Solo op zee

Ze werd voor gek versleten, Jacqueline Bakker, maar ze moest en zou de oceaan over zeilen. Solo. Afschuwelijk was het. Fantastisch. ‘Nieuwe balkonstoelen interesseren me niet meer.’
BERMUDA, 15 JUNI ‘98. De noordoostpassaat drukt met twintig knoop een stevige bolling in het grootzeil. Aan lijzijde spuit het water langs de kuip, zo schuin ligt de boot. De steiger met vrienden die haar hoofdschuddend nazwaaien, is snel uit het zicht verdwenen. Er is alleen nog azuurblauwe vlakte. Ze trekt een extra rifje in het zeil. Jacqueline Bakker: 'Er is wel eens gesuggereerd dat ik met mezelf in het reine wilde komen. Dat ik psychische problemen te verwerken zou hebben of gebukt ging onder een persoonlijkheidsstoornis. Ik heb ooit eens gefrustreerd uitgeroepen: ik moet en zal die oceaan over. Dat maakt me toch nog geen patiënt?’

Als ook de laatste dolfijn de achtervolging staakt komen de wolken tot leven. Verwrongen monsters met duivelse tronies. Aan de horizon, waar wolk en zee elkaar raken, ziet ze plotseling een schip varen. Ze knippert met haar ogen en rent naar de marifoon om radiocontact te leggen. Antwoord blijft uit. Als ze opnieuw de horizon aftuurt is het schip nergens te bekennen. Bakker: ‘Ik wist dat ik zou gaan hallucineren. Maar omdat ik nog niet zo lang onderweg was, was het aannemelijker dat het een spookschip was geweest. De kustwacht onderschept af en toe spookschepen. Alles leek in orde. De zeilen waren gehesen, het roer stond goed, alleen: er was niemand aan boord.’ De kustwachters betreden het spookschip en gaan op zoek naar het logboek, het scheepsjournaal waarin de zeiler positie, koers, snelheid en waarneming noteert. Vaak is dan de laatste zin: ik ga nu even een duik nemen. 'Ik zou nooit gaan zwemmen. Hoe verleidelijk het ook is, een gigantisch bad voor jou alleen. Zelfs als je de zeilen strijkt of een touw om je middel bindt kan het misgaan. Op open zee kan in een mum van tijd een fikse bries opsteken die je schip tientallen meters wegblaast, harder dan jij zwemmen kunt. Is er een gruwelijker dood denkbaar?’ DE EERSTE AVOND zinkt de zon adembenemend mooi in zee. 'Een prachtige show helemaal voor mij alleen.’ Maar al voor de zon helemaal onder is, kleurt de hemel zwart, alsof Leviathan een reusachtige inktpot heeft omgestoten. Hels onweer barst los. Oorverdovende donder. Verblin dende bliksemschichten ontladen zich gevaarlijk dichtbij in de schuimende golvenkoppen. Bakker: 'De zee was veranderd in een bewegend berglandschap. Ik raakte in paniek, met de handen in het haar vloog ik het schip door. Ik dacht: nuchter zijn of je bent er geweest. Ik kalmeerde en besefte dat direct alle apparatuur uitgeschakeld moest worden. Ik dacht dat het spookte toen de radio even later tot twee keer toe weer aansprong. Komt door het weerlicht, stelde ik mezelf gerust.’ Een paar keer moet ze het grootzeil reven. 'Ik was er vast van overtuigd dat ik het niet zou overleven. Ik schreeuwde, jankte, brulde als een bezetene. Ik zag de kop van een kort krantenbericht voor me: “Solozeilster overleeft oceaanoversteek niet.” Daarna voltrok mijn eigen begrafenis zich voor mijn geestesoog. Ik zag het zwarte marmer van mijn grafsteen en een berg langzaam verwelkende bloemen. Vrienden en familie waren verslagen, ze realiseerden zich dat ik nooit meer terug zou komen. Ik riep de weergoden aan, smeekte hen mijn bootje heel te laten.’ IN JUNI '97 in een haven in Curaçao ziet ze de boot voor het eerst liggen. 'Ik bewonderde haar lijnen, klassiek met een fraaie zeeg, laag vrijboord. Er zat een professionele windvaan op, een radio-ontvanger en een zonnepaneel. Ik was op slag verliefd en wist dat met deze boot de Atlantische Oceaan over te steken was.’ Na een tijdje zakt de vraagprijs en koopt ze de boot. Ze doopt die Pro, een afkorting van het Engelse propinquity, dat zoiets als nabijheid, nauwe verwantschap betekent. Pro gaat op de kant en krijgt nieuwe onderdeks verstevigde verstaging, elektronische apparatuur en een reddingsvlot. Er komt een mooi nieuw teakdek op en er worden zelfklemmende schootlieren gemonteerd. 'Alles liep ik na en alles leek in orde. Ik had de boeken van beroemde solozeilers als Joshua Slocum, Tristan Jones, Claire Francis en Eric Tabarly de jaren ervoor al verslonden. Niets stond de oversteek nog in de weg.’ Het is merkwaardig kalm de volgende ochtend. Ze tapt een glaasje water uit de 120-litertank en neemt tevreden een slok. Het lijkt of de storm alle wind op de wereld verbruikt heeft. 'Ik had een inferno overleefd waar je je als landrot niets van voor kunt stellen. Dat ik me verzoend had met de mogelijkheid dat ik dood zou gaan, gaf ontzettend veel rust. Ik bedankte Pro en ging grondig haar dek schrobben. Daarna nam ik zelf een bad, ik stopte de loosgaten dicht met omgekeerde bierflesjes en liet de kuip vollopen. ’s(Avonds las ik met schone kleren Slauerhoff. Ik gunde mijzelf één nummer van de Eric Clapton-cd. Omdat de motor kuren had kon ik alleen stroom tappen uit het zonnepaneel. Eigenlijk had ik die veel te hard nodig voor de marifoon en de navigatielichten.’ Logboek: 22 juni 1998: 12.40 uur UTC, 3155'N, 5336'W, log 1673 nautical miles, kompaskoers 80, barometer 1022, wind Z-7. Het waait hard, erg hard, een front, want de barometer valt niet, maar ik ben niet gerust. Meer fok weg. Ik ben bang dat er iets kapot gaat, nog even en dan gaat ook het grootzeil met het derde rif eraf. Een paar uur later: de wind gaat ietsje liggen (Z-5); gelijk weer zingen! Strakjes brood met speculaasjes. DE DATUM MOET ze met hulp van de radio telkens weer opzoeken. 'In het gewone, georganiseerde leven vormen de dagen van de week een cirkel in mijn hoofd. Zoals de dagen in een agenda na een week opnieuw beginnen. Op zee is dat niet. De tijd is er geen cirkel meer maar een lange rechte lijn. De dagen vallen weg.’ Ondanks dat het schip is uitgerust met een zelfstuursysteem - de windvaan staat in verbinding met het roer - is slapen onmogelijk. 'Al is op het moment dat je je ogen sluit in de verste verte geen schip te bekennen, na een half uur pitten kun je geramd worden. De horizon is maximaal vijf mijl verwijderd. Mammoettankers op de oceaan varen zo'n twintig knopen. Ze kunnen binnen een half uur bij je zijn.’ Er zijn gevallen bekend van boten die ineens verdwenen zijn, die nooit meer worden teruggevonden. Waarschijnlijk zijn ze tegen een tanker opgevaren. De bemanning merkt er niets van en klaverjast vrolijk verder. 'De radar van vrachtschepen is niet fijngevoelig genoeg om kleine zeilschepen op te merken. Ik was dus gedwongen elk half uur de zee af te speuren.’ Hoe beducht ze ook is voor andere schepen, als er eentje aan de einder verschijnt vult dat haar met warme gloed. 'Direct zocht ik via de marifoon contact. Om bevestigd te worden in mijn bestaan. Want soms twijfelde ik of ik er nog wel was. Van elke boot die ik zag wist ik dat het waarschijnlijk voor lange tijd het enige teken van leven zou zijn. Je mag niet voor niks oproepen, dus vroeg ik altijd om het weerbericht, als opstapje naar een gesprek. Het is menselijk, je wilt je zorgen delen. Die weerberichten had ik meestal zelf al. Doorgekregen van de Amerikaanse kustwacht. Daar zat een zekere Herb die het weerbericht voorlas en vertelde wanneer ik het beste een trog kon oversteken. Herb was mijn beschermengel.’ Hoe hopeloos ook, nooit verklapt ze aan een passerend vrachtschip dat ze solo vaart. 'Een jonge Hollandse vrouw alleen in een zeilboot midden op de oceaan… Die grote tankers zijn gevuld met minstens twintig zeebonken die al maanden van huis zijn.’ Logboek: 1 juli 1998; 15.15 uur UTC, 3500'N, 3741'W, log 2398 nautical miles, kompaskoers 20, barometer 1023, wind; variabel (eigenlijk geen wind…). We liggen gigantisch te rollen, met slaande zeilen. Ik rol mijn bed uit. Weer een muziekje, al moet ik uitkijken met de accu’s. Grote onweersbui ten zuiden van me. Hopelijk slaat-ie ons over. Grote natte troep binnen, pannekoeken gebakken straks opruimen. Potverdrie, ik wil wel 5 juli op de Azoren aankomen. Ik schrik me wild als ik via Herb op de radio hoor dat de Bandung wordt vermist. Wat, die ken ik toch? Wat zal er gebeurd zijn? DE HALLUCINATIES verergeren. Ineens zit er iemand bij haar in de boot. Het is Bernie, een onooglijk mannetje met een valhelm dat ze in Bermuda door de haven heeft zien sluipen. Terwijl Bernie door haar schip struint, klinken er ook raadselachtige geluiden, hondengeblaf en mensen die haar roepen. 'Om de waanzin het hoofd te kunnen bieden ging ik met mezelf in gesprek. On gemerkt ging dat over in conversaties met onderdelen van de boot. Je bent alleen, hield ik mezelf voor. En Cor, Isabel, Rudolf en Truus dan?, vroeg ik me dan meteen af. Cor was een handig mes met talloze functies. Isabel was de windvaan, vernoemd naar een Franse solozeilster. Rudolf was de motor en Truus het elektrische stuurautomaat. Tegen Cor was ik altijd aardig, hij kwam altijd van pas. Ondanks dat ik veel aan ze heb moeten repareren deden Isabel en Truus ook goed hun best. Rudolf daarentegen heb ik verrot gescholden en hard geschopt. Hij wilde niet starten. Achteraf bleek dat hij op hol was geslagen omdat hij op diesel in plaats van olie had gelopen.’ Het schemert en de wind neemt af. Verveeld eet ze gemberkoekjes. Als de maan recht boven zee staat, ligt de boot volkomen stil. Aan de kim gloort iets. Een schip dat rap naderbij komt. Ze springt op en grijpt de marifoon. Geen antwoord! De roodgroene boordlampen komen recht op haar af. Tevergeefs probeert ze Rudolf aan de praat te krijgen. In opperste wanhoop richt ze de bundel van een schijnwerper op haar zeil. Ze bidt om wind, al is het maar een briesje. Onverstoorbaar stoomt de tanker door. Ze haalt lichtkogels te voorschijn, schiet ze in paniek rakelings langs het zeil. Even is de nacht wit. 'De tanker kwam zo dichtbij dat ik dacht dat het met me afgelopen was. Er kwam water de kuip binnen, we gingen schuin. Ik deed mijn ogen dicht en wachtte op de klap. Minuten gingen voorbij maar de klap bleef uit. Pas toen de tanker uit het zicht verdwenen was, durfde ik op te staan. De zee was mij genadig geweest.’ Logboek: 5 juli 1998; 05.00 uur UTC, 3714'N, 3357'W, log 2650, kompaskoers 350, barometer 1030, NO-3 wind. Vanmorgen zelf gestuurd; raar, heb het idee op een hellend vlak te zijn - ben wat lucide. Alsof de zee een skipiste is, ik zeil zo naar beneden. We maken weer wat tempo, al vertrouw ik dat hogedrukgebied waar we nu middenin zitten niet echt. Het water is olie-achtig en van vermoeidheid zie ik twee kleuren water, mijn linkeroog ziet meer blauwtinten dan mijn rechteroog. 'Ik had me à la Henk de Velde kunnen laten sponsoren, een hoop geld kunnen opstrijken. Maar dat zou afleiden van de essentie: ik wilde weten hoe het is om lange tijd alleen te zijn op zee.’ De tocht begint in februari, wanneer ze van Curaçao, waar ze vijf jaar heeft gewoond, naar Antigua vertrekt. 'Van Antigua voer ik naar Bermuda. De oversteek van Bermuda naar de Azoren, meer dan tweeduizend mijl, was de grootste krachtmeting geweest. Met de zee en met mezelf. Het was een even afschuwelijke als fantastische ervaring. Je werd er raar van. Ik kwam erachter dat het niet menselijk is om in je eentje op zee te gaan zitten.’ Existentiële vragen blijven haar onophoudelijk lastig vallen. 'De oversteek was een vorm van zelfkastijding geweest. Dat is blijkbaar een eigenschap van mij.’ Weinigen geloofden dat ze het zou halen. 'Ze dachten dat ik om zou keren, of mensen aan boord zou halen tegen de eenzaamheid.’ Half juli komen de Azoren in zicht. Het laatste stukje wordt ze de haven ingesleept. Op de steiger staan de vrienden te wachten. 'Mensen, echte mensen. Ik kon het niet geloven. Overal lachende gezichten. Ik wilde rondlopen maar zakte vanwege de spierverslapping door mijn knieën. Nadat ik iedereen had omhelsd, viel ik in een diepe, diepe slaap.’ Terug in Nederland. Alles is veranderd. 'Nieuwe stoelen voor op het balkon interesseren me niet meer.’ Ze wordt gevraagd om op te treden in een radioprogramma. 'Ze hadden er een psycholoog van de universiteit bij gehaald die verstand had van mensen die kicks zochten. Mensen die dat doen hebben een leeg leven, zei hij. Ik was met stomheid geslagen.’