Israël. Ultraorthodoxen tegen de rest

Soldaten van de thora

Ultraorthodoxe joden in Israël willen dat vrouwen op aparte stoepen lopen en achter in de bus gaan zitten. Op een demonstratie droegen sommigen de jodenster; de staat zou net zo erg zijn als de nazi’s. Seculiere joden vrezen dat de groeiende groep fundamentalisten de democratie ontwrichten.

VORMEN de charediem een bedreiging voor de staat Israël of niet? Die vraag ligt op vrijdagavond op de sabbattafel van een seculier joods huis in Netanya. Het interieur is licht en modern. De open haard brandt. Aan de muur hangt een reproductie van Kadishman. Maar de gemoederen van de vijf joodse gasten zijn verhit.
‘Ze bedreigen onze huidige vorm van samenleven’, zegt Danielle, hoogleraar literatuurwetenschap. 'Het is een grote groep, die niet werkt en door de staat wordt betaald om de thora te studeren. Hun scholen krijgen hogere subsidies dan het seculiere onderwijs en ze mogen hun eigen curriculum vaststellen. Dat geeft fricties.’ Ze heeft in een onderzoek gelezen dat de charedische schoolkinderen van de eerste klas lagere school nu al vijftig procent van alle eersteklassers bedragen. Wat zal dat voor de toekomst betekenen? Er volgt instemmend geknik. 'Ja, ze produceren kinderen als konijnen’, zegt haar tafelheer Moshe, een sportieve vijftiger in jeans en T-shirt. 'Over twintig jaar zijn er meer charediem dan seculiere joden en zullen wij als werkende minderheid voor een steeds grotere vegeterende meerderheid moeten betalen.’
Terwijl Moshe de wijnglazen nog eens vult, roept Hezzi, een hightechmanager van middelbare leeftijd, verontwaardigd: 'Waarom zouden wij en onze kinderen slaven worden van die pinguïns? Dan vertrekken we en dat wordt de ondergang van Israël.’
Niet iedereen deelt die verontwaardiging. 'Zij hebben het recht om de thora te studeren en hun eigen leven te leiden’, vindt gastvrouw Deborah, geblondeerde haren, lange paarse oorbellen en een golvend decolleté. 'Maar wat me tegenstaat is dat ze willen bepalen hoe wij moeten leven volgens hun regels.’
Noga, Hezzi’s partner en directeur van een uitzendbureau, schuift het zoutvaatje in cirkels over het witte tafelkleed. 'Zij regelen alles. Neem het openbaar vervoer. Op de zaterdag heb je geen bussen en treinen omdat er op de sabbat gerust moet worden. Ik heb in Ha'aretz gelezen dat ze in Jeruzalem nu zelfs lijnbussen met gescheiden compartimenten voor mannen en vrouwen willen invoeren, zodat de orthodoxe mannen niet in verleiding worden gebracht.’
Deborah lacht. 'Ja, in Jeruzalem mag geen vrouwelijk schoon meer op posters in de stad worden getoond. Stel je voor dat de mannen hitsig worden!’
Moshe gaat rechtop zitten en roept luid: 'En die zwart jassen nemen hele straten over. Eerst heb je er een of twee. Dan moeten ze een synagoge hebben en een kollel, een religieuze school, en dan sluiten ze op sabbat jouw straat af en kun je niet in je auto rijden en mag je geen vuur maken.’
Noga schraapt haar keel. Even valt de groep stil. De in kunststof ingelijste geit van Kadishman kijkt op ons neer. 'Er zijn zo veel mooie joodse tradities en gewoonten die door de extremistische joden een nare connotatie krijgen’, zegt Moshe. 'Als ik een hoed opzet, vragen mijn vrienden of ik chazara be tjoeva ben.’ Chazara be tjoeva is een begrip voor vrijzinnige joden die besluiten religieus te worden. De opmerking leidt tot luid gelach van de aanwezigen.

VOLGENS Nava Wasserman, wetenschappelijk onderzoeker joodse geschiedenis aan de Bar-Ilan-universiteit en gespecialiseerd in de charedische samenleving, liggen de charediem en de chiloniem al meer dan tweehonderd jaar met elkaar overhoop en is de huidige economische situatie een aanleiding om het conflict aan te wakkeren. Charediem betekent letterlijk godvrezend; een aanduiding voor ultraorthodoxe joden. Chiloniem, dat zijn de seculiere joden. Wasserman legt uit: 'Aanvankelijk werden charediem gezien en gerespecteerd als de “pure” joden - de jidden - maar met de opkomst van de Verlichting in Europa in de achttiende eeuw werden de wetten die joden belemmerden om met de bredere seculiere wereld in contact te staan verruimd. Terwijl joden seculair onderwijs gingen volgen en werden blootgesteld aan wereldse ideeën, bleef de charedische samenleving vasthouden aan de oude tradities. Met de opkomst van het zionisme aan het einde van de negentiende eeuw werd het verschil tussen de joodse stromingen nog verder aangescherpt. Dat kwam niet in de laatste plaats doordat de orthodoxen het seculiere zionisme, dat ze als een antithese van het pure jodendom zagen, verwierpen. Joodse politieke onafhankelijkheid kon slechts door goddelijke interventie ontstaan.’
Het conflict bleef beperkt omdat de charediem in afzondering leefden en zich verre hielden van de politiek, maar met de oprichting van Israël veranderde dat. De eerste premier, Ben Goerion, sloot een deal met de ultraorthodoxe joden. Hij beloofde hun de soevereiniteit over de religieuze 'joodsheid’ van de staat in ruil voor hun erkenning van Israël. Het gevolg is dat rabbijnen het gezag hebben over het religieuze en dagelijkse leven van de Israëliërs. Israël kent geen scheiding van staat en religie en de rabbijn bezegelt huwelijken - burgerlijke huwelijken zijn er niet -, bepaalt echtscheidingen, registreert geboorten en regelt begrafenissen. Restaurants moeten een koosjer certificaat van de rabbijnen hebben om te kunnen opereren. Wijn, olijfolie, vlees en andere levensmiddelen staan onder rabbinaal toezicht en het openbaar vervoer en de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al ligt op de sabbat stil.
Die macht van de charedische gemeenschap, die intussen 450.000 tot een miljoen Israëliërs oftewel tussen de acht en vijftien procent van de Israëlische bevolking telt - het exacte aantal is niet bekend - leidt tot ergernis van seculiere gemeenschappen. Al tijden vind je bijna dagelijks negatieve artikelen in de Israëlische pers met als ondertoon: angst. Angst om te worden overgenomen door een snelgroeiende ultraorthodoxe wereld. Angst dat de religieuzen de moderne democratische staat zullen ontwrichten en Israël zullen doordrenken van joods obscurantisme.
'Het gevolg is stereotypering en dehumanisering van alle ultraorthodoxen, terwijl zij geen uniforme groep vormen’, zegt Wasserman. 'Er zijn verschillende charedische richtingen met hun eigen leefregels. Sommige mannen worden door hun religie tot thorastudie genoodzaakt. Maar dat geldt slechts voor een beperkte groep - de Litouwse joden - die een derde van de charediem uitmaakt. De overige charedische mannen werken of willen werken en ik durf te stellen dat praktisch alle vrouwen, ongeacht hun religieuze achtergrond, werken. Maar ze worden op de chilonieme arbeidsmarkt gediscrimineerd, omdat ze op de werkplek hun religieuze leefregels moeten naleven. Het gevolg is dat ze werk aanvaarden tegen een salaris en voorwaarden die onder het wettelijk minimum liggen. Ze houden hun mond uit angst voor ontslag.’
Wasserman, zelf conservatief-joods maar niet charedisch, werd onlangs tijdens haar uitgebreide onderzoek naar de positie van vrouwen in de orthodoxe samenleving met de neus op de feiten gedrukt. Een lerares vertelde dat ze na dertig jaar trouwe dienst een charedisch meisje had ingehuurd om haar werk te doen, zodat ze haar salaris en opgebouwde rechten niet zou verliezen. 'Ze zei enthousiast dat ze een fractie van haar salaris aan het meisje betaalde en dat het kind geen eisen stelde, alsof dat de oplossing was voor vervroegd uittredende leraren.’

VAN DE ultramoderne Bar-Ilan-universiteit naar de armoedige charidische wijk Bnei Brak aan de overkant van snelweg 4 is een afstand van tien kilometer. Maar het is alsof je op een andere planeet belandt. Op deze zondagochtend, het begin van de joodse week, gonst de Ben Jacobstraat van de bedrijvigheid. Jonge mannen met lange zwarte jassen, zwarte hoeden en pijpenkrullen haasten zich naar de jesjiva. Meisjes met vlechten in grijze uniformen van de ulpena lopen gearmd aan de overkant. Vrouwen met pruiken op het hoofd of hoofddoeken, eenvoudig gekleed in lange donkere jurken met vele jonge kinderen om zich heen, duwen kinderwagens naar de dichtstbijzijnde kruidenierswinkel, terwijl mannen de kollel binnengaan. Vrachtwagens trachten door die mensenmassa te manoeuvreren.
Om de hoek opent Tzivia Greenberg, een modern doch decent geklede vrouw met roodharige pruik in modieuze coupe, het kantoor van Achiya. In dit centrum voor educatieve ondersteuning en voorzieningen voor charedische kinderen met leermoeilijkheden zwaait Greenberg als directeur ontwikkeling de scepter. Als ik haar vertel over de vooroordelen en scheldnamen die ik van haar joodse medeburgers heb opgevangen haalt ze haar schouders op. 'Het kan nog veel erger’, vindt de dochter van Shoah-overlevenden uit Duitsland. 'Soms zijn de opmerkingen zo beledigend dat als een willekeurige goy ze had gemaakt, hij zou worden vervolgd voor antisemitisme. Natuurlijk zeggen ze dan onmiddellijk dat het niet persoonlijk bedoeld is, want ik ben uiteraard een uitzondering.’
Tzivia lacht breeduit. Dan vervolgt ze serieus: 'Wij hebben er bewust voor gekozen om de strikte joodse religieuze wetten te volgen. Ons leven is gebaseerd op de studie van de thora, het volgen van de halacha, de joodse leefregels, kashroet, de joodse spijswet, mitzvot, goede daden, en de puurheid van het gezin. Die keuze heeft een hoge prijs.’ Jongetjes moeten al op driejarige leeftijd leren lezen en schrijven om zich vanaf hun zesde jaar in afzondering aan thorastudie te wijden. Er zijn geen sporten, geen hobby’s, geen spelletjes en op latere leeftijd is er geen inkomen. Sommigen vervolgen hun thorastudie voor de rest van hun leven in de kollel. Anderen zoeken werk als leraar of winkelier. Meisjes krijgen een algemene opleiding, zoals de rest van Israël.
Greenberg, die lid is van de Litouwse gemeenschap uit Petach Tikva, vertelt: 'Een gemiddelde charedische vrouw is een topper in multitasking met een huishouden, een groot gezin en een baan. Ze leren in speciale colleges logopedie, sociaal werk, verpleging, boekhouding.’ Dat charediem niet zouden werken is dus een fabeltje? Ze wijst op haar eigen gezin. 'We werken allemaal. Mijn ene zoon studeert nog architectuur, mijn dochter werkt bij de verzekeringsbank en een schoondochter is kleuterleidster. Mijn andere zoon is in de kollel, maar zijn vrouw werkt om het gezin te onderhouden. Ik heb een hoog inkomen en betaal belasting en sociale premies.’ En refererend aan de kritiek van de chiloniem dat charediem uit de staatskas gesubsidieerd worden: 'Ik klaag toch ook niet dat met mijn belastingcenten sport en toneel worden gesubsidieerd waarvan wij, charediem, nooit zullen profiteren?’
Directiesecretaresse Mirjam, een jonge donkere vrouw met haarband en lange zwarte haren - het is ook een pruik, fluistert ze - luistert aandachtig vanachter haar bureautje naar ons gesprek, terwijl zij op de computer brieven typt. 'Mijn man is een kollelnik, zoals de meesten die wij kennen, en als ik om mij heen kijk dan werken bijna alle jonge charedische vrouwen, net als ik.’
Niet iedere werkkring is passend, legt ze uit. De regels van kuisheid en kashroet vormen een belemmering voor vrouwen. De inkomens van de meeste charedische vrouwen zijn erg laag en de mannen in de kollel krijgen zevenhonderd sjekkels (140 euro) van de staat en tweeduizend sjekkels (vierhonderd euro) uit buitenlandse donaties. 'We betalen vierhonderd sjekkels (tachtig euro) voor onderwijs per maand en dan is er nog de hypotheek. Het gevolg is dat vijftig procent van de gezinnen onder de armoedegrens leeft. Je moet de tering naar de nering zetten. We hebben geen computer, televisie of radio en lezen alleen charedische boeken en kranten om de verleidingen buiten te houden. Er komt niet iedere dag vlees op tafel en we hebben geen auto. Mijn kinderen weten dat ze niet te veel mogen vragen en zijn al blij als ze een ijsje krijgen.’
Is het onder die omstandigheden niet asociaal om veel kinderen te krijgen, vraag ik. De vraag stuit op onbegrip. Greenberg: 'Weet je dan niet dat wij Israëls enige wapen zijn tegen de bevolkingsexplosie van Arabieren en bedoeïenen? Als wij aan geboortebeperking zouden doen, zullen er binnenkort meer Arabieren dan joden zijn.’
Nog zo'n fabel volgens Mirjam: dat de charediem de seculiere joden de joodse wet zouden willen voorschrijven. 'We proberen ons juist zo veel mogelijk af te zonderen van de chiloniem omdat we onze morele waarden willen behouden.’
Waarom dan toch die fricties met jullie seculiere medeburgers, vraag ik. Volgens Greenberg zit hem dat in de vrijstelling van charedische mannen om in het Israëlische leger te dienen. In 1948 werd die vrijstelling voor jeshiva-studenten ingevoerd. Indertijd betrof het vierhonderd studenten; nu zijn het er vijftigduizend, terwijl alle andere Israëlische mannen vanaf achttien jaar drie jaar lang de wapenrok dragen. 'Ik begrijp de frustraties van seculiere joodse moeders wier zonen soldaat zijn. Maar onze mannen zijn ook soldaat. Zij zijn krijgers van de thora die door gebed en devotie Israël beschermen.’
De vraag is of je daarvoor vijftigduizend mannen nodig hebt? Zou tien procent of minder niet volstaan? En wat is er mis met parttime thorastudie, of in de avonduren? Greenberg zucht om zo veel onbegrip. 'Als wij de joodse regels en wetten loslaten en onze mannen geen thora studeren gaat de joodse identiteit van Israël verloren. Dat betekent de ondergang van de joodse staat.’

'MAAR als we ultraorthodoxen vrijstellen van het arbeidsproces en het leger gaat de staat economisch ten onder’, reageert Dani Ben David, seculier-joods, econoom en directeur van het Taub Center voor onderzoek naar sociaal beleid in Jeruzalem. Zijn vorig jaar gepubliceerde onderzoek naar de economische positie en arbeidspositie van ultraorthodoxe joden in de Israëlische samenleving bracht aan het licht dat een sterk groeiend deel van de bevolking niet werkt en niet bijdraagt aan het nationaal inkomen. Het werkloosheidscijfer in Israël ligt ongeveer op hetzelfde peil als in België en Nederland. Maar het niveau van nonemployment - dit is de groep werklozen die zich uitdrukkelijk buiten het arbeidsproces plaatst en dus niet in het werkloosheidscijfer is vermeld - is in Israël 18,9 procent en dat is het hoogst binnen de Organization for Economic Cooperation and Development (OECD) waarvan de meeste Europese landen, de Verenigde Staten en Israël lid zijn. Ben David toont op zijn computer een grafiek waarop de groei van de kollelstudenten in de laatste dertig jaar te zien is. De lijn gaat scherp omhoog.
Ben David licht toe: 'Was in 1980 slechts twintig procent van alle volwassen charedische mannen geregistreerd als fulltime jeshiva- of kollel-student, nu is dat 65 procent. Steeds meer charedische vrouwen werken natuurlijk, maar hun salarissen zijn minimaal. De meeste gezinnen zijn afhankelijk van bijstand, kinderbijslag en directe schenkingen aan de kollel.’
Het was voor Ben David een toer om de data boven water te krijgen, want in het CBS-onderzoek naar de beroepsbevolking wordt de religieuze richting niet opgenomen. 'We vonden de data door adressen en schoolopleidingen te onderzoeken. Omdat de charediem in hun eigen gesloten gemeenschappen en wijken wonen en hun eigen scholen bezoeken, konden we ze traceren.’
De problemen die hij ontdekte, noemt hij existentieel voor Israël. Exacte cijfers over bevolkingsgroei zijn er niet omdat de charediem weigeren aan bevolkingsonderzoek deel te nemen, maar met een hoog geboortecijfer van 8,8 kinderen tegen 2,6 in de seculiere gemeenschappen is het de snelst groeiende groepering in Israël. 'Hun bijdrage aan de staatskas is laag, maar de voordelen die ze uit die staatskas krijgen in de vorm van hoge onderwijssubsidies, bijstand en kinderbijslag zijn relatief hoog’, zegt Ben David. 'Waarschijnlijk werken substantiële aantallen zwart, maar ook dan dragen ze geen belasting en sociale lasten af. Die lage participatie van charediem kost de economie nu al vier miljard sjekkels per jaar. Als de geprognostiseerde groei zich doorzet, zullen zij in 2020 zo'n achttien procent van de bevolking uitmaken. Tegen 2023 zal een kwart van alle achttienjarige Israëliërs zijn vrijgesteld van werk en leger om de thora te studeren en in 2040 is dat vijftig procent. Tegen 2050 hebben de charediem de meerderheid in Israël.’
Het Taub Center heeft de Israëlische regering daarom geadviseerd om zo snel mogelijk beroepsvaardigheidstrainingen in de charedische gemeenschappen te geven en werkprojecten voor charedische mannen te ontwikkelen. Maar veel haast maakt de regering niet. 'Er is een reservering in het staatsbudget gemaakt voor een werkgelegenheidsplan dat de participatie in het arbeidsproces moet uitbreiden tot zo'n 63 procent. Dat is het niveau van West-Europese landen. Maar dat plan is nog nauwelijks geëffectueerd.’
En dat zal volgens Tzviki Levin ook niet gebeuren. Op een zonovergoten dakterras tussen de wolkenkrabbers van Tel Aviv wijst deze jonge acteur, die zo uit een Amerikaanse speelfilm lijkt te zijn gestapt, op het grootste politieke struikelblok. 'De coalitieregering is verlamd omdat de minister-president de zestien ultraorthodoxe Knesset-leden nodig heeft om te kunnen regeren. Voor Bibi Netanyahu gaat persoonlijk belang - het handhaven van zijn positie als premier - voor het landsbelang. De charediem hebben een cruciale positie en de voor hen impopulaire voorstellen worden van tafel geblazen.’
Israël heeft te veel kleine partijen in de Knesset, waarin sectarisme hoogtij viert. Om dat te veranderen zou het kiesstelsel moeten veranderen. Bijvoorbeeld door de introductie van een twee- of driepartijensysteem, zoals in de Verenigde Staten, of het invoeren van een hogere kiesdrempel, waardoor splinterpartijen worden uitgesloten. 'Maar om die voorstellen in te voeren heb je weer een meerderheid nodig, en dan loop je tegen charedisch verzet aan’, zucht Levin. 'Begrijp je? Het is een vicieuze cirkel.’
Levin is manager sociale media voor Kadima en leider van de jongerenorganisatie van die partij. Hij gelooft dat Israël een joodse democratische staat moet zijn, maar het hangt ervan af hoe je joods definieert. Levin en de chilonieme Israëliërs zien joods niet in de eerste plaats als religieus. De charediem doen dat wel. Door die onenigheid heeft Israël nog steeds geen grondwet.
Economisch ligt de oplossing eenvoudiger. 'In Israël heb je verschillende groepen, die ieder weer hun eigen belangen en interesses hebben’, zet Levin uiteen. 'Dat is normaal in een democratie. In de economie moet je tot een compromis komen om een geslaagde uitkomst te vinden. Als de verdeling van de staatskoek onrechtvaardig is, zul je hem opnieuw moeten verdelen, of vergroten. Concreet betekent het dat de charedische groep haar verantwoordelijkheid moet nemen in het belang van de Israëlische samenleving. Ze moeten werken en dus vakken leren die in een moderne samenleving van belang zijn, zoals Engels, geschiedenis, wiskunde.’ Als de staat Israël niet op korte termijn optreedt, voorziet Levin een actie vanuit de burgers zelf. 'De demonstraties die we deze zomer zagen, zijn slechts een begin. Het gaat niet alleen om de strijd voor sociale rechtvaardigheid, maar om een democratische revolutie. En het volk is ontevreden en woedend.’

IN HET KANTOOR van de ultraorthodoxe partij Degel HaTorah in de Knesset in Jeruzalem zoekt de adviseur van de voorzitter van de financiële commissie, Yerech Toker, data om de beschuldigingen te weerleggen. Volgens deze zoon van de Nederlandse Rivka Aronson - zijn opa was voorzanger in de Amsterdamse synagoge - zoekt Israël een zondebok voor de economische crisis. De charediem zijn daarvoor een gemakkelijke prooi. 'Zoals Israël met de orthodoxe joodse Israëliërs omgaat, doet ze dat met geen enkele andere groep in Israël. Waarom? We zijn een minderheid, en geografisch, in gedrag en kledij makkelijk te onderscheiden. We worden niet beschermd door mensenrechtenorganisaties zoals andere minderheidsgroepen - de Arabische Israëliërs, de Ethiopische joden - en de media zijn tegen ons. Ze doen zelfs geen poging om ons te leren kennen, maar ze voeren wel linkse professoren op om ons in diskrediet te brengen. Iedereen is het erover eens: de charediem moeten hangen.’
Die discriminatie begint en eindigt met boroet, onbegrip van de charedische gemeenschap, meent Toker, en dat maakt hem boos. 'Duizenden charedische mannen gaan, net als ik, iedere ochtend uit werken om hun gezinnen te onderhouden. Leraren, onderwijskundigen, juristen, artsen, accountants. Dat is de realiteit. Niet iedereen is tenslotte geschikt om thora te studeren. Maar dat wil Israël niet horen en dat schrijven de economen die hun eigen politieke agenda hebben niet.’
Dat charediem geen belasting zouden betalen is volgens Toker nog zo'n leugen. Er is geen belastingvrijstelling op grond van religie. Iedereen die boven een bepaald inkomensniveau zit, betaalt dus inkomstenbelasting. Bovendien betalen charediem meer indirecte belastingen dan andere Israëliërs. De grote religieuze gezinnen kopen nu eenmaal meer en betalen dus meer btw.
De charedische wereld ontwikkelt zich bovendien langzaam naar een modernere samenleving. 'Neem nu het leger’, zegt Toker. 'Mijn orthodoxe broer is in dienst. Dat zou tien jaar geleden nog moeilijk zijn geweest. Nu zijn er zo'n vijftienhonderd charediem in uniform. Onze partij propageert dienstplicht, want wie in het leger heeft gediend, heeft meer kansen op de arbeidsmarkt. Bovendien geeft het leger technologische studies en vormt het al jaren een springplank naar de Israëlische industrie. Maar voor charediem zijn de plaatsen in het leger beperkt. Men vindt ons lastig in verband met onze leefregels.’
De charedische samenleving heeft in de ogen van Toker een enorm potentieel dat niet wordt gebruikt. Charedische mannen hebben geleerd om te studeren en bijscholing is voor hen een fluitje van een cent. Maar de Israëlische overheid probeert alle initiatieven in die richting te dwarsbomen, meent Toker. 'We hebben voorgesteld om bij afsluiting van de opleiding aan de jeshiva een diploma uit te geven dat gelijkwaardig is aan een middelbare schooldiploma, zodat charediem de kans krijgen om aan Israëlische universiteiten te studeren. Dit is afgewezen. Vervolgens is uit een onderzoek van de Kiryat Ono-academie gebleken dat Arabische Israëliërs, Ethiopische joden en charediem tot de meest gediscrimineerde groepen op de arbeidsmarkt behoren: 58 procent van de ondervraagde werkgevers wil geen charediem in dienst nemen. Dit onderzoek heeft geleid tot een wet die Arabieren en Ethiopiërs een voorrangspositie geeft bij overheidsvacatures. Charediem zijn er, ondanks ons uitdrukkelijk verzoek, niet in opgenomen. De regering kon het niet eens worden over de definitie “charediem”, was het argument.’
Dus een voorstel tot werkgelegenheid voor orthodoxe joden zouden jullie accorderen, vraag ik. Kamerlid en partijleider Moshe Gafni, die het kantoor binnenwandelt, maakt een voorbehoud. 'Thorastudie en onderwijs blijven voor ons van wezenlijk belang. We noemen het tsipor ha-nefesh, het wezen van de ziel. Ik zou willen dat de helft thora studeert en de andere helft werkt. Op basis van vrijwilligheid en eigen keuze.’ Toker probeert intussen cijfers te vergaren die de financiële participatie van charediem in de Israëlische economie moeten bewijzen.
Over die data heb ik niks meer gehoord.