Bach voor ongelovigen

Soli Deo Gloria

Eeuwenlang was alle kunst christelijk. Door de secularisatie is de christelijke kunst een curiositeit geworden. Wat rest is Bachs ‘Mattheus Passie’, door de gelovigen verdedigd als het ultieme bewijs dat Hij bestaat. Edoch, ook ongelovigen kunnen schoonheid ervaren.

JOHANN SEBASTIAN BACH, de Harp des Heeren bijgenaamd, beluisterde eens, in het gezelschap van zijn zoon Wilhelm Friedrich, een van zijn eigen religieuze composities.


‘Het is een wonder!’ mummelde Bach jr. en wierp een bewonderende blik op zijn vader.


‘Ja, Friede’, zei Bach sr., ‘muziek is de taal van God.’


Wie zal het wagen de oprechte religiositeit in twijfel te trekken van de componist van de Mattheus Passie, het Weihnachtsoratorium en de cantate ‘Herr Gott, dich loben allen wir’? Trouwens, heel Europa was in die tijd christelijk, op een handvol, over de diverse getto’s verspreide joden na. Alles wat er muzikaal, literair, architectonisch, picturaal en filosofisch onder het publiek werd gebracht was zwaar door het christendom gestimuleerd en gesubsidieerd, wat geen geringe verdienste is geweest. Er was natuurlijk vroomheid in soorten en maten, met als meest spectaculaire voorbeeld Bachs collega Wolfgang Amadeus Mozart die, al zijn missen en motetten ten spijt, de kerk voornamelijk beschouwde als een gebouw waarin godlof een orgel stond. Maar Mozart was, op zijn eigen, creatieve wijze een soort losbol. Dat kan van de uit geniaal gietijzer opgetrokken Bach niet worden gezegd. Alles wat Bach schreef was aan God opgedragen, zowel zijn Passies en meer dan tweehonderd cantates, als de eerste de beste Klavierübung. Het diende allemaal, zoals Bach het zelf formuleerde, tot ‘Rekreation des Gemüths’ en er is haast geen werk van zijn hand dat niet is voorzien van het sacrale merkteken SDG (Soli Deo Gloria — God alleen zij de eer).


Er is slechts één klein probleem, wat de vrome Thomascantor betreft. Op hem rust de verdenking niet alleen vroom maar ook een handelaar in vrome sentimenten te zijn geweest. Vijf jaar lang heeft hij elke week een kerkelijke cantate geschreven. Stuk voor stuk getuigen die van onverwaterde Godsvrucht. Niettemin is een vijfde hunner gebaseerd op een profane tekst, de basis van een compositie waarmee ooit bruiloften en partijen waren opgeluisterd. Zo zijn de zes cantates waaruit het Weihnachtsoratorium bestaat gerecycled als eigentijds kringlooppapier. Is het niet prachtig, dat majestueuze openingskoor ‘Jauchzet, frolocket’, waarin de geboorte van Jezus, mensenzoon, wordt bejubeld? Merkwaardig, oorspronkelijk heette deze hooggestemde compositie ‘Tönet, ihr Pauken, erschallet Trompeten!’, geschreven ter gelegenheid van de geboorte van Hare Koninklijke Hoogheid Maria Josepha, keurvorstin van Saksen en koningin van Polen.


De componist zuchtte onder een extreme arbeidsdruk. Dus heeft hij een levenlang zichzelf geplunderd. Eerst schreef Bach de wereldse cantate ‘Herkules auf dem Scheidewege’. Zingt de Wellust:



‘Schlafe, mein Lieber, und Pflege der Ruh,


folge der Lockung entbrannter Gedanken.


Schmecke die Lust


Der lüsternen Brust


Und erkenne keine Schranken.’



Vervolgens bouwde Bach deze ondeugende passage om tot een slaapliedje voor de kleine Jezus. Zingen de herders:



‘Schlafe, mein Liebster, geniesse der Ruh,


wache nach diesem für aller Gedeihen!


Labe die Brust,


empfinde die Lust,


wo wir unser Herz erfreuen.’



De grenzeloze wellust van Hercules of de maagdelijke moederborst waaraan het Kindeke zich laafde — het maakte Bach niets uit. Hij boog zich fronsend over de tekst en schreef er geroutineerd de juiste muziek bij.


Een jaar of drie geleden schreef ik een boekje over Bachs ultieme troefkaart, zijn Mattheus Passie, waarin ik de vraag stelde waarom dit oratorium nog steeds een onverslaanbare reli-hit is in een wereld waarin de kerken tot asielcentra of fietsenstallingen worden vertimmerd.


Mattheus is in de praktijk allang uitgeweken naar de concertzalen in den lande, die elke opvoering, de deconfessionalisering ten spijt, elke keer weer tot de laatste plaats zijn uitverkocht, hetgeen bewijst dat deze gelovige compositie niet exclusief aan de gelovigen is voorbehouden.


Het is in christelijke oren vloeken in de kerk. Zo schreef prof. W.J. Ouweneel, filosoof en theoloog, zij het aan de Evangelische Hogeschool te Amersfoort, dat de Mattheus Passie ‘naar zijn wezen thuishoort in een samenkomst van gelovigen en ook alleen door de gelovige verstaan kan worden’. Anders gezegd: ‘Ik durf te stellen dat alleen de gelovige christen werkelijk kan doordringen in de grootsheid van de Matthäus Passion, omdat alleen hij zo diep kan doordringen in de tekst — en vandaar ook in de muziek — als Bach zelf gedaan heeft.’



ERE WIE ERE toekomt: cultureel gezien heeft het christendom een glorieus verleden. Eeuwenlang was kunst christelijke kunst. De kerk betaalde Mozarts missen. De Heilige Schrift was voor Rembrandt een belangrijke, zoniet de belangrijkste bron van inspiratie. Tot de kunst anderhalve eeuw geleden seculariseerde. Heinrich Heine schreef zijn gedichten, Robert Schumann schreef zijn liederen, niet in de laatste plaats op de gedichten van Heinrich Heine, zonder zich al te veel van God en Gebod aan te trekken. Er was nog enig verzet toen Friedrich Nietzsche God dood verklaarde. Helemaal gelukt is dit tot op heden niet. Maar de christelijke kunst is inmiddels hoogstens een curiositeit geworden. Christelijke literatuur is verwaarloosbaar. Die bestaat uit beate streekromans die zelfs in het christelijke Trouw niet worden besproken. Christelijke beeldende kunst wekt voornamelijk de lachlust op. Zij is saai en figuratief, het domein van wijlen Rien Poortvliet, die gespecialiseerd was in het tekenen van christelijke kabouters. Christelijke poëzie, het is het prerogatief van de Veluwezoom en de overlijdensadvertenties in het Nederlands Dagblad — ‘Mien, rust maar zacht, je hebt je strijd gestreden’.


Wat rest is Bachs Mattheus Passie, het Lijdensverhaal dat zelfs de ongelovigen emotioneert. Ik kan dus billijken dat door de christenen bezeerd is gereageerd op mijn poging hen óók nog hun Mattheus Passie af te pakken. De muziekrecensent van Trouw sprak knorrig over pseudo-diepzinnigheden voor heren van stand — ‘Meeeuuuu, mekkert vermaakt het aan pijp, sigaar en glaasje lurkend gezelschap.’ Een briefschrijver uit Leeuwarden noemde de auteur ‘een revolutionaire agnost’, die niets van de christen Bach heeft begrepen. ‘En uw blad moet ik al helemaal niet! Een opinie die ik deel met Johann Sebastian Bach die, ware hij nog in leven, zich zeker niet op De Groene Amsterdammer had geabonneerd.’



EN HET GESCHIEDDE in die dagen dat ik het voorrecht had te mogen optreden in de talkshow van de gelouterde EO-presentator Andries Knevel. In het gezelschap van voornoemde W.J. Ouweneel en de cultuurhistoricus Antoine Bodar, ooit de favoriet van gelijkgeslachtelijk Amsterdam, totdat hij moegestreden zijn lid aan de wilgen hing en, als nieuwbakken priester, de gelofte der kuisheid aflegde.


Wij dronken voor de uitzending een kop koffie en tastten elkander voorzichtig af.


Wat is eigenlijk uw favoriete Mattheus-interpretatie, vroeg Ouweneel?


Ik koos voor de even sobere als dramatische Philippe Herreweghe en zijn mede-Vlamingen.


Ouweneel zelf bleek een voorkeur te hebben voor de brede, epische benadering van de dirigent Eugen Jochum. ‘Van die eigentijdse uitvoeringen, met die jongetjes in de sopraanpartijen, moet ik niets hebben’, zei hij.


‘Meent u dat? Ik hou daar wel van’, zei Bodar.


Daar keek niemand van op.


Camera loopt. Ja, daar was de vraag waarop ik was voorbereid. ‘Kunt u, als niet-gelovige, als het over een christelijk werk als de Matthäus Passion gaat…’ begon Andries Knevel.


‘Ik weet het niet, meneer Knevel’, sprak ik ferm. ‘Wij zijn geen van tweeën in staat om in de mensenziel te blikken. Maar één ding weet ik zeker. Bij Christus’ kruisdood, bij zijn smartelijke Eloï, Eloï, lama sabachthani, zonder meer het meest dramatische moment uit de geschiedenis der mensheid, ervaar ik, als ongelovige, precies dezelfde emoties als een gelovig man als u.’


Het was in sportieve termen een knock-out in de eerste ronde. Mijn hemel, wat was ik tevreden over mijzelf. Ik heb het verhaal aan de borreltafel voor heren van stand, lurkend aan een sigaar en een glaasje, al menigmaal, niet zonder zelfgenoegzaamheid, verteld, totdat ik enigszins misselijk van mijzelf werd, met mijn zorgvuldig geprepareerde slagvaardigheid, en zelfs begon te twijfelen of ik eigenlijk wel gelijk had.


Ogenschijnlijk heeft Bach alles aan God te danken. In werkelijk is het God die aan Bach schatplichtig is. Zijn Mattheus Passie is het laatste bolwerk der christenheid, met tanden en klauwen door de gelovigen verdedigd als het ultieme bewijs dat Hij wel degelijk bestaat. Bach zonder God, dat is voorstelbaar. God zonder Bach was allang weggerationaliseerd in een tijdgewricht waarin zelfs de dominees Hem niet meer serieus nemen.


Want wie gelooft nu eigenlijk in wie?


‘Bachs oeuvre heeft ons, nu al twee eeuwen lang, een immens respect ingeboezemd’, schreef de componist Mauricio Kagel. ‘Je zou bijna een vergelijking maken met de unieke betekenis van de Mozesfiguur, wanneer je de plaats ziet van Bach als symbolische oervader voor componisten en als het summum van muziek voor de luisteraar — zo’n vijf jaar geleden begon ik een Sankt-Bach-Passie te schrijven; op het eerste blad schreef ik als motto: “Het is mogelijk dat niet alle musici in God geloven, in Bach geloven zij echter allemaal”.’



DE KERSTPREEK IN de Leeuwarder Courant ging deze keer over het tot sekteniveau verschrompelende christendom dat tot een soort ‘hutspotgeloof’ dreigt te vervagen: een restje orthodox geloof, met een vleugje pseudo-wetenschap, op smaak gebracht door wat flarden exotisme. Het christendom verwordt tot een verzonken cultuurgoed. Wat verloren gaat, is een stelsel van taal, verhalen en beelden, waarin een complete moraal ligt opgeborgen. ‘Dat is, hoe men het ook wendt of keert, een verlies. Neem bijvoorbeeld de cantates van Bach. De muziek is zonder twijfel bestand tegen de tand des tijds, maar wie de strekking ontgaat van wat er gezongen wordt, zal een deel van de schoonheid en de ontroering onthouden blijven. Dat alleen al is een reden om de tale Kanaäns in ere te houden.’


Het is sensibel doordacht, behalve dat de teksten van Bachs cantates niet in de tale Kanaäns zijn geschreven, maar het machteloos gerijmel van zijn tijdgenoten behelzen, waarvan hij zich à contrecoeur bediende, omdat een cantate nu eenmaal helaas een tekst nodig heeft.


Ik tast in den blinde naar het eerste het beste voorbeeld van tekstuele verschrikking, in de wetenschap dat de poëzie in Bachs tijd een hoog hilariteitsgehalte had. Het is de cantate ‘Es ist nichts gesundes an meinem Leibe’. Ja, de hele wereld is één hospitaal. Kindertjes liggen zieltogend in hun wieg. Hun ouders worden door boze, koortsige lusten verteerd. Anderen liggen in hun eigen stank te creperen. Welke dokter zal ons, armzalige mensenkinderen, redden? U raadt het al, geliefde gemeente. Het is Jezus. ‘Meinen Aussatz, meine Beulen, kann noch Kraut noch Pflaster heilen, als die Salb aus Gilead. Du mein Artzt, Herr Jesu nur, weisst die beste Seelenkur.’


Het kan zó in de propagandafolder van het kuuroord Nieuweschans.


Reeds Carl Friedrich Zelter, de vriend van Goethe, sprak over ‘die godvergeten Duitse, liturgische teksten, getekend door de polemische somberheid van de reformatie, bezwangerd door zo’n ondoorzichtige brij aan gelovigheid, dat dit voornamelijk ongelovigheid provoceert’.


Bach had bij leven en welzijn slechts twee behoorlijke librettisten. Dat waren de evangelist Mattheus en de evangelist Johannes, verantwoordelijk voor het tekstboek van respectievelijk de Mattheus en de Johannes Passie. Bij de keuze van de tekstschrijvers voor zijn cantates was hij minder gelukkig. Dat was een en al piëtisme, de schrale, versomberde vleugel van het protestantisme, waar de levenslustige, rondborstige, kindervriendelijke en zelfbewuste Thomascantor qua karakter en temperament dwars op stond.


Nooit was een componist gedwongen zich van zulke beroerde teksten te bedienen. Andermaal een willekeurige (God is mijn getuige) greep in de verzamelde Johann Sebastian Bach. Het is de cantate ‘Ich habe genug’. Zingt de bariton: ‘Ich freuefreuefreuefreuefreuefreuefreue, ich freuefreuefreuefreuefreuefreue, ich freue mich… auf meinen Tod!’


Het is puur evangelisch-luthers cabaret.


En andermaal hindert het niets, andermaal is de tekst ‘de alleronderdanigste dienaar van de muziek’, zoals ooit Mozart zei. Muziek, althans de muziek van een gekwalificeerd vakman, trotseert het meest beroerde tekstboek. De schrijver Maarten ’t Hart, die q.q. tekstgevoelig is, woont in de Bachcantates, hij weet het telefoonnummer van Carel Peeters uit het hoofd dankzij de BWV-nummers, hij bestudeerde het kruipgedrag van stekelbaarsjes terwijl hij de diverse Bachcantates neuriede en zou zonder deze Bachcantates eigenlijk liever dood willen zijn.


‘Ich elenden Mensch, wer wird mich Erlösen?… Ich armer Mensch, ich Sündenknecht… Auf tiefster Not schrei ich zu dir…’ Het zijn de meest deprimerende teksten op de meest sublieme muziek, want het wonder van de componist is, dat er — anders dan bij gereputeerde toondichters als Mozart en Beethoven — in Bachs gehele werk geen maat te vinden is die beneden de maat is.


Recentelijk werd Maarten ’t Hart, samen met de dirigent Ton Koopman, geïnterviewd. ’t Hart kent alle cantates uit het hoofd. Koopman is bezig ze allemaal op de plaat te zetten.


Beiderlei verbazingwekkende conclusie is dat er eigenlijk geen slechte Bachcantates zijn.


‘Hij had blijkbaar altijd de geest, bijna altijd’, concludeert Maarten ’t Hart.


Ton Koopman doet een laatste, vertwijfelde poging om de vereerde toondichter te vermenselijken. ‘Er is één aria die ik minder vind, dat is de vioolaria “Die Schätzbarheit der weiten Erden” uit cantate 204.’



GOD IS DOOD. Johann Sebastian Bach, de onfeilbare, is op 28 juli 1759, ’s avonds om kwart over negen, op Zijn hemelse zetel neergestreken.


De protestant Albert Schweitzer herkende in Bachs oeuvre ‘een onuitsprekelijk lofgezang ter ere van God’. De katholiek Claude Debussy beschouwde hem als de ‘Onze Lieve Heer der toonkunst’, terwijl de jood Yehudi Menuhin hem een halve generatie later tot de ‘Christus der muziek’ promoveerde.


Aan grote woorden geen gebrek.


Ondertussen reisde ik, mijn particuliere notities over Bach onder mijn arm, stad en land af om in de diverse boekhandels en bibliotheken de schrale theorie uit te dragen dat Bach van zowel de gelovigen als van ons ongelovigen is.


Veel bewijsmateriaal, behalve mijzelf, heb ik nog altijd niet.


En andermaal werd ik verteerd door gemengde gevoelens. Is het de moeite waard om de gelovigen, in Tiel en Mijnherenland verwachtingsvol op de eerste rij gezeten, hun laatste relikwie te ontnemen?


Mijn verlosser is Adriaan Slooff, bestuurslid van de O.L.Vrouwenparochie in Arnhem, wat in principe weinig goeds belooft. Hij heeft een tamelijk mesjogge boek geschreven (Op God verliefd en daarom blind?), waarin zowel de vrouwen als de homoseksuelen door de gehaktmolen worden gehaald. Maar over de religieuze implicaties van Bachs geestelijke composities komt hij bedachtzaam uit de hoek. Had Bach zijn Passies kunnen componeren zonder van God en Gebod te weten? ‘Ik denk het niet. Een beetje zwanger kan ook niet, evenmin zwemmen zonder nat te worden. Kan wie nimmer honger heeft geleden diepgaand meepraten en voelen wat de hongerlijder meemaakt? Wie altijd de roltrap neemt zal nimmer beseffen wat traplopen is.’


Samenvattend: ‘De agnostici hebben in deze tóch het nakijken. Het zijn naaktzwemmers met de laarzen aan. Maar wie geniet én gelooft zal Bachs Passion nét iets dieper en voller ervaren.’


‘Ach Herr, mir armer Sünder…’ Wat is het toch jammer dat ik geen enkele verstandige christen ken. Zou wellicht Willem Jan Otten mij uit de brand kunnen helpen? Had ik toentertijd, op de zondagsschool, maar wat beter opgelet. Dan zou ik nu, twijfelend en weifelend misschien weten wat wijsheid is.