Menno Hurenkamp

Solidariteit of discipline

Een paar weken geleden hield de beroemde Israëlische filosoof Avishai Margalit in Amsterdam de Joop den Uyl-lezing. En omdat de PvdA al enige jaren sterk beïnvloed wordt door Margalit wreef het sociaal-democratische publiek zich opgewekt in de handen. Helaas vermoeide de man iedereen wezenloos met vergelijkingen tussen «revolutionair links» (zeg maar Cuba) en «hervormend links» (zoiets als Zweden) en leek hij de aandacht al snel kwijt te raken. Revolutionair links, heb ik dit?, dacht de zaal, ik hoef toch niet vannacht in het Maagdenhuis te slapen?

In de paniek over de revolutie ging wellicht verloren dat Margalit erop hamerde dat solidariteit gebaseerd moet zijn op moraal, niet alleen op belangen. Solidariteit gaat niet over «zorgen om wie je geeft» of om «zorgen voor wie je dierbaar is», maar om zorgen voor wie worstelt. Je hoeft je helemaal niet één te voelen met migranten, je hoeft ze niet leuk te vinden, als je maar erkent dat ze het lastig hebben en daar een offer voor wilt brengen.

Hij nam zo – bewust of onbewust – stevig afstand van de heersende opvattingen binnen de PvdA. Solidariteit volgens de PvdA van Wouter Bos is immers vooral het organiseren van de gedeelde belangen van de omvangrijke middenklasse en de paar achterblijvende probleemgroepen. Aan de grote schare belastingbetalers moet telkens worden uitgelegd dat het noodlot ook henzelf kan treffen, zij kunnen ook ziek, arm of ongelukkig worden. Dan wil de middenklasse wel betalen – niet als je vertelt dat de stakkers in de buitenwijken zielig zijn.

Ondanks het menings verschil barstte na afloop geen discussie los, maar leek eerder een groot schouderophalen Margalits deel.

Dat betekent ondertussen niet dat De Moraal bij de sociaal-democraten geen rol speelt. Integendeel. Maar het is niet de moraal van solidariteit, maar die van discipline. Het Tweede-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem pleit (in Trouw van 10 januari) expliciet voor staats opvoeding van ontsporende kinderen: «We moeten moeders leren opvoeden. (…) Jongeren leren wat wel en niet mag. (…) Lang niet iedereen kan met de vrijheid overweg. (…) We moeten niet bang zijn uitgemaakt te worden voor dominees.» Nu bemoeit de overheid zich natuurlijk al lang heel veel met de lastige jeugd, maar Dijsselbloem vindt dat het meer moet, en eerder en dwingender. En voor de duidelijkheid: het gaat hem natuurlijk vooral om kids van Antilliaanse en Marokkaanse komaf.

Woordvoerders van migrantenorganisaties zullen ongetwijfeld boos worden vanwege deze uitlatingen. «Stigmatiserend», zullen ze het vinden, en niet helemaal ten onrechte. Ondertussen kun je met grote zekerheid stellen dat het gros van de gewone mensen uit die bewuste achterstandsgroepen het eerder eens zal zijn met het kamerlid Dijsselbloem dan met de filosoof Margalit. Ze vinden het belangrijker dat de lastpakken goed worden aangepakt dan dat hun zieligheid op de agenda staat. Dat maak ik althans op uit een heel grote stapel interviews met Rotterdamse migranten die ik in het recente verleden heb doorgewerkt. Het is natuurlijk even slikken voor een linkse club dat moraliseren over orde en netheid makkelijker aansluiting biedt bij een deel van je natuurlijke achterban dan moraliseren over eerlijk delen. Maar feiten zijn feiten. Feiten zijn rechts, placht Jan Pronk daarop in de jaren zeventig te antwoorden. Dat durft hij nu niet meer, maar los daarvan, wat zou het eigenlijk?