Sociale sculpturen beeldende kunst

Het openbaar kunstbeleid, die mooie sociaal-democratische droom, gaat door een moeilijke fase. Voorbij is de tijd dat gemeentebesturen de moraal van hun burgers konden verheffen door een zestien meter hoge stalen zuil op het dorpsplein te laten plaatsen die de ‘dynamiek en historie’ benadrukte en ook nog ‘het blikveld op de toekomst’ opende. Voorbij de tijd van inspraakloze, monumentale markeringspunten.

Wakkergeschud door een overheid die zich steeds minder om het economische welzijn van haar burgers bekommert, kwam het schorremorrie in opstand tegen het totalitaire openbare kunstbeleid. Wie aan zijn lot wordt overgelaten wenst ook geen ongevraagde kunst in zijn achtertuin. Kunst was dan misschien wel het medicijn, maar kunstenaars wellicht niet de beste dokters. De mensen wilden inspraak en kregen die.
‘Sociale sculpturen’ noemde de grote Duitse opbouwwerker Joseph Beuys het. Een feest of vergadering met buurtbewoners, een optocht of een demonstratie. Kunst naar de mensen toe, weet je wel. De politiek reageerde enthousiast. Eindelijk verlost van ellenlange raadsvergaderingen en vertrouwenscrises over de aankoop van een reusachtige verzilverde drol en bevrijd van de nooit geheel te verdedigen vraag 'Is dít nou kunst?’ En ook de kunstenaars waren enthousiast. Nooit eerder was er zo veel en zo eenvoudig geld te krijgen voor een openbaar kunstwerk. En ook zij werden verlost van de lastige hamvraag, want het 'proces’ was immers het kunstwerk?
Inmiddels is er sprake van een echte rage, en is er waarschijnlijk geen dorp meer in Nederland waar niet een kunstenaar iets met de bewoners aan het 'onderzoeken’ is. De kunstenaar als sociaal werker is gretig in het gat gesprongen van de wegbezuinigde thuiszorg. Wederom de kunstenaar in de rol van dokter, maar een die de patiënt zelf laat bepalen welk medicijn het beste is.
Afgelopen zomer was de Schutterswijk in Gorinchem, bijgenaamd Het Kremlin, onderwerp van een sociale sculptuur getiteld: Kremlingeheugen. Onder leiding van beeldend kunstenaar Adriaan Nette klopten vijf kunstenaars en dichters bij de buurtbewoners aan. René Klarenbeek schilderde op verzoek een deur in het huis van de bewoners in een door hen gekozen kleur, Martijn Engelbregt enquêteerde de bewoners over 'het meest democratische kunstwerk ter wereld’, Aart Langewaard en Ineke Werther trokken de wijk in om anekdoten en kinderliedjes te registreren en uiteindelijk op een cd te verzamelen, en Moustafa Stitou schreef gedichten op de buurt.
Er is op zich niets mis met het idee om 'iets met de mensen uit de buurt’ te doen en er in de loop van het project kunst van te maken. Maar de hier getoonde sociale betrokkenheid is uiterst dubbelzinnig en zou vermoedelijk nooit hebben bestaan als de politiek er niet zo enthousiast op gereageerd had. Bovendien voedt het het immer sluimerende vooroordeel dat autonome kunst niet maatschappelijk relevant is en graven de driftig enquêterende en naar volkse prietpraat luisterende kunstenaars hun eigen graf. 'U bent kunstenaar? Gaat u dan maar havenarbeiders interviewen over de zinloosheid van hun bestaan.’ Goede kunst is maatschappelijk relevant, juist omdat het zich onttrekt aan het alledaagse. Maatschappelijk werk, thuiszorg en sociale betrokkenheid zijn enorm relevant. Maar het is geen kunst. Dit soort sociale sculpturen zijn bijna nooit maatschappelijk relevant omdat ze slechts laten zien wat er al is. Zonder visie en zonder uitspraak.
Hoogste tijd dus voor weer een groot aantal reusachtige, ongewenste, uitzichtbelemmerende en sfeerbedervende objecten. Want alleen wat maatschappelijk irrelevant is heeft het in zich relevante kunst te zijn.