Laird Hunts civil war

Soldaat met een geheim

In Nimmerthuis van Laird Hunt levert ieder zijn eigen gevecht om aan zijn (of haar) identiteit vast te houden. De grote Gelijkmaker doet intussen overal zijn werk.

Nog steeds is Ken Burns’ documentaire The Civil War een ervaring om naar te kijken. Ik heb ’m nu gek genoeg al een stuk of vijf keer gezien – ‘gek genoeg’, want de documentaire bestaat uit negen afleveringen van een uur. Toen hij voor het eerst op pbs te zien was in de Verenigde Staten, in september 1990, keken er veertig miljoen mensen naar. Cinematografisch is het verslavend; er komen Amerikaanse historici in beeld die met passie over de Burgeroorlog praten, over hun favoriete helden en verliezers, en je hoort beroemde acteurs (Morgan Freeman, Jeremy Irons) en schrijvers (Arthur Miller, George Plimton) in de voice-over gedragen voorlezen uit dagboeken, brieven, krantenartikelen, pamfletten, wetvoorstellen en speeches, zoals Sam Waterson als Lincoln, op de begraafplaats bij Gettysburg: ‘From these honored dead we take increased devotion to that cause for which they gave the last full measure of devotion – that we here highly resolve that these dead shall not have died in vain – that this nation, under God, shall have a new birth of freedom – and that government of the people, by the people, for the people, shall not perish from the earth.’

Maar wat het echt bijzonder maakt is de melancholische achtergrondmuziek, een langzame wals gespeeld op een slecht gestemde viool, gecombineerd met de beelden. Natuurlijk heeft Burns geen beelden, alleen oude foto’s, maar hij laat zijn camera over de foto’s bewegen alsof hij een pan maakt, waardoor het lijkt alsof de foto’s bewegen. Maar het mooist is hoe de mannen en vrouwen in zijn camera kijken: zo overtuigd van iets. Niet van hun gelijk, het waren vooral arme jongens die niet onder de dienstplicht uit konden komen, die voor een groot deel niet geïnteresseerd waren in politiek of slavernij. Op de foto’s zien ze er vaak hongerig en moe uit, hun kleren staan stijf van de modder van de veldtochten en de loopgraven, maar ze kijken in de camera met een blik die lijkt te zeggen ‘Hier ben ik, zie me staan, terwijl geschiedenis wordt geschreven, ik besta.’

Medium hunt 2c 20laird 20 e2 88 8f 20gary 20isaacs 20 2

De historicus Shelby Foote zei dat de oorlog ondanks alle politiek en retoriek uiteindelijk om iets veel simpelers draaide dan het gevecht voor of tegen slavernij. Foote, met zijn zachte, zuidelijke accent, vertelde een anekdote met een twinkeling in zijn ogen, alsof hij de jongen zelf had gekend (zijn driedelige geschiedenis The Civil War: A Narrative, drieduizend bladzijden lang, bestormde na de uitzendingen de bestsellerlijsten). Vanuit twee loopgraven riepen Zuidelijke en Noordelijke soldaten naar elkaar, zei Foote, en een Noordelijke soldaat riep naar een Zuidelijke: ‘Waarom vecht je eigenlijk?’, waarop de jonge soldaat antwoordde: ‘Omdat jij hier bent.’

‘Ik was sterk en hij niet, dus was ik het die ten oorlog ging’

Op een bepaalde manier zit die zelfde stoïcijnse stoerheid in Laird Hunts Burgeroorlogroman Neverhome, in het Nederlands vertaald als Nimmerthuis. Eerste zinnen: ‘Ik was sterk en hij niet, dus was ik het die ten oorlog ging om de Republiek te verdedigen. Ik stapte over de grens, Indiana uit en Ohio in. Twintig dollar, twee boterhammen met spek en ik nam gedroogd rundvlees, beschuit, zes oude appels, fris ondergoed en ook een deken mee. Er hing hitte in de lucht dus liep ik in hemdsmouwen met mijn hoed over mijn ogen getrokken.’

Aan het woord is Galant Ash, een schuilnaam van Constance, een boerendochter die haar man heeft achtergelaten en zich voordoet als een man zodat ze mee kan vechten. Je zou kunnen zeggen dat haar verteltoon ook die van een man is – al zou dat, hoho, genderstereotype stigmatiserend zijn, alsof vrouwen niet met een zekere hardboiled kilheid kunnen vertellen. Ash motiveert zelden waarom ze doet wat ze doet, of wat ze erbij voelt. Alsof ze met haar identiteit ook haar gevoelens heeft achtergelaten, alsof ze van een afstandje naar zichzelf kijkt en haar acties alleen registreert. En die acties zijn er volop, want ze loopt voorop als er gevochten moet worden en maakt snel naam binnen haar regiment. Steeds weer ervaart ze dat geweld onderkoeld: ‘De eerste kogel ging door zijn hals. Toen hij opstond en een stap opzij wilde doen, schoot ik er een door zijn borst. Hij viel neer op de berg grijsgoed van de rebellen. Je hoorde amper dat hij neerkwam. Ik liep op hem af om te zien of mijn werk gedaan was, zag dat dit niet het geval was en schoot nogmaals.’

Is Nimmerthuis dan een gecamoufleerde feministische roman? Niet echt. Je krijgt eerder het idee dat Hunt een soldaat wilde bedenken met een geheim, of anders: dat hij wilde laten zien hoe een marcherend en vechtend leger alle identiteit uit gewone mensen weet te drukken. Iedereen levert zijn eigen gevecht om aan zijn (of haar) identiteit vast te houden, terwijl de grote Gelijkmaker die de dood heet overal om zich heen grijpt. Geheimen die anders levens kunnen bepalen, doen er uiteindelijk op het slagveld niet toe.

Geheimen die anders levens kunnen bepalen, doen er op het slagveld niet toe

Wat Nimmerthuis ook niet is, is een politieke roman, in de zin dat Hunt via het verleden iets over het heden probeert te zeggen. Zijn oorlog gaat niet over slavernij, over blank en zwart, over Noord tegen Zuid; zijn oorlog is een soort naamloze toestand, het is er, omdat het er is. Er is geen mogelijke motivatie. En Nimmerthuis is ook geen avonturenroman à la Forrest Gump, waarbij de hoofdpersoon van de ene historische gebeurtenis naar de andere slaapwandelt. Laird Hunt noemt namen van veldslagen liever niet, houdt de details vaag zodat je je niet gaat zitten afvragen waar Ash nu precies is; Hunt houdt de focus op Ash, op haar subjectieve beleving van de gebeurtenissen. Ze denkt veel aan haar man thuis, en hecht zich niet of nauwelijks aan de mannen naast haar. Ze redt ze de ene dag, ze sneuvelen de volgende. Ze laat niemand dichtbij komen.

Maar gaandeweg lijkt ze ook zichzelf steeds meer uit het oog te verliezen; ze kijkt van een afstandje naar zichzelf, alsof ze zichzelf wil wijsmaken dat ze niet echt meemaakt wat ze meemaakt, omdat het te eng, te gruwelijk, te intens is. Ze begint zozeer terug te verlangen naar haar verleden dat het verleden tegen haar begint te spreken – ze hoort de stem van haar man commentaar geven op wat ze doet, en beeldt zich de aanwezigheid in van haar overleden moeder.

Er bestaat een lange traditie van oorlogsliteratuur geënt op de Odyssee, waarin een soldaat door een verscheurd landschap terug naar huis moet keren om daar de les te leren dat, verrassing, there is no such thing as going home. Alles wat de soldaat met zich meedraagt kan hij niet loslaten, en dus is zijn thuis niet meer echt thuis; zoiets geldt zonder meer voor Ash, en zoiets heeft Hunt ook willen schrijven, lijkt het. Zijn taal is helder, ijl, niet vaag maar ook nooit heel precies over hoe en wat. Het is het verleden, maar dat verleden blijft tot op zekere hoogte abstract; er worden geen namen genoemd, geen jaartallen, geen locaties. Zijn oorlog is net zo dromerig als Ash gaandeweg wordt, schipperend tussen fantasie en werkelijkheid. Ze gaat naar huis, maar ook weer niet; ze reikt naar het leven dat ze achterliet, maar is zelf te veel veranderd om weer moeiteloos in dat leven op te gaan.


Foto: Gary Isaacs