Buitenland

Socialisme

De kalverliefde voor Bernie Sanders is voorbij. De man die de Democratische nominatie wilde winnen klonk sympathiek, maar hij was nooit een realistische kandidaat voor het Amerikaanse presidentschap. Zijn programma was deels aantrekkelijk, deels populistische prietpraat, deels gevaarlijke nonsens. Zijn kwalificaties waren mager. Het is waar: zijn motto, ‘feel the burn’, was een trouvaille.

De kalverliefde voor Bernie Sanders is voorbij. De man die de Democratische nominatie wilde winnen klonk sympathiek, maar hij was nooit een realistische kandidaat voor het Amerikaanse presidentschap. Zijn programma was deels aantrekkelijk, deels populistische prietpraat, deels gevaarlijke nonsens. Zijn kwalificaties waren mager. Het is waar: zijn motto, ‘feel the burn’, was een trouvaille.

Sanders is een zelfverklaard socialist, maar werkt in de Senaat onder de vlag ‘onafhankelijk’. Hij brak bij de Democraten in bij gebrek aan een socialistische partij die hem kon kandideren. Nu Bernie in zijn buitenhuis aan Lake Champlain overdenkt hoe het verder moet met zijn beweging komt de vraag op: waarom heeft Amerika geen sociaal-democratische partij?

Ooit was Amerika de grote hoop van Karl Marx en zijn volgelingen. In het meest geïndustrialiseerde land leken de ‘objectieve voorwaarden’ aanwezig voor een robuuste arbeidersbeweging. In een interview in 1879 zag Marx een revolutie in de VS ‘als natuurlijke uitkomst van de ontwikkeling’. Daar leek het wel op. Aan het eind van de negentiende eeuw, na 1893, tijdens de diepste economische crisis die Amerika ooit had meegemaakt, waren er grote stakingen met gewelddadige confrontaties. Anarchisten waren actief, een van hen vermoordde in 1901 president McKinley. Er was ook een Socialist Party of America, met van 1900 tot 1920 de fascinerende Eugene Debs als presidentskandidaat. Maar uiteindelijk nam de ‘onvermijdelijke loop van de geschiedenis’ in Amerika een andere afslag.

‘Het is ons lot als natie om niet een ideologie te hebben maar er een te zijn’

Zoekend naar een verklaring schreef Friedrich Engels in 1890 dat Amerikanen ‘conservatief geboren worden – juist omdat Amerika zo puur bourgeois is, zo totaal zonder feodaal verleden en daarom trots op zijn pure bourgeois organisatie’. Hij had het bij die eerste drie woorden kunnen laten. In een klassiek geworden boek analyseerde de Duitse socioloog Werner Sombart in 1906 waarom er in de VS geen socialisme was. Sombart stelde vast dat de gemiddelde Amerikaanse arbeider behoorlijk tevreden oogde. Hij geloofde in sociale mobiliteit, accepteerde inkomensverschillen, was relatief vrij en gericht op zelfwerkzaamheid. Hij had een hekel aan de overheid. Nationalisatie van de productiemiddelen paste niet echt.

Wel was er een flinke kloof tussen al gevestigde arbeiders en nieuwkomers, verse immigranten die bereid waren onder zowat alle omstandigheden te werken, ook als stakingsbrekers. Ze zorgden voor een ‘reserveleger van beschikbare arbeid’, de macht van een arbeidersbeweging verzwakkend. Ten slotte was er die beroemde frontier. De arbeider die het niet beviel, maakte geen revolutie maar trok gewoon verder, ‘ontsnapte naar de vrijheid’.

Amerikaanse arbeiders stonden niet vijandig tegenover het kapitalisme als systeem. Het werkte voor hen, meenden ze, en ook die nieuwkomers hadden het stukken beter dan in het Europa dat ze achterlieten. De werkende klasse kreeg quasi-middenklasse-overtuigingen. Er was onvoldoende Verelendung en te veel vals klassenbewustzijn.

De vereerde grondwet, met als eerste woorden We the people…’, maakte dat Amerikanen anders in het leven stonden (en staan) dan Europeanen. Zoals historicus Richard Hofstadter het zei: ‘Het is ons lot als natie om niet een ideologie te hebben maar er een te zijn.’ Daar kon socialisme niet tegenop. Tegelijkertijd kun je vaststellen dat Amerika zijn eigen sociaal-democratische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet ideologisch, maar op z’n Amerikaans: pragmatisch en ad hoc. Niet geleid door socialisten maar door Democraten en Republikeinen.

Het tweepartijensysteem blijkt goed in het absorberen van nieuwe ontwikkelingen, zoals nu ook Bernie Sanders heeft ontdekt. Theodore Roosevelt voerde tussen 1901 en 1909 de progressieve agenda van de populisten uit. Franklin Roosevelt redde in de jaren dertig het Amerikaanse kapitalisme en schiep een moderne overheid. Eisenhower bracht de gewone man ongekende rijkdommen. Het was Richard Nixon die de grootste uitbreiding realiseerde van Lyndon Johnsons sociale programma’s. Barack Obama redde het 21ste-eeuwse kapitalisme. Voor zijn moeite werd hij uitgescholden voor socialist en erger.

Voor een derde partij viel er nooit veel eer te behalen. Geen wonder dat Sanders het probeerde via de Democratische Partij, die daar natuurlijk niet erg enthousiast over was, maar wel een deel van zijn agenda overnam. Zo gezien heeft Sanders het maximale bereikt: hij verschoof de naald een beetje naar links. Die socialistische partij gaat er niet komen, maar het is de verdienste van Sanders dat socialisme geen scheldwoord meer is en de Democraten een beetje linkser zijn.