de VS en de groeilanden in het Midden-Oosten. Dan zullen niet alleen de Turken de boot missen, maar ook wij. En het ontstaan van een Europees gemeenschapsgevoel onder Turken zal verder weg zijn dan ooit.’

Hooghe onderschrijft Popes visie, met dien verstande dat zo’n schepping van een nieuw saamhorigheidsgevoel langs de ‘omweg’ van het land van herkomst eigenlijk alleen opgaat voor Turkije. Marc Hooghe: ‘Er is misschien een Amerikaanse parallel, omdat men daar niet alleen zoekt naar sociale bruggen om de Mexicaanse minderheid te bereiken, maar ook naar politieke bruggen met Mexico door nauwere samenwerking op justitieel gebied, de schepping van de vrijhandelszone Nafta, enzovoort. Maar ik zie iets vergelijkbaars niet snel in Europa gebeuren als het gaat om Marokko, de Maghreb of de meeste andere Arabische landen. Niet alleen de islam, ook het vaak totale gebrek aan democratie daarginds is een grote sta-in-de-weg, vrees ik.’

Volgens Pope zal ook dát veranderen als Turkije toetreedt tot de EU. Pope: ‘Toen in 2004 de toetredingsgesprekken in Brussel begonnen, waar ik als journalist bij was, waren daar behalve de gebruikelijke westerse media maar liefst 250 verslaggevers uit het Midden-Oosten! Ze wilden er met hun neus boven op staan nu Turkije toetrad tot de fel benijde kring van ontwikkelde, democratische landen. Ik dineerde vorige week met de Egyptische ambassadeur in Ankara. Hij sprak de hele avond over niets anders dan het Turkse model en verzekerde iedereen hoezeer president Moebarak de Turkse succesformule wilde navolgen. Een Turks lidmaatschap zal niet alleen de verhouding met Turkse immigranten in de andere EU-staten versoepelen. Het zal ook zijn uitwerking op het Midden-Oosten hebben en de krachten voor modernisering en democratisering versterken. Dat is honderd maal effectiever dan de bommen op Afghanistan en Irak.’