Het sociale leven is noodzakelijk om uit je eigen ‘filterbubbels en echoputten’ te stappen © Harry Pot / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Een met bloemen gemaskeerde inbreuk op het sociale leven van Leiden: zo kun je de ingreep typeren die de Universiteit Leiden in haar hoedanigheid van vastgoedondernemer deed in het Singelpark. Dat park slingert als een groen lint langs de Leidse singels. In het deel waarvan de grond in handen is van de universiteit, nabij de Sterrewacht, spitten graafmachines in het voorjaar van 2021 het gras om, waarna groenwerkers het vervingen door planten en bloemetjes. Achter de vriendelijk ogende actie ging een onvriendelijk doel schuil: het verjagen van de mensen die het grasveld gebruikten om langs de waterkant te zitten.

Met de omspitactie, waarbij ook het gras van het speeltuintje werd vervangen door kindonvriendelijk grind, reageerde de universiteit op klachten van bewoners van de twaalf herenhuizen langs dit deel van het park. De huizen maken deel uit van het vastgoedproject dat de universiteit hier ontwikkelde, met het doel een deel van de kosten van de renovatie van de Sterrewacht te dekken. Ondanks de ruim bemeten voortuinen die hun huizen van het park scheiden, ervoeren de bewoners de picknickende mensen als overlast. ‘De recreanten moeten dit stuk niet als gemeengoed beschouwen en denken dat ze overal recht op hebben’, zei een bewoner in Trouw.

De universiteit noch bewoners als deze hadden een boodschap aan het asociale karakter van de actie: de studenten die opeengepakt wonen in de buurt achter de huizen raakten een fijne plek om aan het water te vertoeven kwijt. De universiteit voelde zich evenmin gehinderd door de bedenking dat zij zich het recht toe-eigende om hier de publieke functie van het Singelpark in te perken. De grond was van haar, redeneerde ze, dus kon ze ermee doen wat ze wilde. ‘Jij bepaalt toch ook zelf wat je met je eigen tuin doet?’ reageerde de woordvoerster van de universiteit op kritische vragen van de Trouw-verslaggever.

De kwestie-Singelpark is een voorbeeld in het klein van de sociale ontbinding die kan ontstaan als publieke ruimte in private handen komt, in dit geval van een universiteit waarvan het vastgoedbedrijf zich gedraagt als een projectontwikkelaar die zijn klanten tevreden moet houden en daarom ongewenste gasten dwarszit. In haar boek De eenzame eeuw kwalificeert Noreena Hertz de methode die hier is toegepast als hostile architecture: een ingreep in het stedelijke ontwerp die duidelijk maakt wie welkom is en wie niet.

Hertz beschrijft een reeks van dergelijke ingrepen in steden in Groot-Brittannië. Ze zijn allemaal bedoeld om in het stedelijke leven een onderscheid te maken tussen eerste- en tweederangsburgers, zij het soms zo subtiel dat het ware mikpunt je pas opvalt als je beter kijkt. Bij het Baylis Old School-complex in Londen bijvoorbeeld worden de huurders met een lager inkomen door een groene, maar ondoordringbare haag weggehouden van de speelplaats voor de kinderen – en dat is ook de bedoeling. Vanuit hun appartementen moeten zij toekijken hoe andere kinderen spelen op een terrein dat voor de hunne ontoegankelijk is.

Hertz komt tot de slotsom: ‘We bouwen een wereld van afzondering en fragmentatie.’ Ook zij wijst ter verklaring op het feit dat publieke ruimte is weggegeven aan projectontwikkelaars, die als doel hebben geld te verdienen en niet de woonlasten zo laag mogelijk te houden. Ze bouwen daarom met een ruime winstmarge voor goedverdienende burgers en luisteren naar hun wensen. ‘De realiteit is dat rijken vaak bereid zijn om extra te betalen om zich van de massa te kunnen afzonderen. Zo is het altijd geweest’, schrijft Hertz.

In de Angelsaksische wereld zijn de tegenstellingen vanouds scherper en de onderlinge verhoudingen tussen mensen zwaarder gestempeld door ellebogenwerk. Niettemin is het grondpatroon van sociale ontbinding herkenbaar: de samenleving raakt meer gesegregeerd langs de breuklijnen tussen rijk en arm, meer- en mindervermogend. Dat geldt zowel in fysieke zin, met de stad als de plek waar de macht van het geld steeds zwaarder telt, als in sociaal-economisch opzicht.

Voor mensen met een uitkering of een nul-urencontract is geldgebrek maar een van de kwellingen in het bestaan. Sociaal isolement, stress, gezondheidsproblemen, slechte voeding zijn andere verschijnselen, los van dat deprimerende gevoel van schaamte en verlies van zelfrespect. Ook is de beschikbaarheid van zorg, onderwijs, betaalbare huisvesting, kinderopvang en andere maatschappelijke voorzieningen voor hen minder goed verzekerd dan voor mensen met geld en vast werk, waarschuwt het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) bij monde van directeur Kim Putters.

Anders gezegd: voorzieningen die vanwege hun functie publiek eigendom zouden moeten zijn, met een zo eerlijk mogelijke toegang voor iedereen, hebben een steeds hogere drempel voor mensen met weinig geld en relaties. Dat geldt voor goede en betaalbare huisvesting: de wachtlijst voor sociale-huurwoningen wordt allengs langer doordat projectontwikkelaars ze nauwelijks bouwen en doordat de regering de woningbouwverenigingen met de verhuurderheffing heeft afgeknepen. In het onderwijs zie je dat scholen door personeelsgebrek en gebrek aan middelen leerlingen met een onderwijsachterstand aanraden om hulp van buiten in te roepen, ook al kost dat geld. Studenten van wie de ouders geen geld hebben voor een toelage moeten zich al aan het begin van hun studie in de schulden steken. De toegang tot het recht staat voor mensen met een laag inkomen op een kier als gevolg van de bezuinigingen op de sociale advocatuur. Het eigen risico in de gezondheidszorg blijkt het fenomeen van de zorgmijders in het leven te hebben geroepen.

Omgekeerd hebben mensen die het getroffen hebben minder te duchten van de uitholling van de publieke diensten: ze kunnen die inkopen bij hun advocatenkantoor, bij de particuliere kliniek of bij een bureau voor privé-onderwijs en huiswerkbegeleiding. Met een begrip dat hij ontleent aan Max Weber typeert socioloog en rechtsgeleerde Kees Schuyt de sociale gevolgen van de ongelijkheid als een ‘polarisatie van levenskansen’. Het gevolg is een sluipende maatschappelijke ontbinding, waarbij het leven van welgestelden steeds verder gescheiden raakt van dat van de anderen. De publieke sfeer verliest zo de plekken waar mensen met uiteenlopende sociale achtergronden en levensstijlen gedeelde ervaringen opdoen.

Over de gevolgen voor de onderlinge verhouding tussen mensen en hun vermogen tolerantie voor elkaar op te brengen, schrijft Hertz: ‘Bij mensen die elkaar niet kennen is de kans groter dat haat en angst ontstaan. Dagelijkse persoonlijke interacties met mensen die anders zijn daarentegen maken het makkelijker om te zien wat we gemeen hebben in plaats van wat ons van elkaar onderscheidt.’ De overheidsbezuinigingen op voorzieningen die mensen bij elkaar brengen, zoals bibliotheken, jeugdcentra, buurthuizen, openluchtzwembaden en speeltuinen, diskwalificeert ze dan ook als ‘een van de meest verontrustende trends binnen onze stedelijke omgeving’. Die ‘roof van de noodzakelijke sociale infrastructuur’ heeft een proces van sociale ontbinding in gang gezet waar al het gepraat over de noodzaak van ‘verbinding’ niet tegen is opgewassen.

Sociale heling zal lastig zijn na dertig jaar gewenning aan het neoliberalisme. De kerngedachte van de omwenteling die zich in die jaren heeft voltrokken is dat de markt het beste regulerende mechanisme is, ook in sectoren die de overheid eerder juist bewust van de markt afschermde vanwege hun belang voor het op orde houden van het sociale leven: de cultuur, de zorg, het onderwijs, de volkshuisvesting. Fundamentele nutsvoorzieningen zijn onder de tucht van de markt van beroerde kwaliteit geworden, personeelstekorten zijn in de publieke sector eerder regel dan uitzondering, de dienstverlening schiet tekort of is gewoon afwezig. De kortste samenvatting van de gevolgen van dit uithollingsproces staat op naam van oud-vicepresident van de Raad van State Herman Tjeenk Willink: de overheid doet niet meer wat de burgers van haar verwachten.

Het is niet het gemak maar eerder het ongemak dat de mens dient: het leert je omgaan met de rommelige realiteit

Er is nog een reden waarom het keren van de sociale ontbinding na dertig jaar neoliberalisme een weerbarstige kwestie zal zijn: de normalisering van het denkbeeld dat de samenleving bestaat uit winnaars en verliezers. Dat denkbeeld is inherent aan de individualistische prestatiemoraal die in het neoliberalisme is ingebakken met de idee dat mensen op hun eigen benen moeten staan, zo min mogelijk gesteund door een zorgende overheid. In die maatschappijvisie is succes je eigen verdienste en tegenslag het gevolg van je eigen falen.

De gedachte dat mensen zelfredzaam zijn, mits ze maar hun best doen, manifesteert zich in het beleid in een zwaar beroep op ‘eigen verantwoordelijkheid’, zoals nu weer in het kabinetsplan voor de aanpak van corona in de toekomst. ‘Je bent zelf het beste in staat om jezelf en anderen te beschermen’, schuift het kabinet de verantwoordelijkheid voor coronapreventie richting de burgers. Hieke Huistra, historicus aan de Universiteit Utrecht gespecialiseerd in de geschiedenis van de medische wetenschap, schetst in haar Trouw-column de gevolgen: ‘Met eigen verantwoordelijkheid kun je niks als je als arbeidsmigrant in een overvol vakantiehuis woont, van waaruit je in afgeladen busjes naar slachthuis of distributiecentrum vervoerd wordt waar “thuisblijven bij klachten” niet geaccepteerd wordt door de baas. En ook niet als je geen geld hebt voor zelftesten, als je overheidsbrieven over vaccinaties niet begrijpt of als je als toeslagenouder met een uit huis geplaatst kind zoveel chronische stress hebt dat je de energie niet hebt om je te verdiepen in corona-adviezen.’

Huistra concludeert: ‘In al die situaties ben jij helemaal niet degene die jezelf het beste kan beschermen – dat is de overheid. Die kan ervoor zorgen dat iedereen, arm én rijk, beschermd wordt. Jammer dat ze dat niet wil.’

De publieke sfeer verliest plekken waar mensen met uiteenlopende sociale achtergronden gedeelde ervaringen opdoen © Chris J Ratcliffe / Getty Images

Het is plausibel dat mensen die niet kunnen voldoen aan de hoge standaard van de prestatiemoraal vrezen voor maatschappelijke marginalisering, het gevoel er niet meer bij te horen. Noreena Hertz: ‘Zij worden als losers gebrandmerkt in een samenleving die zich alleen bekommert om winnaars. Ze zijn aan hun lot overgelaten en moeten maar voor zichzelf zorgen in een wereld waarin hun traditionele houvast van werk en gemeenschap verpulvert, het sociale vangnet uiteenrafelt en hun status in de maatschappij daalt.’ Zij concludeert: ’Het neoliberalisme veranderde fundamenteel hoe we tegen elkaar aan kijken en welke verplichtingen we jegens elkaar voelen, door de waarde die deze ideologie hecht aan eigenschappen zoals hyperconcurrerend zijn en het nastreven van het eigenbelang, ongeacht de consequenties.’ Het gevolg: ‘Eigenschappen als solidariteit, vriendelijkheid en onderlinge zorg werden niet alleen ondergewaardeerd, maar zelfs als irrelevante menselijke trekjes beschouwd.’

Tekenend is dat werk dat vriendelijkheid vergt, zoals dat in de zorg, minder goed betaalt dan beroepen waarin je hard en zakelijk moet zijn, zoals bankier of makelaar. Goede verzorging, gedienstigheid, mededogen kunnen je soms applaus opleveren, zoals het verplegend personeel in het begin van de corona-epidemie ondervond, maar hard zijn brengt geld in het laadje.

Na dertig jaar gewenning aan het neoliberalisme voelen mensen met geld en invloed zich gesteund door een politieke leer die hun inprent dat ze recht hebben op hun bevoorrechte positie. Als premier Mark Rutte weer eens spreekt over een ‘ontzettend gaaf land’ ziet hij dus alleen de zonnige kant van de werkelijkheid, niet de realiteit van ‘de mensen in het donker’, in de woorden van Bertolt Brecht. Rutte IV, een liberaal kabinet met een christen-democratische rand, neemt in de sfeer van het recht en de volkshuisvesting weliswaar een aantal maatregelen om de ongelijkheid te beteugelen, zoals een versterking van de sociale advocatuur en de afschaffing van de verhuurderheffing, maar het laat tegelijkertijd de twee grootste bronnen van ongelijkheid nagenoeg ongemoeid: de fiscale bevoordeling van huiseigenaren boven verhuurders en van mensen met bezit boven mensen met louter een looninkomen.

In 1991, aan het begin van de periode van de neoliberale dominantie in de Nederlandse politiek, voerde econoom Jan Pen zijn ‘Parade van Pen’ ten tonele: een denkbeeldige optocht van inkomenstrekkers die al naar gelang hun inkomen waren uitgerekt of in elkaar geperst. Vooraan liep een lange stoet dwergen, vier turven hoog, die totaal werden overschaduwd door de achtersten in de rij, de hoogste inkomens. Zij leken boomlang, zei Pen, maar hij beloofde zijn gehoor pas echt adembenemende taferelen als de stoet Nederlanders met een vermogen zou langstrekken.

Deze optocht duurde een uur. Gedurende de eerste dertig minuten kwamen mensen ter grootte van een lucifer voorbij, tezamen met nog vreemdere sujetten: degenen die ondersteboven liepen, met hun hoofd onder de grond. Het waren de lui met een negatief vermogen: meer schulden dan bezit. Tijdens de laatste drie minuten moest het publiek het hoofd ver in de nek werpen. Eerst zagen ze de reuzen van drieënhalve meter opdoemen, in de laatste halve minuut gevolgd door giganten van zeventien meter. En zij waren nog maar de kleinsten in deze exclusieve groep. Aan het slot van de stoet kwamen de vermogensbezitters die langer waren dan een flatgebouw of zelfs kilometers boven de rest uitstaken. Over de allerlaatste passant meldde Pen: ‘Van deze deelneemster is de lengte bij gerucht bekend – het is onze koningin in eigen persoon.’ Dat gerucht hield in dat zij – het is in de tijd van Beatrix – 160 kilometer lang zou zijn.

Het is een mooi beeld, die Parade van Pen, maar dertig jaar nadat hij het schetste niet helemaal raak meer. In zijn optocht blijven de wolkenkrabbers en de dwergen netjes met elkaar in de pas, hoe groot hun onderlinge verschillen ook zijn. De stoet, Pens metaforische beeld voor de samenleving, vormt een geheel. In werkelijkheid trekt de ongelijkheid de samenleving uit elkaar. Om nog een keer Pens beeldspraak te lenen: de wolkenkrabbers zijn om de hoek uit het zicht verdwenen en hebben een onoverbrugbaar gat in de optocht geslagen.

‘Alleen pakjes voor mezelf, niet voor de buren’, zo luidt de mededeling aan de bezorgdiensten die iemand in Leiden op een briefje naast zijn voordeur heeft geschreven. Een treuriger voorbeeld van het sociale isolement waarin het ontlopen van contact mensen kan brengen is moeilijk denkbaar.

In allerlei domeinen van dienstverlening raakt de samenleving van lieverlede ingesteld op het vermijden van contact. Zij wordt er ook op ingericht: supermarkten vervangen de caissières door zelfscankassa’s, benzinepompen zijn steeds vaker ‘onbemand’, Albert Heijn experimenteert met winkels die je boodschappen automatisch bij het laden van de wagen digitaal registreren en bij het passeren van de winkeldeur verrekenen, dankzij online fitnessapps kun je thuis je conditie op peil houden en hoef je niet meer naar de sportschool, restaurants plaatsen bij de ingang een touchscreen waarop je je diner bestelt. Al kun je natuurlijk ook je maaltijd laten bezorgen door Deliveroo of Just Eat.

Voorzieningen die publiek zouden moeten zijn hebben een steeds hogere drempel voor mensen met weinig geld

Het gemak dient de mens, is het motto waarmee bedrijven hun klanten aan het contactloze bestaan laten wennen. Het verwijderen van de menselijke connectie uit de dienstverlening snijdt commercieel aan twee kanten: het bespaart loonkosten en het creëert vraag bij mensen die in dat motto geloven. Maar klopt het wel? Nee, zegt filosoof en digitaal criticus Hans Schnitzler, het is eerder het ongemak dat de mens dient: het leert je omgaan met de rommelige realiteit.

De digitale infrastructuur onder de contactloze samenleving is juist ingericht op de illusie dat je de realiteit rimpelloos kunt maken, op het wegmasseren van oneffenheden. In het vpro-programma Tegenlicht zei Schnitzler: ‘Snelheid, efficiëntie, gemak, dat zijn de waarden die in de digitale technologie versleuteld zitten. We verinnerlijken die waarden op een bepaalde manier, we raken eraan gewend. Werkelijke betrokkenheid bij andere mensen wordt daardoor moeilijker, want dat vergt dat je je moet kunnen verhouden tot ongemakkelijke situaties, weerstand moet kunnen overwinnen, ergens moeite voor moet kunnen doen.’

De voortdurende aanwezigheid van schermpjes tussen onszelf en de werkelijkheid beperkt het vermogen ons in te leven in anderen en de wereld vanuit hun perspectief te bezien, zegt hij. ‘Als we het steeds moeilijker vinden om met het ongemak van een spontaan gesprek in het reine te komen, dan krijgen we een publieke ruimte waarvan alle rafelrandjes zijn weggesneden, heel steriel. Dat is dan ook wel heel doodse realiteit.’ Volgens Schnitzler is voor het op peil houden van het sociale leven dus noodzakelijk om uit je eigen ‘filterbubbels en echoputten’ te stappen en in contact te blijven met andere leefwerelden die er ook andere waarden op nahouden. Dat leert je sceptisch te zijn over je eigen gelijk. Zijn advies is: ‘Zoek de fricties op!’

De scheiding van leefwerelden is geen vruchtbare bodem voor wat een samenleving vreedzaam kan houden: de tolerantie en de democratie. Verdraagzaamheid noch democratische gezindheid is mensen aangeboren. Ze moeten zich die kwaliteiten eigen maken in de leerschool die het sociale leven met al zijn fricties is. Daar krijgt de democratie haar gedaante van de kunst van het samenleven: het besef dat je met anderen leeft en lang niet altijd het laatste woord zult hebben of volledig je zin zult krijgen. In die morele betekenis is de democratie een institutie die mensen in het leven hebben geroepen om niet redeloos tegenover elkaar te staan en de ambiguïteit van het dagelijks leven met al z’n complexe verhoudingen en onzekerheden te verdragen.

Maatschappelijke polarisatie gaat dan ook samen met politieke. Overal waar tegenstellingen in de samenleving harder worden, winnen politici die een onderscheid maken tussen vriend en vijand veld. Anoniem gemaakt als bijvoorbeeld ‘elite’, ‘immigrant’, ‘moslim’, ‘kosmopoliet’ of ‘grootkapitaal’ fungeert die vijand als zondebok, tegen wie alle wrok over wat niet goed gaat wordt gericht.

Noreena Hertz schetst de samenhang tussen sociaal isolement en ontvankelijkheid voor de haatpolitiek van het rechts-populisme als volgt: ‘Hoe minder sociale banden we hebben, des te meer voelen we ons geïsoleerd, en hoe minder ervaring we hebben met het hanteren van verschillen en het meedraaien als lid van de gemeenschap, des te groter is de kans dat we onze medeburgers niet vertrouwen en de discriminerende en polariserende houding van de populisten aantrekkelijk vinden.’

Hannah Arendt concludeerde al in Totalitarisme dat ‘een geatomiseerde samenleving met een competitieve structuur en bijbehorende individuele verlatenheid’ de voedingsbodem is van autoritaire, antidemocratische politiek. Totalitarisme trekt volgens haar dan ook vooral aanhang bij degenen wier ‘hoofdkenmerken niet zozeer brutaliteit en achterlijkheid zijn, maar isolement en het gebrek aan normale sociale relaties’.

Tegen deze achtergrond schetste Kees Schuyt bij de aanvaarding van de Cleveringa-leerstoel in 2006 de ‘humanistische’ kijk op de democratie, met steekwoorden die alle het spiegelbeeld zijn van wat de rechts-populisten in hun taal stoppen: redelijkheid, tolerantie, geloof in de kracht van het argument, eerbied voor stilte, zelfbeheersing, liberaliteit, sefardische wijsheid, scepticisme, een groot vertrouwen in wetenschappelijke kennis én geestigheid. Deze democratische traditie vergt volgens Schuyt een permanente oefening in ‘moreel handelen’. Dat vereist in de eerste plaats het vermogen om subtiel te oordelen en niet alle verschijnselen en alle mensen over één kam te scheren. Mensen moeten de eigen dagelijkse ergernissen en ander klein leed in de juiste proporties kunnen zien en onderscheiden van onrecht dat er werkelijk toe doet.

Het tweede kenmerk van morele vaardigheid is beheerst en respectvol handelen, niet alleen tegenover vrienden maar ook jegens onbekenden, vreemdelingen, tegenstanders, zelfs tegenover vijanden. Schuyt vat samen: ‘Niet vloeken in de kerk, niet schelden in het parlement, niet onbekookt in woede uitbarsten op straat of op het internet.’

Het gaat in de derde plaats om de vaardigheid op metaniveau te oordelen, zegt Schuyt. Dat verlangt van mensen dat zij anderen niet louter de maat nemen aan de hand van hun eigen moraal of godsdienst, maar zich realiseren dat in de moderne samenleving velerlei godsdienstige opvattingen, morele stelsels en levensvisies het met elkaar moeten zien te rooien, van orthodox tot libertair. Generalisaties als ‘de’ moslims, ‘de’ christenen, ‘de’ joden, ‘de’ atheïsten, ‘de’ Nederlanders zijn dus uit den boze, om te voorkomen dat groepstegenstellingen zich verharden tot vijandbeelden.

Dat soort etikettenplakkerij is een herkenbaar beeld van deze tijd, zeker sinds na de stormachtige opkomst van Pim Fortuyn bleek dat uit intolerantie politieke munt is te slaan. Met hem en zijn politieke navolgers heeft de zondebokpolitiek veld gewonnen, een methode om de schuld bij ‘kwade krachten’ van buiten te leggen en de aandacht af te leiden van reële problemen als ongelijkheid en sociale ontbinding.

Wat is al met al in deze tijd een vruchtbare bodem voor een tolerante samenleving? In een goed functionerende democratie, waarin de verdraagzaamheid het wint van de zondebokpolitiek, moeten twee banden op orde zijn, zowel die tussen de overheid en de burgers als die tussen burgers onderling. Aan beide relaties schort nu het nodige. De verhouding tussen overheid en burgers is belabberd doordat dertig jaar dominantie van het neoliberalisme er zwaar heeft ingehakt: publieke diensten zijn verwaarloosd, de groeiende ongelijkheid heeft leefwerelden uit elkaar gedreven, achterdocht stempelt de bejegening die mensen met weinig geld en kansen vanuit de bureaucratie ten deel valt.

Inderdaad, Tjeenk Willink heeft gelijk, de overheid doet niet meer wat mensen van haar verwachten. De polarisatie van levenskansen die het gevolg is van dit overheidsfalen zet ook de verhouding tussen burgers onderling onder druk, met sociale desintegratie als gevolg. Bestrijding van de ongelijkheid en wederopbouw van het sociale leven zijn dan ook de trefwoorden van het politieke programma dat in deze tijd is geboden. En misschien krijgen wij in de Leidse Pieters- en Academiewijk dan ons grasveld langs de singel terug.

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van het openingshoofdstuk van Marcel ten Hooven (red.), Ware tolerantie: Hoe we onszelf kunnen zijn en elkaar toch kunnen verdragen. Het boek verschijnt op 20 april bij uitgeverij Van Gennep, naar aanleiding van het Coornhertjaar. Het is dit jaar vijfhonderd jaar geleden dat de Nederlandse humanist Dirck Volkertsz. Coornhert werd geboren. Zie ook coornherthaarlem.nl en coornhertstichting.nl