Ayolt de Groot, Laurens ten Cate

Socialist uit heilzame woede

Er wordt nog wel eens gesuggereerd dat Nederland ten tijde van de zogenoemde ‘verzuiling’ dichtgeplakt was met oude kranten, terwijl die kranten bovendien waren volgeschreven door kritiekloze journalisten, die volstrekt onderhorig waren aan de politieke bovenbazen van hun eigen ‘zuil’.

Hoewel veel kranten sterke banden met een politieke partij hadden, waren er toen heel wat kleurrijke hoofdredacteuren, die een veel sterker stempel drukten op de meningsvorming dan hun hedendaagse collegae. De stem van mannen als Lücker (de Volkskrant), Bruins Slot (Trouw) en Voskuil (Het Vrije Volk) had gezag, maar ook hoofdredacteuren van regionale bladen als de katholieke Louis Frequin (De Gelderlander) en de gereformeerde Hendrik Algra (Friesch Dagblad). Dat gold ook voor pacifist en sociaal-democratisch Tweede-Kamerlid Fedde Schurer van de uit het verzet voortgekomen Friese Koerier, en voor diens opvolger Laurens ten Cate. De laatste oefende die functie slechts korte tijd uit, van 1963 tot 1969, en bovendien op het moment dat het hele bouwwerk van de verzuiling in elkaar stortte.

De naam Laurens ten Cate (1922-1984), die na een auto-ongeluk in 1972 niet meer dan een schim van zichzelf was, zegt mensen jonger dan vijftig vermoedelijk niets meer. Daarom is het verheugend dat de in Ten Cate’s sterfjaar geboren Ayolt de Groot zijn prijswinnende scriptie over deze vergeten journalist heeft omgewerkt tot een handzaam boekje. Het gevoel dat blijft hangen nadat men De Groots goed geschreven portret heeft dichtgeslagen, is dat van tragiek. Allereerst is daar het een leven lang verzwegen feit dat Ten Cate in 1943 als student tot de kleine minderheid behoorde die de door de Duitsers geëiste loyaliteitsverklaring ondertekende. Hoewel hij kort daarna zijn studie opgaf, en dus niet ‘profiteerde’ van zijn daad, moet hij zich altijd geschaamd hebben. Wellicht is dat ook de reden dat hij na de oorlog zijn rechtenstudie niet oppakte, omdat hij zich dan voor een zuiveringscommissie had moeten verantwoorden.

Dat Ten Cate als zoon van een arts journalist werd, viel in zijn familie allesbehalve goed. Gelukkig maakte hij vlot carrière en werd hij in 1963 zowaar hoofdredacteur, zij het van de noodlijdende Friese Koerier. Deze socialistische maar niet-partijgebonden krant bood hem de mogelijkheid zich intensief met de Nederlandse politiek te bemoeien. Ten Cate zei altijd dat hij ‘socialist uit heilzame woede’ was, zodat het niet verbaasde dat hij zich aangetrokken voelde tot Nieuw Links, de beweging die de pvda flink wilde opschudden. Hoewel hij wat ouder was de meeste andere Nieuw Linksers werd hij in deze kringen enthousiast verwelkomd. ‘Ik hou van Holland omdat sedert God dood is Laurens ten Cate is verschenen’, riep de nimmer om loze kreten verlegen zittende Marcel van Dam uit.

Intellectueel gezien was Nieuw Links een woestijn, en onder de opstandige ‘jongeren’ bevond zich niemand die zich ook maar in de verste verte kon meten met oudere sociaal-democratische denkers als Willem Banning, Jacques de Kadt en Sal Tas, en zelfs niet met Joop den Uyl, die slechts drie jaar ouder was dan Ten Cate. In deze kring gold de Friese journalist dan ook al snel als een erudiet kenner van het socialisme, al maakt De Groot niet duidelijk in hoeverre we hier te maken hadden met een koning Eenoog. Hij laat zien dat Ten Cate een begaafd commentator was, maar nergens krijg je de indruk dat de man ook werkelijk diepzinnige beschouwingen en erudiete, richtinggevende essays schreef.

Al vrij snel raakte Ten Cate teleurgesteld in Nieuw Links, dat ineens bestond uit ‘bitse, querulerende en intrigerende warhoofden’ en ‘ratten op de trap naar de macht’ – wat exact overeenkwam met het oordeel van veel gematigde sociaal-democraten die zich door het optreden van deze groep niet langer thuisvoelden in hun partij. Terwijl hij drie jaar eerder nog had gepleit voor radicale democratisering van de samenleving kwam hij in 1969 tot de conclusie dat dit onmogelijk was: ‘De mensen hebben gewoon geen belangstelling (…) de mensen willen naar de televisie kijken, in de zon liggen.’

In diezelfde periode bereidde hij buiten medeweten van zijn redactie een fusie met de Leeuwarder Courant voor, waarbij hij de door Nieuw Links en hemzelf gepropageerde ‘openheid’ schuwde als een nachtvlinder het zonlicht. De Groot legt geen duidelijke relatie tussen dit handelen en zijn ideologische ommezwaai, maar het paste duidelijk in het karakter van Ten Cate, die zelf regelmatig toegaf dat hij niet leefde naar zijn idealen.

Hoewel hij bijzonder charmant en enthousiasmerend was, kon hij autoritair optreden en was hij bovendien zo wispelturig en onbetrouwbaar dat het moeilijk was om met hem samen te werken. Hoewel De Groot het niet expliciet stelt, krijg je de indruk dat hij het slachtoffer werd van zijn eigen mateloosheid. Zo lijkt het geen toeval dat zijn desastreuze auto-ongeluk plaatsvond na een bezoek aan de kroeg. Ook persoonlijke relaties liepen doorgaans op de klippen.

Laurens ten Cate was een begaafd journalist, die spits geformuleerde commentaren schreef, maar heeft weinig nagelaten. Martin van Amerongen, die hem ‘de enige regionale journalist met landelijk gezag’ noemde, verklaarde altijd dat een journalist aan zijn ‘oeuvre’ moest bouwen. Ten Cate heeft dat niet nagelaten, maar met dit fraaie boekje heeft Ayolt de Groot alsnog een monumentje voor hem opgericht.

1968 – ‘Ik hou van Holland omdat sedert God dood is Laurens ten Cate is verschenen’

_* * *_Ayolt de Groot
Laurens ten Cate: Portret van een socialistisch journalist
Bert Bakker, 183 blz., € 19,95