Sociale dienstplicht

Lolle Nauta * 9 februari 1929

Tijdens zijn studie theologie begint het al. Lolle Nauta valt van zijn geloof en bekeert zich tot de filosofie. Hij is wars van autoriteit, schroomt niet tegen de ivoren toren van de wetenschap aan te schoppen. Als hij in 1971 in Groningen wordt benoemd tot hoogleraar is zelfs het dragen van een toga niet aan hem besteed; hij verschijnt in een paars maatpak. ‘Wie niet van discussiëren houdt, is geen intellectueel’, vindt Nauta. Hij gaat geen debat over filosofische, maatschappelijke of politieke vraagstukken uit de weg. Hij keert zich in de jaren zestig tegen de Vietnam-oorlog, bemoeit zich met het spectaculaire televisiedebat (1971) tussen Noam Chomsky en Michel Foucault, schrijft mee aan het nieuwe beginselprogramma van de pvda (1977) en neemt zitting in het Derde Russell-tribunaal (1979) over de West-Duitse Berufsverbote. Hoewel zijn dissertatie De mens als vreemdeling (1960) gaat over het absurde in het werk van Camus, Malraux en Kafka en hij later ook publiceert over Sartre, kun je hem niet rekenen tot de existentialisten. Nauta neigde in het begin van de jaren zeventig naar het marxisme, maar kwam daar weer op terug. Filosofe Baukje Prins uit Groningen: ‘Hij was geen systeemdenker, maar bij uitstek essayist. Hij hield zich bezig met stromingen en filosofen, van de kritische theorie van de Frankfurter Schule tot het postmoderne werk van Foucault, hield die tegen het licht van actuele problemen en paste er zijn filosofische bagage op toe.’

‘Lolle onderscheidde zich door zijn socratisch temperament. Denk aan het portret van Socrates dat Plato heeft geschetst: wanneer Socrates op de markt loopt en met iedereen in discussie gaat. Ook Lolle wilde van iedereen weten waaraan hij zijn zekerheid ontleende’, zegt Joop Doorman, emeritus-hoogleraar filosofie aan de TU Delft. Maar het ging hem niet om het halen van zijn eigen gelijk, meent emeritus-hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie Herman van Gunsteren: ‘Nauta’s kracht was dat hij in een debat niet constant zijn eigen mening ventileerde. Hij luisterde en nam duidelijk een eigen positie in, maar hij was anders dan een Paul Scheffer of Afshin Ellian niet alleen bezig met zichzelf. Hij was sterk in het denken mét anderen.’

In Achter de zeewering (1987) schrijft Nauta dat de Nederlandse filosofen zichzelf na de Tweede Wereldoorlog een domineesrol hebben toebedeeld: ‘Vol toewijding en zonder dat iemand hen erom gevraagd had, namen ze het beheer op zich over de zin van het leven. Hun werk wemelt van uitspraken over de vakwetenschappen die altijd in één opzicht tekortschieten: het wezen van de mens kunnen ze niet vatten.’ Zelfs het existentialisme werd hier te lande in een theologische bedding gestuwd. ‘Al kon ik voor theologische herinterpretaties niet de minste belangstelling opbrengen, de existentiefilosofie stelde ook mij in staat tijdelijk de leegte te vullen die het afscheid van het christendom inhield. Zolang ik gebiologeerd werd door zinsvragen was ook bij mij de maatschappelijke rol van de filosoof gering en onderkende ook ik nauwelijks de politiek dubieuze kanten van de filosofie van bijvoorbeeld Heidegger’ (De subcultuur van de wijsbegeerte, 1990). Dat veranderde snel na zijn ontdekking van Helmuth Plessner, bij wie hij drie jaar studeerde. In navolging van Plessner keert Nauta zich tegen het verabsoluteren van maatschappelijke en culturele ervaringen à la Heidegger, door Plessner ‘zijnsmythologie’ genoemd.

Hoewel Nauta afrekent met ‘totaliteitsfilosofen’ geldt dat niet voor de rest van het land. Terwijl volgens hem de filosofie wordt geprofessionaliseerd – het vak verschuift naar de natuurwetenschappen en de menswetenschappen – tiert de ‘Filosofie met de grote F’ welig in de hoek van de ‘parafilosofie’, waarin termen als ‘het goede’ en ‘het schone’ gretig aftrek vinden. In 2002 zegt hij in radioprogramma De Avonden: ‘Dat is een vorm van retoriek waarmee individuen en sociale bewegingen vaak met succes proberen gelijk te krijgen. Dat soort retoriek, het gebruik van grote woorden waarvan niet precies duidelijk is wat ze betekenen, speelt bijvoorbeeld in allerlei varianten van de New Age een heel grote rol. Hoe ondoorgrondelijker de termen zijn, hoe groter de aanhang is die men probeert te veroveren.’

Dat Nederlandse epigonen buitenlandse filosofen na-apen, vindt hij zo mogelijk nog erger. ‘Epigonisme is een onzichtbare kopieermachine’, schrijft hij in de column Hahbumaas uit de bundel Ik denk niet na (2002): ‘Goed uitspreken kan men zijn naam niet, maar dat is niet erg, want hij zit als een poppetje in de klokkentoren van het hoofd en komt op ieder kwartier te voorschijn. Wat zou ik graag een populariserend werkje lezen dat niet over Hahbumaas gaat, maar over Habermas.’ Ook wat de filosofie betreft hebben we ‘de grootste haven ter wereld’, meent Nauta: ‘We zijn begiftigd met een nationaal minderwaardigheidscomplex.’ In het bijzonder irriteert hem de aandacht voor Heidegger: ‘En maar turen op die heilige teksten.’ Joop Doorman: ‘Lolle hekelde de “boekhouders van menselijke ideeën”. Mensen die alles van één filosoof weten.’ Zijn lesmethode sloot daarbij aan, meent Prins: ‘Hij wilde geen school om zich heen bouwen. Op klonen van zichzelf zat hij niet te wachten. Daarnaast hield hij ook niet van metaforische uitdrukkingen. Hij kon mijn verhaal reduceren tot de kern en zo begrijpelijk maken.’

Naar eigen zeggen is Nauta geïnspireerd door ‘informele’ leermeesters, onder wie romanschrijvers en essayisten. Willem Frederik Hermans, schrijft hij in 1987, ‘vertelde dingen die ik wel ervaren had, maar niet onder woorden kon brengen. Het is natuurlijk niet toevallig dat intellectuelen behalve uit journalistieke kringen ook uit literaire kringen worden gerekruteerd. Door in een verstaanbare taal rekenschap af te leggen, brengt een intellectueel interactie op gang. Wie met een jargon genoegen neemt, snijdt zich intellectueel de pas af.’ Hij ergert zich eraan dat professionele filosofen zich afsluiten van de literatuur: ‘Zelfs wanneer schrijvers op filosofisch terrein interessante dingen te beweren hebben, worden zij door de professie doodgezwegen.’ Culturele segmentatie is volgens hem eigen aan de Nederlandse verzuiling. Iedereen neemt een veilige middenpositie in, terwijl competitie juist essentieel is voor intellectuelen.

Maar wat heeft Lolle Nauta zelf toegevoegd aan de Nederlandse filosofie? ‘Hij had niet van die baanbrekende theorieën. Hij vond zorgvuldigheid en rechtvaardigheid ontzettend belangrijk’, meent Van Gunsteren. ‘Hij geloofde in wereldburgerschap en universele rechten voor de mens in álle delen van de wereld’, zegt Prins. ‘Hij was links’, aldus Doorman: ‘Hij vond het vreselijk hoe onmenselijk wij met onze asielzoekers omgaan. Maar ook het in acht nemen van het milieu op lange termijn was heel belangrijk voor hem.’ Nauta breekt uiteindelijk met de pvda omdat die onder Kok en Melkert visieloos is geworden. Joop Doorman: ‘Hij zag de pvda als een bestuurderspartij die van haar ideologische veren was ontdaan.’ Voormalig partijvoorzitter Max van den Berg: ‘Hij verweet de pvda niet consequent te kiezen voor milieu boven economische vooruitgang en niet duidelijk positie in te nemen tegen de invloed van de VS. Die visie vond hij wél bij GroenLinks. Daar lag gedurende de rest van zijn leven zijn sympathie.’

‘Hij was een filosoof die het aandurfde met zijn voeten in de modder te gaan staan. Niet omdat hij om publiciteit verlegen zat, maar omdat hij dat als de plicht van een goede filosoof zag’, oordeelt Pieter Boele van Hensbroek, filosoof in Groningen. Baukje Prins: ‘Lolle vond dat iedere intellectueel een zogenoemde sociale dienstplicht had. In navolging daarvan vertrok hij in 1979 voor drie jaar naar Zambia om er een filosofisch instituut op te zetten.’ Hoe baanbrekend dit werd gevonden te Groningen beschrijft Nauta in zijn essay Afrika bestaat niet: ‘Wel honderdmaal heb ik gehoord voordat ik wegging: in Afrika een filosofisch instituut? Denk je echt dat mensen daar behoefte aan hebben?’

‘Hij daagde studenten uit, probeerde lastige filosofische thema’s te concretiseren door ze te betrekken op hedendaagse problematiek. Zijn betrokkenheid was uniek. Als je met hem sprak, was er voor hem even niets anders op deze wereld’, herinnert Prins zich haar eigen tijd als Nauta’s student-assistent: ‘Zijn manier van lesgeven was nooit geroutineerd. Colleges die hij jaar in, jaar uit gaf, bereidde hij altijd opnieuw voor. Dat kun je van veel andere docenten niet zeggen’. Maar dat betekent niet dat het gemakkelijk was om bij Nauta te studeren. Van den Berg: ‘Hij hield van actieve studenten. En daarbij werden vaak vriendschappen opgebouwd. Het was laagdrempelig. Maar je moest wel ontzettend je best doen.’

11 september 2006