Essay Pierre Bourdieu (1930-2002)

Sociologie is een vechtsport

Oussama Cherribi werkte samen en was bevriend met Pierre Bourdieu, de Franse socioloog die op 23 januari overleed. Eén van diens Leitmotiven was de ontworteling van de Algerijnse bevolking, zowel in eigen land als in de migratie.

De Franse kwaliteitskrant Le Monde opende op 25 januari prominent: «Pierre Bourdieu est mort». Een beetje alsof er een staatsman was overleden. Het enfant terrible, de lieveling en het geweten van de Franse sociologie is op 23 januari in Parijs aan kanker overleden. Hij werd 71 jaar oud.

Maar niet alleen Le Monde, ook de Libération, een even gerespecteerde krant maar uit de linkse erfenis van 1968, ruimde verschillende pagina’s in om de ongemakkelijke held te herdenken. Vergelijkbaar was misschien alleen het in memoriam van de Libé van een paar jaar terug bij de dood van Hugo Pratt, de striptekenaar en geestelijk vader van kapitein Corto Maltese. Die gaf hij in zijn zwaar geïnkte strippagina’s vorm als de vrijbuiter die zonder enig probleem de grote werken van de filosofie, zijn hang naar verre horizonten en het dagelijkse werk van een zelfstandige kapitein op de grote vaart in een koloniale wereld aan elkaar koppelde.

Bourdieu en Corto Maltese lijken wel op elkaar. De kapitein met ongewone vrienden was iemand die nooit een blad voor de mond nam, altijd belandde in de vreemdste avonturen, vaak op zijn agressiviteit moest vertrouwen, maar het steeds redde door de magie van zijn verwondering over het vreemde. En dat leverde hem uiteindelijk meer vrienden dan vijanden op, of misschien beter gezegd: meer mensen die hem respecteerden.

Het album waarmee Pratts Corto Maltese (nog immer is niet duidelijk wie nu wiens alter ego is: de vader of de stripfiguur) doorbrak, heette niet voor niets Toujours un peu plus loin, altijd een stapje verder of te ver.

De vergelijking van de twee, Pratt en Bourdieu, is niet zo vreemd. Bourdieu maakte een soortgelijke doorbraak. Hij studeerde na zijn middelbare school filosofie in de beste Franse traditie. Maar hij vond het allemaal te mager. De rauwheid van het werkelijke leven was voor hem een onontbeerlijk medicijn om zijn ideeën in een studeerkamer te kunnen uitwerken. Op redelijk jonge leeftijd, hij was toen 25, werd hij docent aan de Universiteit van Algiers, de hoofdstad van toen nog de belangrijkste Franse kolonie. Alle ingrediënten van de deconfiture van het Europese kolonialisme waren toen reeds aanwezig — Indonesië tellen we even niet mee, dat hoort nog bij de Tweede Wereldoorlog en niet bij de moderniteit: een arrogante en corrupte ambtenarij die zich kon handhaven door de macht van het leger en collaboratie van het lokale bestuur; een onderwijssysteem dat volledig op de Franse situatie was toegeschreven. Een beetje zoals in de nadagen van het Nederlandse kolonialisme in Suriname de leerlingen daar nog te horen kregen dat de Rijn bij Lobith «ons» land binnenstroomt.

Dat maakt de man woedend. En achteraf gezien is naast wetenschappelijke en maatschappelijke verwondering, zijn woede zijn grote drijfveer geweest. Bourdieu stelt zich op dat moment de eenvoudige vraag hoe zijn leerlingen en studenten die situatie beleven en waarnemen. Bij zijn scriptie in 1953 houdt hij zich nog bezig met hoogdravende onderwerpen als Leibnitii animadversiones in partem generalem principiorum Cartenisianorum «vertaald uit het Latijn en van commentaar voorzien door Pierre Bourdieu». In 1958, drie jaar na zijn aanstelling in Algiers, verschijnen meteen drie publicaties van hem: Sociologie de l’Algérie, La culture Moza bite en France tu dors (Frankrijk, je slaapt). Daar tekent zich al één van zijn Leitmotiven af: de ontworteling van de Algerijnse bevolking, zowel in eigen land als in de migratie. De latere ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten tot op de dag van vandaag vallen niet te begrijpen zonder deze notie van ontworteling, die een allesbeheersende factor is van deze samenlevingen, die bij voorbaat hebben verloren in hun concurrentie met het moderne Westen. Le déracinement (De ontworteling), dat hij samen met Abdelmalek Sayad publiceert, kan wat betreft analyse en inzicht nog steeds wedijveren met wat in de decennia daarna is verschenen.

Hij ziet zijn studenten en hun families met nieuwe ogen. Mensen waar hij zelf wat van kan leren. En de vraag die hem vanaf dat moment niet meer loslaat, is: hoe is het mogelijk dat mensen machtsstructuren zo verinnerlijken dat ze zichzelf daarbij als het ware onderdrukken? Hij praat eindeloos met zijn studenten, hij gaat op pad en geen onderwerp is hem te gek. Hoe zit een huis van Arabieren in elkaar, en wat is het verschil met dat van Berbers? — want Algerije is altijd een multi-etnische streek geweest.

Kabylië, het Algerijnse Noorden waar de «vrije mannen» (ofwel «Amazighen», zoals Berbers zichzelf noemen en wat zoveel betekent als «vrije mens») wonen, laat hem nooit meer los. De Kabylische cultuur, die al vijfduizend jaar geleden over een schrift beschikte, en eerder matriarchaal dan patriarchaal is, heeft zich nooit neergelegd bij de Arabische en later de Franse overheersing. Bourdieu’s geestverwant Mohammed Arkoun, zelf Algerijns Berber, zegt het zonder omhaal: de reikwijdte van de islam en het kolonialisme kwam in de Berberse streken nooit verder dan het bereik van het leger.

Dit is het moment waarop bij Bourdieu de sociologie definitief de partner wordt van de filosoof. De socioloog houdt zich niet alleen bezig met zijn onderzoeksonderwerpen. Dat zijn er veel: onderwijs, arbeidsverhoudingen, huisvesting, kunst, het banksysteem, vrouwenrechten, ecologie, het nut van de Franse geboorte, musea en hun publiek, de media, schrijvers. Maar er begint ook steeds meer een ondertoon van activisme door te klinken in zijn werk. Hij gaat linken leggen en zijn venijnige observaties hebben dan ook een echo in de titels van zijn werk: Arbeid en arbeiders in Algerije (1963), of een ook nu nog actueel Le malentendu de la langue d’enseignement (misverstanden over de taal waarin onderwijs wordt gegeven, 1961). Tot aan zijn dood zou hij een luis in de pels blijven van het Franse onderwijsestablishment.

Rond die tijd is er een omslag in het denken en doen van Bourdieu. Hij is ervan overtuigd geraakt dat geen enkel onderdeel van de menselijke activiteiten onbelangrijk is voor een socioloog. Aanvankelijk zwaar beïnvloed door de fameuze Franse structuralist Lévi-Strauss, die hij zijn hele leven respect zal betonen, komt hij tot de ontdekking dat de invloed van de maatschappelijke machtsstructuren op de menselijke activiteit een onvoldoende verklaringsgrond zijn voor de fenomenen die hij waarneemt. Anders dan de Franse onderwijsbureaucratie wil doen geloven, is het slagen dan wel niet slagen van leerlingen in Algerije en Frankrijk (met hetzelfde onderwijssysteem) niet een kwestie van braaf de docent volgen en hard leren. Het structuralisme is hem te afstandelijk, te veel eenrichtingsverkeer. Aan de andere kant erkent hij terdege de rol van de machtsstructuren en heeft hij weinig op met het subjectivisme van Sartre, die in de jaren zestig in grote mate het intellectuele leven in Frankrijk domineerde.

Een van de eerste constateringen van Bourdieu uit die tijd is, dat de wetenschap zich te allen tijde bewust moet zijn van een reflexiviteit: een kritische blik op de eigen kennisverwerving. En daarmee plaatst hij zich midden in de traditie van de Europese sociologie, die anders dan de kwalitatieve methoden van de Amerikanen oog heeft voor de wetenschappelijke beïnvloeding over en weer van verschillende vakgebieden als antropologie, filosofie, taalkunde, theologie en psychologie (Bourdieu is een tijdgenoot van Foucault). Hij erkent meteen ook het belang van de interactie met andere sectoren van het intellectuele leven: kunst, literatuur, pers, musea en het functioneren van instituties als vakbonden en politieke partijen. Hij ontwikkelt daarvoor een nieuw instrumentarium, dat niet alleen een impuls is voor verder sociologisch onderzoek, maar ook in de praktijk blijkt te functioneren.

Bourdieu is dan inmiddels Frankrijks meest vooraanstaande socioloog, maar dat wil niet zeggen dat hij ook de geliefdste is. Iedereen prijst zijn grensdoorbrekende werk, waarbij hij filosofische, antropologische en sociologische concepten verenigt. Het begrip habitus, dat hij in La reproduction (1971) ontwikkelt, geeft aan hoe de beginselen van een heersende cultuur of praktijk worden verinnerlijkt en ongemerkt van houding tot identiteit, een innerlijke wet worden. Hij ontleent het oorspronkelijke idee aan de katholieke oervader van de sociologie, Thomas van Aquino.

Ongemakkelijker voelt men zich al bij zijn veldtheorieën. Hij introduceert het begrip champ, dat zowel als veld, slagveld of als markt kan worden opgevat. Het begrip beschrijft hoe individuele burgers en (beroeps)groepen, variërend van leerlingen tot huizenbouwers, vrouwen en journalisten, hun diverse kapitalen op een vijandige markt converteerbaar moeten maken, én hoe dit doorgaans wordt voorkomen. In het wereldlijke maar cultureel katholieke Frankrijk betekent deze pessimistische protestantse kijk op de ontbrekende goedheid van de mens een trendbreuk met de bonhomie van de menswetenschappen. Als er één Franse socioloog is die het adagium van de Reformatie onderschrijft dat de mens tot geen goedheid in staat is en tot alle kwaad geneigd, dan is het Bourdieu wel. En het kapitaal moet breed worden opgevat: niet alleen in financiële zin of als vakbekwaamheid, maar ook als een cultureel kapitaal, het symbolische kapitaal van een mythisch universum (zonder welk men nooit kan doordringen tot de maatschappelijke realiteit van een in wezen religieuze samenleving) en een scholair kapitaal.

In 1980 publiceert Pierre Bourdieu zijn Le sens pratique, waarin hij de strategieën van de habitus koppelt aan een praktisch vernuft. Hij doet dat aan de hand van een nog altijd als toonaangevend beschouwde studie naar het leven in Kabylië, het miskende Berberse deel van Algerije. Ook deze sociologische operatie levert hem lof op, zij het geen onverdeelde. Hij trekt zijn bevindingen uit Algerije namelijk door tot het hart van de Franse samenleving. Hij ontdekt dezelfde strategieën en mechanismen van de Algerijnse boeren bij de oerfranse spes patriae: de studenten. En daarmee komt de lieveling van de Franse sociologie voor velen wat al te dicht op de huid.

Datzelfde is het geval bij een van de laatste boeken van Pierre Bourdieu. Hij voert de redactie over een bijna duizend pagina’s tellende studie, waarin 22 sociologen uit zijn school hun fileermes zetten in de huidige Franse samenleving: La misère du monde (1993). Zijn theoretische gereedschappen zijn inmiddels zo ver ontwikkeld dat hij weer alle ruimte kan geven aan het echte onderwerp van zijn onderzoek.

De 22 sociologen maken onder leiding van Pierre Bourdieu in zeventig interviews een analyse van de naakte waarheid van het leed binnen de Franse maatschappij. Extra pijnlijk voor de Fransen moet het zijn dat na de in de GATT-besprekingen succesvol afgeslagen aanval van het Amerikaanse culturele imperialisme op de Franse filmindustrie, de auteurs zeer realistische verbanden leggen met het boeiend beschreven dagelijkse leven in twee Amerikaanse getto’s.

La misère vormt een nieuwe breuk met voorgaande geschriften van Bourdieu en zijn sociologische onderneming. Althans, hoe het werk aan de lezer wordt voorgeschoteld, met minder theoretische uitweidingen en vooral toegankelijk voor een groter publiek. Het is een politiek boek. Een open kritiek op de tekortkomingen van de politiek en het haastige journalistieke werk dat de werkelijkheid anekdotisch beschrijft zonder diepgang. Pagina 940, de laatste pagina voor het nawoord, is een diapositief en in een 24-punts letter gedrukt citaat van Ludwig Wittgenstein over de plaats van de filosofie om het begrijpen van het dagelijks leven mogelijk te maken in plaats van de gevaarlijke uitdrukkingen van journalisten.

Bourdieu wil journalisten laten zien hoe ze volledig moeten luisteren naar mensen die weinig aan het woord komen en vaak worden bedrogen. De interviews in het boek lijken op een filmscenario.

De journalistieke malaise komt onder meer voort uit de verleiding waaraan journalisten blootstaan tot gedramatiseerde evenementen, anders zijn ze niet geïnteresseerd. We hebben dan de eerste Golfoorlog achter de rug, maar nog niet de escalatie in het Midden-Oosten, de opkomst van het wereldwijde terrorisme, en 11 september ligt ook nog ver in de toekomst. Journalisten zijn vaak bezig met valse objecten. Ze produceren «des effets de réalité» door het creëren van «une vision mediatique de la réalité».

Het is onmogelijk om politiek te reageren buiten de media om. De media werken mee aan het onvoorzienbare.

«Niet treuren, niet lachen, niet haten maar begrijpen.» Het heeft geen zin je aan dit voorschrift van Spinoza te houden als de socioloog niet de middelen heeft om dat te respecteren. Bourdieu geeft ons de kunst van het interviewen en het uitwerken ervan zonder te oordelen. Bij de uitwerking van een interview verandert het orale betoog doordat de accenten anders worden gelegd en omdat de uitspraak, de intonatie, de mimiek, de stiltes, de sous entendues, de vergissingen, niet in print zijn om te zetten.

Bourdieu begint met het beschrijven van twee universa, van een Fransman en een Algerijn die beiden in een stadsvernieuwingsgebied wonen. De aloude reisgezel Sayad geeft in een interview de moeilijkheid van het samenleven van autochtonen en allochtonen aan, wanneer een meisje zegt: «U weet niet hoe vaak we elkaar uitschelden tijdens het elkaar groeten. In het taalgebruik zijn we beleefd maar onze ogen spuiten vuur en gif.»

Een Algerijn, een Fransman, twee universa die elkaar vrezen. Maar beiden zijn brave mensen met verborgen leed. In dit boek gaat het om het verborgen leed: op school, op kantoor, in de wijken, overal. En zo dendert het boek voort.

Bourdieu neemt in zijn nawoord journalisten en politici op de hak. De politiek heeft gefaald om een antwoord te vinden voor de legitieme vragen over de malaise in de samenleving. Vreemdelingenhaat en racisme kunnen in zo’n klimaat gedijen.

Een film die aan het werk van Bourdieu is gewijd, heeft als titel Sociologie is een vechtsport. Naarmate hij ouder wordt, wordt dat ook steeds letterlijker Bourdieu’s levensmotto. Hij beseft dat niets zo dodelijk is voor een wetenschapper op jaren als zijn laatste dagen slijten met het corrigeren van de drukproeven van de zoveelste heruitgave van zijn vroege werken. Bourdieu voegt dan ook de daad bij het woord. Tijdens de stakingsgolven in de tweede helft van de jaren negentig kiest hij openlijk de kant van de Franse arbeiders, zonder in het arbeiderisme van iemand als Sartre te vervallen. Overduidelijk toont Bourdieu sympathie voor degenen die kritische vragen stellen over de mondialisering. Hij houdt zich intensief bezig met kunst en kunstenaars, met media en journalis ten, met de nieuwe media (hij wijst Bill Gates steeds op zijn verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van het vrije woord) en literatuur. Met mensen als Salman Rushdie en Jacques Derrida neemt hij het initiatief voor een internationaal parlement van schrijvers om schendingen van mensenrechten tegen te gaan. Hij staat aan de wieg van een fonds om schrijvers die worden vervolgd een goed heenkomen te bieden, een initiatief dat in Nederland door Abram de Swaan, Adriaan van Dis, Chris Keulemans en anderen wordt ondersteund.

De Swaan, samen met Joop Goudsblom de drijvende kracht achter wat in de sociologie de «Amsterdamse School» is gaan heten, was al eerder onder de indruk van het werk van Bourdieu. De Amsterdamse School stond sterk onder invloed van het werk van Norbert Elias. Zijn configuratietheorie bleek wonderwel te sporen met Bourdieu’s opvattingen over habitus, veld en kapitaal. De Amsterdammers organiseerden ter gelegenheid van de negentigste verjaardag van Elias een ontmoeting met Bourdieu, waarbij naast Goudsblom, De Swaan, Roger Chartier en Reinhart Gleishman ook twee jonge doctorandussen aanwezig waren: Johan Heilbron, die nu hoog leraar in Utrecht en Parijs is, en ikzelf. Bescheidenheid gebiedt me te zeggen dat mijn aanwezigheid dankzij de steun van Goudsblom misschien vooral was gewenst omdat ik Bourdieu al tijdens mijn studie in Frankrijk had leren kennen en mijn kennis van het Frans waarschijnlijk goed uitkwam. Bourdieu en Chartier reisden mee naar Amsterdam. Bij het halen van een broodje werden we overvallen door een Hollandse plensbui en renden we naar het huis aan de Westermarkt, waar ooit René Descartes woonde en nu het Amsterdams Centrum Buitenlanders is gevestigd. Met zijn droge humor merkte Chartier op dat het wel iets heeft, «zo’n socioloog die blijkt te kunnen sprinten».

Aan Bourdieu’s productiviteit valt niet te twijfelen. Hij heeft meer dan 340 publicaties op zijn naam staan. De Franse samenleving stond massaal stil bij zijn overlijden. Wie meetelde in de sociale wetenschappen of de kunst heeft wel in één van de bladen gereageerd. Maar misschien was het mooiste motto dat van zijn vroegere leermeester Lévi-Strauss. Bij het verschijnen van La maison Kabyle schreef deze voor Bourdieu een opdracht in het boek: «Kritiek is de enige manier om de wetenschap te laten bloeien.»

Het spijt me dat ik geen werkelijk afscheid van hem heb kunnen nemen. Toen ik hem vorig jaar voor het laatst ontmoette, verontschuldigde ik me dat ik onze vriendschap had verwaarloosd. Zijn reactie was helder: «Je hebt je werk te doen, jongen, dat doe ik ook altijd.»