Solidair met Bach

ANNA ENQUIST
CONTRAPUNT
De Arbeiderspers, 204 blz., € 18,95

Of een roman al dan niet ‘werkt’, aanspreekt, beroert, heeft op zich weinig met de wereld buiten die roman te maken. Sterker nog: mág daar weinig mee te maken hebben. Voor de manier waarop Philip Roth het verlies van een dochter invoelbaar maakt in zijn beroemde roman American Pastoral kun je alleen maar meer bewondering hebben bij het besef dat de schrijver in het echte leven helemaal geen kind heeft. Het werk van Boudewijn Büch werd met terugwerkende kracht een stuk interessanter, omdat hij zijn autobiografie bij elkaar verzonnen bleek te hebben. Omgekeerd: wat een afknapper is het als een roman al te direct te herleiden valt tot de persoonlijke rekeningen die een schrijver nog te vereffenen had met deze of gene. Wéér aan de andere kant: wat maakt het eigenlijk uit? Al het bovenstaande stamt ook maar van een beperkte, romantische, kunstopvatting. Het enige wat je van een schrijver mag verwachten is dat hij ‘er’ op de een of andere manier chocola van maakt.
In het werk van Anna Enquist is het moeder-kindthema altijd belangrijk geweest, maar sinds haar dochter zeven jaar geleden verongelukte heeft dat thema een navrante lading gekregen in haar poëzie en proza. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om haar werk nog los te zien van het drama in haar leven. Ik weet ook niet of je dat zou moeten willen. Ik weet wel dat ik haar nieuwe roman Contrapunt met pijn in het hart las. Bij het schrijven van deze roman heeft de schrijfster een mijnenveld betreden, en met haar de lezer/criticus.
Hoe schrijf je over het verlies van een dierbare, een kind, het allerergste dat een ouder kan overkomen, zonder zelfbeklag en zonder sentimentaliteit? Of misschien: zonder zelf opnieuw verzwolgen te worden? Dus heeft Enquist een literaire constructie bedacht, en wel eentje volgens het boekje.
Een vrouw studeert op de Goldbergvariaties van Bach. Van meet af aan is het duidelijk dat zij dit doet uit behoefte aan verdoving; ze wil niet meer dan ‘een slaaf van het spelende lichaam’ zijn. Maar ook omdat ze zich graag de vorige keer dat ze op dit muziekstuk studeerde, dertig jaar eerder, voor de geest haalt. Specifieker nog: ze wil haar dochter weer bij zich voelen. Haar dochter die als kind uitriep bij de piano-uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw: ‘Mama, dat is óns lied!’
Langzaam maar zeker, variatie voor variatie, ontvouwen zich de onschuldige, alledaagse herinneringen aan haar gezinsleven, met man, zoon en vooral dochter. Tijdens het spelen fungeert de muziek als aanjager van afwisselend woede, wanhoop en verlangen. Het verdriet is constant voelbaar: ‘Ze speelde iets wat voorgoed voorbij was, iets wat ze nooit echt terug zou kunnen halen.’ Al studerende vraagt ze zich af wat de componist heeft bezield bij het schrijven van de muziek, in welke gemoedsgesteldheid hij verkeerde, en in hoeverre ze zich aangesproken voelt omdat er parallellen zijn met haar eigen situatie. Naarmate ze de slotakkoorden dichter nadert, neemt de zwaarte toe. Het vervloekte einde moet op een gegeven moment onder ogen worden gezien, zowel het einde van Bach, van haar studeren op zijn muziek, als van haar dochter.
Uit alles blijkt hoezeer Enquist een geserreerde toon heeft nagestreefd. De afstandelijke woordkeuze – consequent is er sprake van ‘de vrouw’ en ‘de dochter’ – en de precieze, bijna fysiek voelbare wijze waarop ze de moeilijkheidsgraad van het studeren aan de piano beschrijft, staan in scherp contrast met de lieve herinneringen aan een dartele, levenslustige dochter. Hoe onvergelijkbaar ‘uitbundig’ beschreef ze het lijden van een moeder die haar kind verliest aan een hartafwijking in haar debuutroman Het meesterstuk (1994), toen er, gek gezegd, nog niets aan de hand was. ‘Er is een aardbeving geweest, een watersnood, een verslindende orkaan die alles meesleurde, vernietigde en op vreemde plaatsen neerkwakte. Maar als zij haar kastdeur opent hangen haar kleren daar zoals altijd. De trap heeft eenentwintig treden, toen en nu, het uitzicht uit het keukenraam is exact hetzelfde gebleven.’ De verbeeldingskracht kon toen nog zonder terughouding, zonder schaamte, worden aangesproken. Inmiddels moet ze het kunstzinniger aanpakken, om de echte wanhoop op afstand te houden.
Het is onmogelijk om Enquists roman te lezen zonder permanent kippenvel; iedereen weet hoe deze geschiedenis is geworteld in de werkelijkheid. Het neemt niet weg dat de literaire constructie nogal gezocht is en tegelijkertijd doorzichtig. Het is duidelijk wat Enquist voor ogen stond, en vervuld van piëteit zou je al te graag hierin mee willen gaan. Ik weet niet genoeg van Bach om de passages over muziek te kunnen beoordelen en ook niet of het waar is dat hij de Goldbergvariaties componeerde uit verdriet om zijn gestorven zoon. Ik weet wel genoeg van literatuur om te kunnen zien dat de verhaallijnen net niet helemaal lekker in elkaar grijpen, dat de techniek en het vocabulaire van Enquist beperkt zijn, en dat de veronderstelde parallel met Bach iets kitscherigs heeft. Meer dan een schrijnende roman is Contrapunt een opzichtige oefening in beheersing.