Soldatenvoeten

Ismail Kadare, De regentrommen. Vertaald door K. Stoffels en H. van der Kooy, uitg. Van Gennep, 292 blz., f42,90
‘DE PASJA kon zijn blik niet afwenden van de vormloze, reusachtige massa van zijn leger, dat beweeglijk en lillend als een levend organisme van bloedend vlees rond de vesting lag. De stank van verbrand vlees was gruwelijk.’ Maar hoe vreselijk het ook is, toch vind je in dat 40.000 man sterke Osmaanse leger dat een haast onneembare Albanese burcht belegert, ook mensen die hun eigenbelang gediend zien door dat bloedbad. Neem nu de hoofdintendant, de Duitser Kurt, die voor de ravitaillering van dat enorme leger zorgt. Enerzijds zou hij het Osmaanse leger natuurlijk graag zien winnen, maar omdat dat kennelijk niet in het verschiet ligt, lucht het hem anderzijds op dat de slachting een positief effect heeft op de bevoorrading. Nu er zoveel doden vallen, moeten er niet alleen minder monden gevoed worden, maar, zegt de intendant: ‘Het zal heel wat dagen duren voor onze mannen weer vlees kunnen eten. Na zo'n slachting is dat altijd zo.’

De zorgen van de kroniekschrijver Tsjelebi zijn van heel andere aard. Hij zoekt naar een beeld dat goed de aanblik van de brandende mannen weergeeft, maar toch is hij niet helemaal tevreden wanneer hij ze vergelijkt met nachtvlinders die om het vuur vliegen. Het woord vlinder lijkt hem ongeschikt ‘omdat het de inspanning en heldenmoed van de strijders slecht weergaf’.
In zijn roman De regentrommen beschrijft de Albanese schrijver Ismail Kadare niet alleen wat een verschrikking een oorlog is voor belegeraars en belegerden, hij gaat ook kijken wat zich in de hoofden van de betrokkenen allemaal afspeelt: hun angsten, gissingen, berekeningen, verwachtingen en gevoelens.
Het historisch decor is natuurlijk niet onbelangrijk. We zijn in het jaar 1449 en de Turken, die de Balkan al sedert 1435 bedreigen, maken zich op om dat gebied definitief te onderwerpen. Ze stuiten echter op grote weerstand, vooral van de Albanese verzetsstrijder Skanderbeg, die samen met zijn troepen een even bittere als vergeefse strijd voert tegen het machtigste leger van de wereld (dat in 1479 hoe dan ook zijn dominantie zal vestigen in Albanie). Voor Kadare, die deze roman in 1970 schreef, vormen deze gebeurtenissen een aanleiding om de taaiheid van de Albanezen in de verf te zetten, wat natuurlijk de publikatiekansen vergrootte in de Hoxha-dictatuur die zo graag schermde met het heroische Albaneze verleden. Maar daaraan is natuurlijk niets verkeerds.
Aan het slot van het boek moeten de Turken afdruipen. Alles hebben ze geprobeerd om de Albanese vesting te veroveren. Toen het niet lukte met alleen maar wapengeweld, probeerden ze het stiekem en gemeen. Ze groeven een onderaardse gang onder de stadsmuren, maar die stortte in. Ze trachtten vergeefs ratten met besmettelijke ziekten in de burcht uit te zetten in de hoop een dodelijke epidemie te veroorzaken. Osmaanse expedities werden opgezet met de bedoeling de Albanezen in de omringende dorpen te terroriseren, de vrouwen te verkrachten of ze mee te slepen naar de kampen, waar ze aan de seksueel uitgehongerde soldaten per opbod werden verkocht. Met een list wisten de Osmanen het aquaduct bloot te leggen dat de burcht van water voorziet en door die levensader af te snijden, hoopten ze de belegerden, die gek werden van de dorst, op de knieen te dwingen. De burchtbewoners moesten lijdzaam toezien hoe de Turken 'op de plaats waar ons aquaduct is afgesneden een soort fontein gemaakt hebben waaromheen hun ontklede soldaten elkaar nat spatten en de hele dag schaamteloos poedelen’.
Na maanden van belegering - de herfst breekt aan - beseft de Turkse opperbevelhebber echter dat zijn zaak definitief verloren is wanneer hij zijn voornaamste bondgenoot verliest: de zomerdroogte. Plots hoort hij het droevige geluid van de regentrommen: 'Ergens ver weg, diep in het kamp, roffelden werkelijk trommen. Hij hoorde een zacht geruis tegen de schuine wanden van zijn tent en plotseling werd alles onherroepelijk duidelijk: het regende.’ De pasja pleegt zelfmoord en het Turkse leger breekt op, al beseft iedereen dat de aftocht slechts uitstel is.
De regentrommen van Ismail Kadare is niet alleen een spannende oorlogsroman, het is ook een schitterend geschreven boek dat nergens ontaardt in nationalistische boosaardigheid. Integendeel, het grootste gedeelte van de roman beleven we uit het perspectief van de Osmaanse belegeraars, terwijl de Albanese belegerden slechts mondjesmaat aan het woord komen om te speculeren over datgene wat de vijand nu weer in het schild voert. Zeker zijn de Osmanen nodeloos wreed en gaat onze grootste sympathie naar de belegerden in de vesting. Maar ook de Albanese verzetsman Skanderbeg wordt niet gunstiger voorgesteld dan nodig is: de Albanezen die onder invloed van de Osmanen al moslim geworden waren, worden door de Albanese leider uitgeroeid als ze niet naar het christelijke geloof willen terugkeren.
Hoe dan ook, deze gruwelijke vertelling van Kadare bevat een waterval van ingevingen en spitsvondigheden. Het is niet alleen een vertelling over twee partijen die tegenover elkaar staan, het is ook een verslag over het olien van een oorlogsmachinerie die het toneel vormt van duizenden mensen met grote en kleine ambities, behept met vaak tegengestelde belangen. Uit de andere romans van Kadare weten we dat de auteur in het opzetten van literaire leugens en intriges een grootmeester is. In De regentrommen krioelt het van de architecten, waarzeggers, intendanten, kroniekschrijvers, kanonnengieters, vervloekers, heelmeesters en verzamelaars die afgesneden neuzen, nagels en wenkbrauwen van gevallen vijanden als souvenirs verkopen ('vooral oren waren erg gezocht’). Bijna allemaal zijn het mensen die dingen naar de gunst van de machtigen.
Op een bepaald ogenblik merkt de hoofdintendant van de Turkse troepen langs zijn neus weg op: 'Tot de dag van vandaag heb ik nog in geen enkel geschiedenisboek ook maar twee regels gevonden over de voeten van de soldaten.’ Het is alsof Kadare zelf die uitspraak als een uitdaging heeft aangevoeld en aangenomen. Het resultaat mag er zijn.