Solidus

Politici hebben de Europese solidariteit op de proef gesteld door Italië en Griekenland toe te laten tot de eurozone. Geen wonder dat burgers hun vertrouwen verliezen.

HET BEGRIP ‘solidair’ is hot. Niet omdat we op dit moment zo overlopen van sympathie of gemeenschapszin, maar omdat door de globalisering, crises, opstanden, demografische ontwikkelingen of nieuwe inzichten op velerlei terreinen de vraag opduikt met wie we eigenlijk solidair willen, kunnen of moeten zijn.
Zo weten veel burgers als gevolg van de eurocrisis niet of ze als Noord-Europeaan wel solidair moeten zijn met de Grieken of de Italianen. In kranten worden pagina’s gevuld met het verwijt dat het Westen wel solidair was met de Libische bevolking, maar niet met die van Syrië. Door de financiële crisis is ook de solidariteit tussen rijk en arm onder spanning komen te staan, omdat nu van de gewone belastingbetaler gevraagd wordt op te draaien voor de desastreuze gevolgen van de risico’s die private instellingen hebben genomen en waarvan deze zolang het goed ging de winsten toch vooral voor zichzelf hielden. Dat is toch de omgekeerde wereld.
De financiële problemen bij de pensioenen gekoppeld aan de vergrijzing ondergraven op hun beurt de tot nu toe vanzelfsprekende solidariteit tussen generaties. En door toegenomen kennis borrelt in de gezondheidszorg regelmatig de vraag op of zij die hun kinderen op tijd krijgen wel mee moeten betalen aan de kosten van hen die door uitstel zijn aangewezen op ivf of het invriezen van eicellen, zoals ook menige discussie gevoerd wordt over de solidariteit tussen mensen die gezond leven en zij die te veel roken, drinken of eten.
Het is niet voor niks dat binnen de PVDA en het CDA met het begrip solidariteit wordt geworsteld. Zoals het ook kenmerkend is voor deze tijd dat het kabinet het invoeren van één bijstandsuitkering per huishouden verdedigt met het argument dat het de solidariteit aantast als de stapeling van uitkeringen achter één voordeur meer geld in het laatje zou brengen dan het inkomen uit werken achter een andere voordeur. Waar in het verleden solidariteit vooral werd gezien als een recht, wordt meer en meer gekeken naar de plichten die er tegenover staan wil je voor dat recht in aanmerking komen.
De vraag hoe groot de onderlinge solidariteit in de landen van de eurozone is, is als gevolg van de crisis rondom de gemeenschappelijke munt het meest actueel. Pro-Europese politici zijn geneigd te zeggen dat de euro een gegeven is en dat het niet veel zin heeft daar verder over te discussiëren. Hun argument is dat zonder steun van de rijkere landen aan de zuidelijke probleemlanden de financiële gevolgen voor Europa niet te overzien zijn. Of ze zeggen dat de burgers van de noordelijke landen zich moeten realiseren dat zij juist hebben geprofiteerd van de invoering van de euro, met als achterliggende boodschap dat ze daarom nu iets terug moeten doen.
Maar die houding voedt juist de scepsis van degenen die toch al het gevoel hebben dat Europa hun overkomt en maar doordendert. Het drijft ze in de armen van de PVV, die geld geven aan Griekenland onomwonden vergelijkt met het gooien van parels voor de zwijnen.
Het woord 'solidair’ hangt in oorsprong nauw samen met het woord solide. Dat is in het geval van de euro en de huidige crisis toch op zijn minst ironisch te noemen. Want solide staat voor vast en duurzaam, en juist dat kun je op dit moment van deze munt niet zeggen. Het is maar goed dat bij de invoering van de euro niet is gekozen voor de naam van een oud-Romeinse munt, solidus, hetgeen had verwezen naar zowel solidair als solide. Dat had weliswaar goed de intenties bij de invoering van de munt weergegeven, maar was nu des te pijnlijker geweest.
In NRC Handelsblad stond afgelopen weekeinde een interessant verhaal onder de kop 'Toen de Grieken bij de euro kwamen’. Daarin wordt nog eens uit de doeken gedaan wat er zoal fout ging bij de invoering van de gemeenschappelijke munt. Het rijtje is pijnlijk en rechtvaardigt het gebrek aan vertrouwen van burgers in politici. Burgers hadden erop moeten kunnen vertrouwen dat politici de invoering van de munt en de onderlinge verbondenheid die daarmee gepaard gaat goed hadden geregeld. Want is vertrouwen in een hogere instantie niet een voorwaarde voor solidariteit in een groter wordende wereld?
Waarom zou een Nederlander dan nu solidair moeten zijn met een ander euroland? Politici hadden immers gezegd dat landen alleen mogen toetreden tot de gezamenlijke munt als hun staatsschuld aan de norm voldoet, maar hebben vervolgens al direct bij de invoering een uitzondering gemaakt voor Italië. In het artikel in NRC Handelsblad wordt er nog eens aan herinnerd dat die Italiaanse staatsschuld niet een klein beetje te hoog was, maar ruim twee keer zo hoog als was toegestaan. Die toegeeflijkheid zette vervolgens een paar jaar later de deur open voor de Grieken, omdat die toen niet meer geweigerd konden worden vanwege een te hoge staatsschuld.
De solidariteit wordt ook op de proef gesteld als politici op papier sancties afspreken voor landen die de begrotingsregels overtreden, maar die straffen vervolgens niet opleggen als daar alle aanleiding toe is. En het is al helemaal veel gevraagd solidair te blijven als blijkt dat Griekenland niet alleen een te hoge staatsschuld had, maar dat de Griekse politici ook nog eens hun begrotingscijfers mooier hebben voorgedaan dan ze in werkelijkheid waren, kortom hebben gelogen.
Het zijn de politici zelf die door geen solide afspraken te maken over de euro de onderlinge solidariteit in de eurozone op de proef hebben gesteld. De woorden 'solidair’ en 'solide’ zijn niet voor niks familie van elkaar. Als ze de euro willen redden, zullen ze zich dat moeten realiseren. Solide dus. Solidus.