Essay: Controlemaatschappij China

Socialistische markteconomie

Ook al is de communistische leer uitgehold, het systeem van de eenpartijdictatuur is in China nog volop van kracht. In de controlemaatschappij vol bewakers en verklikkers moeten wetenschappers, ondernemers en intellectuelen nu de steunpilaren van de partij worden in plaats van het proletariaat en de boeren. Intussen groeit de kloof tussen arm en rijk.

Mijn vader is 92. Nog afgezien van twee wereldoorlogen heeft hij in zijn leven op ongeveer alle gebied meer zien veranderen dan al zijn voorouders bij elkaar. Toch zijn zijn ervaringen bescheiden vergeleken bij die van zijn Chinese leeftijd genoot Yan Puteng.

Yan werd geboren in een feodale maatschappij. Grootgrondbezitters hadden de macht, boeren waren lijfeigenen, huwelijken werden gearrangeerd. Van vrouwen werden de voeten afgebonden, alleen de elite kon lezen en schrijven en de keizerlijke bureaucratie maakte de dienst uit. Yan was drie toen de Qing-dynastie werd verjaagd door de Kwomintang, de uit de bolsjewistische familie voortgekomen Nationalistische Partij van Sun Yat-sen. Het ruim tweeduizend jaar oude keizerrijk werd een republiek. Yan was maar een paar jaar jonger dan Pu Yi, de laatste keizer, dankzij filmregisseur Bernardo Bertolucci ook bij ons bekend.

Daarna heeft Yan Puteng alles meegemaakt: geweld van krijgsheren, massamoorden, sociale beroeringen, opkomst van de communistische partij als de linkervleugel van de nationalistische Kwomintang, burgeroorlog tussen nationalisten en communisten, het verschrikkelijke epos van de Lange Mars, Japanse bezetting, opnieuw burgeroorlog, en ten slotte de vlucht van de Kwomintang naar Taiwan. Met de overwinning van Mao Zedong werd de republiek een volksrepubliek. Als 41-jarige voelde Yan zich een overlevende.

Met de bevrijding begon een nieuwe tijd. Een tijd van moorden en geweld, van fanaten en verklikkers, maar ook een tijd van begeestering, nationale trots en een werkelijk geloof in de Nieuwe Mens. Mao was de nieuwe keizer, een Zoon van de Hemel in marxistische uitdossing, wiens woord letterlijk wet was. Zijn Grote Sprong Voorwaarts stortte dertig miljoen Chinezen in de hongerdood. Maar een hemelzoon is onfeilbaar. Daarom bleef de massa, waaronder Yan, de Grote Stuurman vereren.

Om zijn vijanden in de communistische partij uit te schakelen, ontketende deze ongeëvenaarde despoot de ene campagne na de andere, totdat een hele generatie jongeren in staat van verblinding achter de verwoestende Culturele Revolutie aan holde. Na deze ramp stierf de vader van het Nieuwe China. De revolutie had haar kinderen verzwolgen. China moest opnieuw worden uitgevonden. Ook van dat verbijsterende proces is Yan getuige geweest.

De nieuwe leider Deng Xiaoping, die onder Mao herhaaldelijk in ongenade was gevallen wegens afwijkingen naar rechts, zag in dat hij het volk een nieuw ideaal moest geven om de partij aan de macht te houden. Niet meer de ideologie, maar het geld moest de drijvende kracht worden. Met de planeconomie was dat volkomen onmogelijk. Buitenlands kapitaal was nodig om het land te ontwikkelen. Plotseling werd Yan verteld dat de buitenlanders, die vermaledijde mensensoort die de Chinezen slechts klein wilde houden en vernederen, meer dan welkom waren, mits ze kapitaal meebrachten.

In twintig jaar tijd is China meer veranderd dan in zijn hele voorafgaande geschiedenis. De transformatie waar West-Europa anderhalve eeuw over heeft gedaan, kwam in China binnen één generatie tot stand. Oude steden gingen op de schop, de productie rees weldra de pan uit, het aantal vaste telefoons steeg van bijna nul tot 110 miljoen, het aantal criminelen navenant, en het gilde der hoeren maakte een glorieuze rentree. De kameraad werd meneer. De meneren ontdekten een andere vorm van klassenstrijd: het koste wat het kost puissant rijk worden, en dat zo snel mogelijk. Het is hun gelukt. Yan herkent zijn eigen land niet meer.

Verder dan de economie mocht de liberalisering niet gaan. Onder de derde leidersgeneratie rond Jiang Zemin is dat zo gebleven. Eén keer dreigde het systeem overstag te gaan. Dat was in het magische jaar 1989. Sommige partijleiders steunden de studentenbetogingen tegen de corruptie en voor meer vrijheid. Maar de Oost-Europese democratiseringsgolf liep te pletter op de tanks van Tiananmen

De meeste Chinezen hebben nog nooit van deze revolte gehoord: de media hebben haar verdonkeremaand en op school is deze «contrarevolutionaire opstand» onbespreekbaar. Yan heeft de tanks wel gezien maar hij praat er niet over.

Ongetwijfeld mogen de Chinezen tegenwoordig veel meer dan vroeger. Maar op politiek gebied mogen ze nog altijd weinig anders dan hun leiders napraten. Het volkrijkste land ter wereld blijft een totalitaire staat waarin een paar duizend mensen de spraakmakende gemeente vormen en de beslissingen worden genomen door de acht leden van het Vaste Comité van het Politburo

Europeanen klagen dat ze niet mogen meedoen aan de verkiezingen in het machtigste land van de wereld, de Verenigde Staten. Maar de Amerikanen kunnen tenminste kiezen, een recht dat de 1,3 miljard Chinezen, of misschien zijn het er wel tweehonderd miljoen meer, wordt onthouden. In zijn hele lange leven heeft Yan nog nooit een stembiljet gezien, behalve in wijkverkiezingen voor kandidaten die door de partij zijn aangewezen.

Elf jaar geleden voorspelde iedereen het einde van het Chinese communisme. Nee dus. Waarom is het communisme in Rusland teloorgegaan en heeft het tot dusverre overleefd in China? De belangrijkste verklaring is waarschijnlijk dat de Chinese leiders op tijd hebben ingezien dat de planeconomie niet werkt. Het is een probaat systeem om mensen aan een baan te helpen en ze via die baan te controleren, het werkt ook prima om partijnotabelen als managers van staatsbedrijven aan leuke neveninkomsten te helpen en hen daardoor tevreden te houden, maar als systeem om ontwikkeling en welvaart te brengen is het onbruikbaar gebleken.

De Russische leiders zagen machteloos toe hoe de economie op de fles ging. De gewone man verloor het laatste sprankje hoop in een systeem dat hem — het was hem van kinds af aan ingestampt — zou verheffen uit zijn ellende. Ten slotte viel de rotte appel uit zichzelf van de boom.

In China heeft de partij het niet zo ver laten komen. Rusland is voor de Chinese leiders het afschrikwekkende voorbeeld dat hun leert wat je vooral niet moet doen als je de macht wilt houden.

In China was de markteconomie al in opmars toen in Oost-Europa en Rusland de planeconomie ten onder ging. Geld werd voor de Chinezen de almachtige stimulans en het onderwerp in negen van de tien gesprekken. Dit heeft, zelfs als men de notoire onbetrouwbaarheid van de Chinese statistieken incalculeert, geleid tot groeicijfers waarvan andere landen slechts kunnen dromen. Allicht: het startniveau lag zo laag dat de economische reorganisatie al snel kolossale gevolgen had. Bovendien kwam het buitenlandse kapitaal op China af als vliegen op de stroop, verlokt door haast verwaarloosbaar lage loonkosten en het zinsbegoochelende perspectief van een markt met meer dan een miljard consumenten.

Zonder economische hervormingen zouden de Chinezen steeds luider zijn gaan morren, en dat had op den duur levens gevaarlijk kunnen worden voor het regime. Nu zijn Chinezen van nature niet protesteerderig aangelegd, anders hadden ze de totalitaire systemen van de afgelopen paar duizend jaar niet getolereerd. Ze hebben een ingeboren respect voor de leider, of dat nu de keizer of de partijbaas is. Confucius weet daar meer van. Wanneer een keizersdynastie door een boerenopstand ten val werd gebracht, dan was dat omdat de collectieve overleving in gevaar was gekomen. De dynastie die volgde was weldra even absolutistisch als de voorafgaande.

De enige democratische experimenten die China heeft gekend, waren ten tijde van het Kwomintang-bewind, maar die werden verstikt door de burgeroorlog, de Japanse bezetting en de komst van een nieuwe dynastie. Voorzitter Mao beriep zich niet op het mandaat van de hemel maar op dat van het volk. Voor een zegevierende revolutie is die legitimatie geheel in orde. Maar als de revolutie vergrijst, als ze geïnstitutionaliseerd, uitgehold en verraden wordt, is ze niet vanzelfsprekend meer. Vraag maar aan de leiders van Mexico’s Institutionele Revolutionaire Partij, die onlangs na zeventig jaar machtsmonopolie het veld heeft moeten ruimen.

Het door Deng Xiaoping geformuleerde principe «rijk worden is glorieus» verschafte de communistische partij nieuwe legitimatie. Rijk worden, dat wil iedereen wel. Wie zal er protesteren tegen een bewind met zo'n uitgangspunt? Daarnaast bood de ommezwaai voor de partij nog een ander voordeel: de depolitisering van de samenleving. Wie uit is op geld verdienen, heeft geen tijd en geen zin om zich met politiek bezig te houden. Voor een autoritaire partij is dat een grote zorg minder. Ze heeft niet te maken met een sterke dissidente beweging zoals destijds in de Sovjet-Unie. Politiek is in China haast een vies woord geworden. De pers houdt zich er zo weinig mogelijk mee bezig, want politiek verkoopt niet, en zelfs de officiële partijorganen doen water bij de wijn om niet uit de markt te worden geprezen. Na de verhitte Mao-jaren waarin de Chinezen opstonden met politiek en ermee naar bed gingen, had de verandering niet groter kunnen zijn.

Maar wat heeft dit allemaal nog met communisme te maken? Verbale acrobatieën zoals «socialisme met Chinese karakteristieken» en de paradox «socialistische markteconomie» houden geen stand tegen de realiteit: een kloof tussen arm en rijk die het wildste kapitalisme niet zou misstaan, een hemeltergende sociale ongelijkheid, een samenleving waarin alleen positie, macht en invloed tellen, een maatschappij waarin belangrijke vrienden en steek penningen meer vermogen dan alle wetten en regels bij elkaar.

Volgens de officiële leer is deze toestand slechts tijdelijk. In de beginfase van het socialisme — na 51 jaar staat het Chinese socialisme nog slechts in de kinderschoenen — is ongelijkheid nu eenmaal onvermijdelijk. Sommigen zullen helaas eerder rijker worden dan anderen, totdat ten slotte iedereen even rijk en dus weer gelijk is geworden. Dan zal de eindtoestand van het communisme van de overvloed zijn bereikt. En dit alles onder de wijze en onfeilbare leiding van de Chinese communistische partij. Help!

De leer mag dan zijn uitgehold, het systeem is nog lang niet dood. De eenpartijdictatuur is nog volop van kracht. Dat betekent dat de partij, dat wil zeggen het Politburo, altijd gelijk heeft en geen tegenspraak duldt. De beslissingen komen op volkomen ondoorzichtige wijze tot stand. Alle geledingen van de staat en alle staatsmachten, de pers inbegrepen, staan onder controle van de partij, die ook zichzelf controleert.

De tijd van de volstrekte wetteloosheid is voorbij, maar de heerschappij van de wet moet nog altijd wijken voor die van de partij. China is geen rechtsstaat zolang de rechters ondergeschikt zijn aan de partij en zolang er wetten zijn die slechts de partij dienen en spotten met het recht. Het recht op vrije meningsuiting bijvoorbeeld, of dat op vereniging en vergadering. En als puntje bij paaltje komt, bijvoorbeeld wanneer in de strijd tegen de corruptie te hoge hoofden dreigen te vallen, staat de partij boven haar eigen wet en blijven de hoofden op hun plaats.

Nog altijd is China een controlemaatschappij, vol politie, bewakers en verklikkers. Nog altijd is het verstandig om lid te worden van de partij als je carrière wilt maken, al ben je de grootste kapitalist. En nog altijd wordt iedere poging om onafhankelijke geluiden te laten horen of zich buiten de partij om te organiseren, laat staan om openlijk te protesteren, in de kiem gesmoord, want voor je het weet escaleert zo'n beweging tot een nieuw Tiananmen-protest.

De leiders van de jonge, snel ontmantelde Chinese Democratiepartij weten daar meer van. Stuk voor stuk zijn ze tot vele jaren gevangenisstraf veroordeeld. Vraag het aan de organisatoren van verboden discussiegroepen, congressen of tentoonstellingen. Vraag het aan de boeren die demonstreren tegen de plaatselijke partijbonzen, ware uitzuigers die zich nauwelijks anders gedragen dan vroeger de feodale heren. Vraag het ook aan de leden van de zwaar vervolgde qi gong-sekte Falun Gong. Deze mediterende ademhalingsgymnasten zijn schuldig aan het eigenmachtig organiseren van activiteiten die zich aan de controle van de partij onttrekken. Ze zijn echter zo talrijk en als ware martelaren houden ze zo verbeten vast aan hun geloof, dat uitroeiing onbegonnen werk lijkt.

Op economisch gebied heeft de staat, de partij dus, een deel van de macht moeten overdragen aan de markt. De particuliere sector is de motor van de economie geworden. Maar de economische macht van de partij is nog altijd zeer sterk. De vijfjarenplannen en de verregaande staatsinterventie in het economisch leven hebben een remmend, zelfs soms ontwrichtend effect op het marktmechanisme. De staat is eigenaar van alle grond en via de staatsbedrijven de grootste werkgever. De staat bepaalt wie wat waar gaat investeren en draagt de staatsbanken op waar het krediet heen moet gaan. Dat gaat bijna altijd naar de staatsbedrijven, hoezeer hun structuur en vaak zelfs hun bestaan ook vloekt met de markteconomie. Het laatste woord in deze bedrijven hebben vaak nog altijd de partijbazen en niet de managers.

De partijleiding heeft na stevige schermutselingen gekozen voor een verdere opening van de economie. Zonder opening immers geen groei, zonder groei geen politieke legitimatie van het regime, en zonder beide geen sociale stabiliteit maar onlusten en opstanden. Economische hervormingen dus als voorwaarde voor politieke onbeweeglijkheid. Daartoe heeft Jiang Zemin dit jaar een nieuwe theorie ontwikkeld, die leert dat de partij, laat Mao het niet horen, de voorhoede vertegenwoordigt op het gebied van technologie, economie en cultuur.

Volgens deze doctrine hebben wetenschappers, ondernemers en intellectuelen het proletariaat en de boeren dus verdrongen als steunpilaren van de partij. Sommigen zien daarin een hoopgevende ontwikkeling in sociaal-democratische richting. Inderdaad wordt in Peking de sociaal-democratisering van de ex-communistische partijen van Oost-Europa bestudeerd, maar de partij peinst er niet over haar politieke monopolie op te geven. Een sociaal-democratie zonder democratie? Het zou de eerste keer zijn dat in een totalitair systeem een roos-in-de-vuist zou opbloeien.

Maar afgezien van die kwadratuur van een cirkel: waar moet het in China in hemelsnaam naar toe? De huidige leiding van de communistische partij ziet China als een toekomstige wereldmacht die intensief handel drijft met het Westen maar zich tegen verwesterlijking fel verzet. Ideologisch zal men blijven vasthouden aan wat neomarxistische rimram waarin niemand meer gelooft. Die leegte moet worden opgevuld met de ideologie die bijna alle Chinezen is aangeboren: het nationalisme. Dit gebeurt nu al en het werkt. Dat bleek bijvoorbeeld uit de fanatieke betogingen na het Navo-bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado. Het blijkt ook uit de onbespreekbaarheid in China van de onafhankelijkheid van Taiwan.

Nationalisme alleen brengt echter geen rijst in de kom. De modernisering en liberalisering van de economie kent veel winnaars, maar vooralsnog veel meer verliezers: de ontslagen werknemers van aftandse, failliete of leeggestolen staatsbedrijven, de boeren voor wie steeds minder werk is, de miljoenen die door de afbraak van Mao’s verzorgingsstaat tot armoede vervallen. En dit is nog maar een begin.

De lange hindernisrace naar China’s lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie WTO is nu zo goed als voorbij. De sociale schokeffecten van deze toetreding zullen de eerste jaren enorm zijn. Bij weggeconcurreerde staatsbedrijven zullen hele volksstammen worden ontslagen. Boeren zullen hun producten aan de straatstenen niet meer kwijt kunnen vanwege verlaging van de tariefmuren en betere kwaliteit van de importproducten. De trek naar de steden zal onhoudbaar worden. Het hele Chinese productieapparaat, nog grotendeels een overjarige erfenis uit planeconomische tijden, zal moeten worden omgebouwd.

De autoriteiten zijn al volop bezig met pogingen om de schokeffecten te dempen. Met uitzonderings- en overgangsmaatregelen, met ontsnappingsclausules en trucjes zullen ze proberen de schade beperkt te houden, in de hoop dat na een paar jaar de positieve effecten van het WTO-lidmaatschap zich zullen laten gelden. Wanneer eenmaal de economie is gesaneerd, hoopt de partij — nog altijd zonder enige politieke concurrentie — onbeperkt aan de macht te blijven.

Stel dat de problemen die zich tijdens de overgangsfase zullen voordoen beheersbaar blijven, zullen de Chinezen dan zo geabsorbeerd worden door de race naar de rijkdom dat ze geen tijd en geen zin hebben om zich met politiek te bemoeien? Of zal de snel uitdijende middenklasse genoeg krijgen van de bevoogding? Overal ter wereld wensen welvarende, denkende mensen niet behandeld te worden als kinderen voor wie beslist wordt. Ze willen zelf uitmaken wat ze doen en laten en wat ze goed of slecht moeten vinden. Ze moeten niets hebben van censuur op internet, in de pers en in de cultuur. Ze willen invloed hebben. Ze streven naar politieke macht.

Naarmate China verder opengaat, zullen meer mensen zich bewust worden van hun rechten. Ze willen geïnformeerd worden, ze willen rechtszekerheid, ze zullen belangenorganisaties vormen en het recht opeisen om te protesteren en te staken. Waarschijnlijk zullen ze ontdekken dat mensenrechten een universele waarde hebben. Zal ook in China economische ontwikkeling tot democratie leiden?

De partij staat voor het zwaarste dilemma uit haar bestaan. Ze kan niet anders dan de economische ontwikkeling krachtig bevorderen en het land integreren in de wereldeconomie, zelfs als ze daarvoor voor het eerst supranationale wetten zal moeten naleven. Anders valt China uit de boot en dat kan gemakkelijk leiden tot een sociale explosie, die voor de partij dodelijk kan zijn. Het ergste scenario kan dan werkelijkheid worden: chaos en ontbinding van de partij. De «Russische oplossing» dus.

Maar ook de ontwikkelingsstrategie is voor de partij levens gevaarlijk. Ontwikkelde mensen willen immers leven in een rechtsstaat. Een dictatuur kunnen ze slecht verdragen, vooral als dat regime voor een groot deel wordt gedragen door zakkenvullers en afpersers. De overgangstijd zal extra gevaarlijk zijn.

Nu al wemelt het in China van lokale protesten. Boeren protesteren tegen de bloedzuigers van de lokale partijbesturen, arbeiders tegen de massaontslagen, bejaarden tegen de niet-uitbetaling van hun pensioen. Deze protestgolf kan alleen maar hoger worden naarmate de verzorgingsstaat en de planeconomie verder worden afgebroken, zodat van het communisme slechts een lege huls overblijft.

Niets wijst erop dat de huidige partijleiding de tekenen van de tijd heeft verstaan. Protesten drukt ze met een Pavlov-reflex de kop in. In plaats van een geleidelijke overgang te bevorderen naar meer democratische verhoudingen, gaat ze met een overkill tekeer tegen alles en iedereen die ze beschouwt als een gevaar voor de «sociale stabiliteit», een andere term voor de continuïteit van het machtsmonopolie van de partij. Aan de vooravond van de toetreding tot de WTO heeft de repressie in China een niveau bereikt dat sinds het neerslaan van de Tiananmen-rebellie van 1989 niet meer zo hoog is geweest. Als de rede niet doorbreekt, lijkt China hard op weg een schoolvoorbeeld te worden van wat je niet moet doen om de gevreesde rampspoed te voorkomen.

Misschien zal Yan Puteng het partijcongres van 2002 nog meemaken. Dan breekt wellicht een jongere generatie door, die de strijd gaat aanbinden met de politieke sclerose van een systeem waarvan de man die even oud is als mijn vader de geboorte, groei, bloei en crisis heeft meegemaakt. Zal hij het einde nog beleven?