Solzjenitsyns laatste scheldpartij

Onlangs besloot de Russische omroep ORT te stoppen met het programma ‘Ontmoetingen met Solzjenitsyn’. Tweemaal per maand orakelde de grote schrijver over wat er in Rusland allemaal niet deugt. Maar niemand luisterde. En zijn recente essay ‘Het Russische vraagstuk’ wordt alleen serieus genomen door een handvol hardnekkige bewonderaars.
Van de auteur verscheen vorig jaar de bundel De verhalen; evenals eerdere publikaties uitgebracht door De Wereldbibliotheek. © The New York Review of Books. Vertaling: Tinke Davids.
WAT EEN VREEMD SCHOUWSPEL: twee maal per maand Aleksander Solzjenitsyn op de Russische televisie. Laat op de avond, wanneer het daglicht in Moskou begint te verbleken en het stof van de vele bouwwerken op straat is neergedaald, laat de schrijver zich met zijn kordate, joviale falsetstem gaan in een stortvloed van banaliteiten, platituden en uitroepen (‘Het is een nachtmerrie!’, ‘Dit is verschrikkelijk!’, ‘Schande!’), waarbij hij met zijn armen zwaait, ze uitstrekt naar de tv-camera, ze opheft naar het plafond, of ze zelfs voor zijn gezicht slaat, alsof hij de gedachte aan zoveel gruwelijks niet meer kan verdragen.

Solzjenitsyn kookt van woede, tweemaal per maand een kwartier lang, ’s maandags vanaf kwart voor tien. Dat is een goed tijdstip. De kijkers hebben een zware dag achter de rug. De Mercedessen hebben de nieuw-rijke Russen naar hun nachtclubs vervoerd. Beroepsbedelaars hebben hun namaakzweren van hun huid losgeweekt, hun wegrottende benen afgegespt en hun vangst van die dag opgeborgen. Daklozen spreiden hun beddegoed uit onder warme buizen in kelders. De kinderen zijn naar bed, jongemannen hangen aan de telefoon om te flirten met hun vriendinnen, ouders hebben al gegeten, ze hebben de zeven grendels voor hun stalen deur geschoven, en ze geeuwen. Het wordt tijd voor wat ontspanning. Wat is er op de andere zenders? Een muziekvideo, een nieuwe varietevoorstelling, een oude varietevoorstelling, een film, en het programma Reporter, dat ‘een ooggetuigeverslag van de uitbarsting van de beroemde vulkaan de Krakatau in Indonesie’ brengt. Is dat kreng dan niet in 1883 uitgebarsten…? De angstaanjagende lavagolf had de naburige eilanden weggespoeld, en daarna was nog tientallen jaren lang vulkanisch stof in de atmosfeer blijven hangen, dat zorgde voor die fantastische purperrode zonsondergangen die de symbolisten en anderen zo hadden geinspireerd. 'Het was verstikkend heet, de zonsondergangen waren duivels, ondraaglijk, purper. Die hebben we allemaal onthouden, tot aan het eind van ons leven…’, schreef Achmatova. Of bedoelen ze misschien de uitbarsting van 1952? Dat zou recenter en misschien belangrijker nieuws zijn dan wat de Nobelprijswinnaar ons zo graag wil vertellen: die gaat verontwaardigd tekeer tegen de onrechtvaardigheden van het vakbondswezen in de Sovjetunie van de jaren twintig.
'Een schande’, zegt de schrijver streng via de beeldbuis. Schoonmaaksters die de gangen van hotels vegen, onderbreken hun werk even om te luisteren, leunend op hun bezem. Ze knikken instemmend: 'Zeg dat wel, een schande! Hier sta ik, ik heb drie baantjes… en het brood is alweer duurder geworden! Die Loezjkov (de burgemeester van Moskou - tt) zouden ze bij al die anderen in de gevangenis moeten opsluiten! Het komt allemaal door die democratische maffia!’
De schrijver hoort hen niet, en zij horen hem al evenmin.
MEN ZEGT DAT DOVE MENSEN langer leven. Solzjenitsyn ziet er verrassend jeugdig uit: een frisse rode kleur, weinig rimpels, glinsterende ogen - hij lijkt meer te leven dan menig man van vijftig. Als je zo naar hem kijkt, zou je nooit denken dat hij jaren in de kampen heeft doorgebracht, lijdend onder honger en kou, dat hij doodziek is geweest (volgens hem was het kanker), dat hij jarenlang vervolgd is. Aan de andere kant is het lot hem ook weer ongewoon goed gezind geweest, het heeft hem wereldroem bezorgd, ladingen geld, twintig jaar pais en vree in Vermont, een trouwe, dierbare echtgenote, gezonde en begaafde zoons. Het uiterlijk van de schrijver is een fraaie reclame voor een vrijwillig isolement op het platteland. Groenten. Frisse lucht. Volleyballen met de kinderen. Regelmatige werktijden. Geen indringers. Een hoog hek.
Dat lijkt zijn modus operandi te zijn: geen indringers toelaten. Dat is hem uiteindelijk ook op de televisie gelukt: hij heeft al zijn gasten weten te verdrijven - andermans opinies irriteerden hem kennelijk. Het genre van de monoloog vond hij aangenamer, daarmee was hij vertrouwd. De uitzending wordt van tevoren opgenomen, hij wordt niet gehinderd door telefoontjes van kijkers. Je kunt hem geen enkele vraag stellen, er is niemand die protesteert, de onderwerpen hebben niets met het heden te maken, of ze zijn abstract, de vermaningen zijn zo vaag ('De mensen zouden eerlijk moeten zijn’), de dreigementen zo troebel ('Als we niet allemaal een lijn trekken, gaan we ten onder’), dat sommige mensen, ik heb dat met eigen ogen gezien, het geluid afzetten en alleen maar kijken naar de gebaren, de soepele bewegingen van de ruggegraat en de verschillende gelaatsuitdrukkingen, alsof het 'geweten van het Russische land’ een cursus aerobics geeft.
Het gerucht wil dat hij niet alleen geen cent krijgt voor zijn optreden, maar dat hij zelfs een aanzienlijk bedrag uit zijn eigen portemonnee neertelt, bij vooruitbetaling, voor maanden, om zendtijd voor zichzelf te kopen en ons gulhartig, ook mij, een proefje van zijn verbijsterende vaagheden te gunnen. Dat wil het gerucht, hoewel ik dat niet bevestigd heb kunnen krijgen. En trouwens: wie zou bereid zijn geweest mij de kwitantie te laten zien? Ik heb eigenlijk medelijden met hem: de oude man doet zijn best, hij bereidt zich voor, hij gelooft in wat hij zegt. (Zo streng als hij zichzelf vermaande in die BBC-film over zijn terugkeer naar het moederland; vlak voordat hij uit het vliegtuig stapte, sprak hij tot zichzelf: 'Krachtig en nadenkend kijken!’) De oude man schreeuwt geluidloos, wappert met zijn armen in het donker, rukt aan zijn haar en vliegt als een lichaamloze geest in een werveling van elektronen door de onverschillige ether om tegen mijn tv- scherm te kloppen, smekend om toegelaten te worden met zijn beschimmelde profetieen, terwijl ik, wreed als ik ben, met een oog kijk naar de serie Bellissima, met het andere een samenvatting van de gebeurtenissen van de dag lees, en met een derde (nou ja, we zijn immers in Rusland) een literair blad doorkijk, terwijl ik een vierde oog en alle andere gevestigd houd op het fornuis om te voorkomen dat het vlees aanbrandt.
Solzjenitsyn weet altijd precies wat er gedaan moet worden, en hoe het gedaan moet worden. Hij is oprecht teleurgesteld dat niemand hem om advies heeft gevraagd bij de schepping van de wereld. Hij zou de baan van de elektronen beter berekend hebben dan God zelve, hij zou verstandige correcties hebben aangebracht in het periodiek systeem der chemische elementen, hij zou de dubbele helix de andere kant om hebben gedraaid. Voor het gemak is zijn uitgangspunt dat Rusland op het moment woest en ledig is (en corrupt en immoreel, en het hele land, afgezien van deze ene schrijver, kent de Russische taal niet meer), en dat de goddelijke geest over de wateren zweeft, en nadenkt over de plaats waar hij het best kan beginnen. En dat is waar Solzjenitsyn met zijn adviezen en zijn ellebogenwerk nodig is, waar hij onmisbaar is.
IN ZIJN ESSAY Hoe Rusland herbouwd moet worden, verschenen in Rusland in 1990 in de Literatoernaja Gazeta, heeft Solzjenitsyn zijn versie van het stukhakken van de Sovjetunie gegeven. Of liever: hoe men daar stukjes af moest hakken. Destijds vonden separatistische denkbeelden snel aanhang. Met leuzen over democratie en onder het voorwendsel van de vrijheid van meningsuiting kon elke mensenhater of racist die de pest had aan zijn buren, eisen dat zij van hem werden gescheiden, of nog liever: dat ze geslagen werden en verjaagd. Solzjenitsyn kwam met een Russocentrische versie van separatisme te voorschijn: houd Rusland, de Oekraine, Wit-Rusland en een deel van Kazachstan (historisch Russisch terrein) bij elkaar, en gooi alle anderen eruit, of ze willen of niet. De Russische bevolking in de overige republieken moest maar terugverhuizen naar Rusland. Met andere woorden: red je eigen soort en laat de anderen het zelf maar uitzoeken. En laat de werkelijkheid - van heden en verleden - zich maar aanpassen bij dat wrede plan.
Tenzij je een aardbol in handen neemt, kun je je erover verbazen waarom een vliegtuig dat van Amerika naar Europa gaat bijna over de Noordpool vliegt. Solzjenitsyn wil niets te maken hebben met de echte aardbol, zijn aarde is plat, en de mensen die daar wonen zijn simpel. In de tuin van zijn verbeelding wandelen Oekraieners arm in arm met Russen, terwijl ze boze blikken werpen op Armeniers, en met een zweep Tadzjieken verjagen. Zo zag de situatie er in zijn ogen uit, in dat verre 1989.
Tegen de tijd dat hij Het Russische vraagstuk had geschreven (in maart 1994), was het sovjet-imperium al uiteengevallen, zij het niet op eigen gelegenheid, maar als gevolg van Jeltsins haast om de macht af te pakken van Gorbatsjov (zie Jeltsins autobiografie, The Struggle for Russia, waarin hij zelf over deze kwestie schrijft).
Tussen twee haakjes vermeld ik hier een merkwaardige paradox: mensen die ongelukkig zijn over de ineenstorting van de Sovjetunie - en daar zijn er steeds meer van, aangezien vrijwel iedereen eronder geleden heeft - geven de schuld niet aan Jeltsin, die in december 1991 de Belovezjski-overeenkomst heeft getekend, maar aan Gorbatsjov, die tot elke prijs het imperium wilde redden en om die reden van de macht is beroofd. Ik heb het hier niet alleen over taxichauffeurs die er ooit van droomden Gorbatsjov op te hangen omdat de suiker waarop zij voor hun illegale destilleerderijen hadden gerekend, was verdwenen. Deze vreemde dwaling is tevens kenmerkend voor de meest democratische democraten. Ik moet toegeven dat ik daar niets van begrijp.
Hier volgt een typische conversatie in een Moskouse keuken. Ik zeg: 'Als gevolg van Jeltsins optreden zijn al honderdduizenden mensen van alle nationaliteiten gedood bij etnische conflicten.’ Mijn gespreksgenoot haalt slechts zijn schouders op: 'Tja, wat doe je eraan, die idioten blijven elkaar maar afmaken.’ 'Maar onder Gorbatsjov’, zo vervolg ik, 'protesteerden we allemaal luidkeels toen in Tbilisi acht mensen waren omgekomen bij een demonstratie…’ 'Geen acht, het waren er achttien. Achttien!’ antwoordt mijn vriend op strenge toon. 'Wat is het verschil dan?’ vraag ik. 'Er is een enorm verschil! Enorm!’ (Deze waanzinnige rekenkunde heeft natuurlijk een analogie in andere landen: vertel me eens hoeveel vreedzame inwoners van Irak zijn omgekomen toen de Amerikanen, met heel geringe verliezen, probeerden - zonder succes nota bene - Saddam Hoessein om het leven te brengen? Je telt immers niet de verliezen van de tegenpartij. Zo zit de wereld nou eenmaal in elkaar.) Als ik rechtstreeks vraag: 'Is het niet de schuld van ons Russen dat bijvoorbeeld de Georgiers en Abchaziers zoveel van elkaars burgers hebben gedood?’ krijg ik onmiddellijk te horen: 'Het wordt tijd dat jij dat imperiale bewustzijn van je afzet!’ Mijn progressieve gespreksgenoot heeft dat al gedaan, en de prijs daarvoor is het bloed van andere mensen.
Overigens slaat deze episode op de tekst van Solzjenitsyn en mijn afwijzing van zijn denkbeelden. Ook Solzjenitsyn heeft meegeholpen aan de ineenstorting van de Sovjetunie: 'De handhaving van een groot imperium brengt met zich mee dat je eigen mensen uitsterven. Waarvoor moeten we zo'n bonte mengeling in stand houden? Opdat de Russen hun onvergelijkbare uiterlijk verliezen?’ De denkbeelden van Solzjenitsyn hebben, volgens Vladimir Loekin, voormalig Russisch ambassadeur in de Verenigde Staten, heel wat indruk gemaakt op Jeltsin (Loekin was opgetreden als bemiddelaar voor hun contacten). Natuurlijk niet al zijn denkbeelden. Over democratie en parlementarisme had Jeltsin zo zijn eigen onnavolgbare ideeen: hij stuurde tanks af op het parlement. Het denkbeeld van Solzjenitsyn dat hij ter harte nam, luidde: 'Gooi ze er allemaal uit!’
Onder Gorbatsjov was de beeldspraak van 'een vriendschappelijke scheiding’ populair onder democraten, telkens wanneer de eventuele uittreding van een of andere republiek werd besproken. Maar een dergelijke scheiding is alleen mogelijk wanneer beide echtgenoten ergens heen kunnen en een eigen inkomen hebben. Is de westerse lezer in staat de ware betekenis van die beeldspraak tegen de Russische achtergrond te begrijpen? In Russische families wonen, anders dan in het Westen, vaak drie generaties in een klein appartement, en het is niet ongewoon dat een vrouw tijdens een echtscheiding haar echtgenoot met zijn bejaarde moeder op straat zet - maar waarom moet die oude dame daar onder lijden? En zo'n scheiding, om de beeldspraak nog even vol te houden, was wat Solzjenitsyn voorstelde, en nog steeds voorstelt. Maar terwijl hij in Hoe Rusland herbouwd moet worden alleen over het echtscheidingsproces spreekt, begint hij in Het Russische vraagstuk te klagen over de gezamenlijk geproduceerde kinderen, met andere woorden: hij formuleert verwijten aan het adres van de schoonmoeder.
Het Russische vraagstuk is een opzettelijk tendentieus, quasi-historisch traktaat, geschreven om te bewijzen dat de Russische tsaren zich gedurende de laatste driehonderd jaar van hun bewind onjuist hebben gedragen. Ze hebben zich niet verdiept in de interne aangelegenheden van hun land, noch in de moraal en het welzijn van hun onderdanen. In plaats daarvan voerden ze nodeloze oorlogen en veroverden ze gigantische gebieden - en dan zit je dus ineens met zo'n imperium en alle ellende die daaruit voortkomt. Vanaf de allereerste pagina’s voelt de lezer de vraag opkomen: En hoe was het dan voor die tijd? En daar weer voor? Waren die veroveringen soms gerechtvaardigd voordat de Romanovs aan de macht kwamen? Soms, zo moet Solzjenitsyn toegeven, pikten de Romanovs iets goeds in. Zo was 'de Poolse oorlog die Aleksej voerde zowel noodzakelijk als rechtvaardig, aangezien dit een herovering was van historisch Russisch grondgebied, dat bezet was door de Polen’. Mogen we hier misschien de vraag stellen: wat is 'historisch Russisch grondgebied’? Gebieden die veroverd zijn door een oorlog heel lang geleden? Waar trek je de grens? Solzjenitsyn weet best dat het Russische volk bestaat uit een mengeling van een aantal verschillende stammen, maar die mengeling is voor een deel ontstaan als gevolg van oorlogen, bezettingen en confiscaties. Hij schrijft: 'Een veelheid van stammen is opgenomen in de Russische etniciteit’, en dat is ook zo, maar hij zegt er niet bij dat de Russische 'etniciteit’ zelf weer uiterst heterogeen is. Van dat gevoelige, complexe probleem houdt hij zich verre.
Maar vanaf de eerste jaren van de Romanov-dynastie is alles voor hem zonneklaar. Tsaar Aleksej Michajlovitsj voerde 'op wrede en misdadige wijze’ oorlog tegen zijn eigen volk toen hij de Kerkhervorming (het Schisma) doorvoerde. Peter de Grote was 'een middelmatige denker, op het primitieve af’: hij opende een venster naar Europa, brak door Oostzee en Zwarte Zee heen, bouwde Petersburg (een 'krankzinnig idee’) en had zelf geen opvolger aangewezen. Anna Ioannovna voerde 'dwaze, mislukte oorlogen’; haar generaal, Munnich, 'bestormde met een schandelijk gebrek aan bekwaamheid Otsjakov (1737) vanuit de meest ongunstige richting, onder verwaarlozing van een gemakkelijker route’. Hoewel in tsarina Elisabeth 'weliswaar het Russische nationale gevoel leefde’, is het 'onvergeeflijk’ dat ze 'Rusland liet delen in Europese twisten en twijfelachtige ondernemingen, die ons zo vreemd zijn’. Peter III was 'een onbeduidend persoon, een man met een gering en oppervlakkig verstand, wiens ontwikkeling op kinderlijk niveau was blijven steken.’ Genoeg. Daarna volgt een hele reeks vloeken, die zullen we maar overslaan.
Dan komt Catharina de Grote, maar geschiedenis en politiek worden dan zo ingewikkeld dat Solzjenitsyn zijn struikelende tempo vertraagt en zijn scheldkanonnade enigszins tempert: hij begint aan een verhandeling over Europese diplomatie en militaire campagnes, die zo onbegrijpelijk is dat de lezer, tenzij hij gespecialiseerd is in de achttiende-eeuwse geschiedenis, verstrikt raakt in de gelijktijdige machinaties van Polen, Turkije, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, Griekenland, Pruisen, Zweden en Denemarken. En niet te vergeten Moldavie, Walachije, delen van de noordelijke Boekovina, westelijk Wit- Rusland, Zabrze, Volhynie, Podolie, Nederland, Spanje, Sicilie. Om maar te zwijgen van vier Russisch-Turkse oorlogen in de achttiende eeuw, en vier in de negentiende; de Poolse delingen, het Congres van Reichenbach, het Verdrag van Koetsjoek-Kainarji; de overwinning bij Focsani (Roemenie); de schandelijke vrede met Pruisen, Frederik, Khan Krym-Girei… Genade!
HET RUSSISCHE VRAAGSTUK is een essay. De stijl is eclectisch: een encyclopedie vol sarcasme, vloeken, bittere scheldwoorden; de auteur geeft de regerende vorst op zijn donder, en wisselt dat af met neerbuigende lofspraken. Eerst vraagt hij arrogant: 'Had Frederik, zelfs als hij Polen had ingenomen, ooit het uitgestrekte grondgebied van Rusland durven binnenvallen?’ (Waarom niet? Anderen hebben dat ook 'gedurfd’: Djengis Khan, Karel XII, Napoleon, Hitler… En Rusland had het zelf ook gedurfd en was andere landen binnengevallen, zonder dat Solzjenitsyn om toestemming is gevraagd.)
Nadat je je bijna honderd pagina’s door dergelijk struikgewas hebt geworsteld, begin je, als je je eenmaal bevrijd hebt van data en namen, te zien waar het om gaat. Wat Solzjenitsyn eigenlijk onze onhandige en talloze regeerders verwijt, is dat ze slechte imperialisten zonder vooruitziende blik waren. En zelf heeft hij een vooruitziende blik, dat is het verschil. Dat was niet de juiste manier om oorlog te voeren, dat waren geen mensen om mee om te gaan, om in te geloven. Als ze naar hem hadden geluisterd, zou alles anders zijn geweest. Bijvoorbeeld aan het eind van de achttiende eeuw: 'Rusland bereikte een natuurlijke zuidgrens: de Zwarte Zee (inclusief de Krim) en de rivier de Dnjestr (zoals het ook reeds de Noordelijke IJszee en de Stille Oceaan had bereikt). Daar hadden we moeten stoppen.’ (Maar wat moesten ze doen? Solzjenitsyn was nog niet geboren, er was niemand die hen van advies kon dienen.)
Eigenaardige logica! Solzjenitsyn heeft zojuist de gedachte om Rusland uit te breiden tot aan de Indische Oceaan veroordeeld, maar dat de Stille Oceaan bereikt is, keurt hij goed. Hij is blij dat Rusland zich heeft ingegraven aan de Zwarte Zee, maar niet gelukkig met het idee om de Bosporus te veroveren, het idee van hulp aan mede-Slaven die lijden onder het Turkse juk. Hij is ook niet gelukkig met het plan om de Grieken, medegelovigen in de Orthodoxe Kerk, te bevrijden van diezelfde Turken. Niks mee te maken! De Basjkieren waren in 1735 in opstand gekomen: daarmee had men zich moeten bezighouden, niks optrekken naar India. Hij beschouwt zichzelf niet als imperialist, maar misschien mag ik even opmerken dat hij nog erger is: hij is nog egotistischer dan alle imperialisten. Alles wat volgens hem goed is voor de Russen, wordt door hem gerechtvaardigd. En alles wat nadelig is - weg ermee! Volgens hem heeft Rusland door de Poolse deling van 1772 'het sinds lang verloren Wit-Rusland teruggekregen’; een tijdje later, in 1829, 'zorgden wij ervoor dat de Grieken onafhankelijk werden… opnieuw andermans belangen’. In mijn oren klinkt dat zo buitengewoon cynisch dat zowel Grieken als Witrussen allebei versteld zouden moeten staan. Ondanks de waanzin die diverse Russische tsaren heeft overvallen - vergeleken met Solzjenitsyn lijken ze althans nog enige romantiek te hebben gekend, en enige stijl. Bij onze auteur zien we slechts de starre berekening van een sluwe boer die weigert een bedelaar een stuk brood te geven omdat hij alle restjes voor zijn eigen varkens nodig heeft.
ZELFS HET SOVJET-IMPERIALISME, in zijn poststalinistische versie, lijkt zachter, menselijker en duidelijk democratischer dan de versie van Solzjenitsyn. Hier volgt zijn benadering van het probleem van de Tsjetsjenen (voor het begin van de oorlog): 'Was het niet eveneens onze plicht een evacuatie te regelen voor de Russen uit Tsjetsjenie, waar ze bespot worden, waar plundering, geweld en dood hen te allen tijde bedreigen?’ Alsof Russen niet stelen van Russen, of Tsjetsjenen van Tsjetsjenen - als ze dieven zijn; alsof Russen niet vreedzaam naast Tsjetsjenen wonen in Tsjetsjenie en in Rusland - als ze normale mensen zijn! En hoe cynisch wordt het sarcasme van de schrijver als hij zegt: 'En wij? Wij hebben in deze jaren gastvrij onderdak geboden aan veertigduizend Mesjhed-Turken, die weggebrand waren uit Centraal Azie en door de Georgiers niet werden toegelaten tot hun geboorteland; aan Armeniers die uit Azerbaidzjan waren gevlucht; en overal natuurlijk ook aan Tsjetsjenen, al hadden die zich onafhankelijk verklaard; en zelfs aan Tadzjieken, die een eigen land hebben…’
Nou ja, logisch is hij wel, en consequent: Solzjenitsyn wenst geen buitenstaanders op de televisie, evenmin als in zijn huis in Vermont, of in ons land. En wij, slechte en gastvrije mensen als we zijn, willen die wel.
Dus zou ik kunnen stellen dat 'wij’ misschien minder slecht zijn dan de schrijver ons wenst uit te beelden. 'Wij moeten een moreel Rusland opbouwen, of anders helemaal geen Rusland - dan zou het er immers niet toe doen.’ Is dat soms onze moraal? 'Wij moeten alle goede zaden beschermen en koesteren, die als door een wonder in Rusland niet zijn vertrapt.’ Is onze gastvrijheid, die Solzjenitsyn veroordeelt, misschien een van die zaden? Ik wil liever denken dat ons rare volk, ondanks al zijn ondeugden, vriendelijker is dan deze ongevraagde adviseur.
Solzjenitsyn staat niet geheel alleen, natuurlijk. Hij heeft zijn eigen unieke aanhang, die grotendeels - en dat is zijn verdienste - bestaat uit buitengewoon waardige lieden. Dat zijn oudere, fatsoenlijke, gewetensvolle burgers die zich bezighouden met de politieke en morele crisis die Rusland nu doormaakt. Al die mensen hebben Solzjenitsyns zedelijke imperatief ter harte genomen: 'Niet leven door leugens.’ Ze hebben zich ingespannen om dat voorschrift te volgen, met slechts een uitzondering, namelijk dat ze - consequent en aanhoudend - liegen over zaken die te maken hebben met hun Leermeester en Profeet. Voor hen is elke gedachte van deze auteur een openbaring, en elke roman van zijn hand een meesterwerk.
Eigenlijk is dit een vorm van religieus fanatisme. Een mens kan redelijk zijn, royaal, verdraagzaam, en zelfs een zekere innerlijke vrijheid hebben veroverd, maar als hij, laten we zeggen, een overtuigd christen is, kunnen de handelingen van Christus in de bijbel en de inconsequenties in de tekst van de evangelien nooit ter discussie staan. En voorwaar: het is prachtig dat de Heer de zonden der mensheid op zich heeft genomen en zich uit liefde voor de mensen heeft laten kruisigen. Maar was het nou echt onvermijdelijk om een hele kudde zwijnen van een klif te laten storten, enkel en alleen om demonen te verdrijven? En waren die demonen echt zo zwak dat ze samen met die ordinaire zwijnen zijn verdronken?
HET IS PRACHTIG DAT Solzjenitsyn, met gevaar voor eigen leven, de Russische tragedie van de twintigste eeuw in Goelag Archipel heeft samengevat en geinterpreteerd, dat hij een monument heeft opgericht voor de miljoenen onschuldigen die in de kampen zijn omgekomen, en dat hij daardoor het geweten van een hele generatie wakker heeft geschud. Maar wil dat zeggen dat de eigen-teeltrecepten voor de redding van Rusland in Hoe Rusland herbouwd moet worden (wat er in de toekomst gedaan moet worden) en Het Russische vraagstuk (wat in het verleden gedaan had moeten worden) even schitterend zijn? Die recepten zijn in wezen te reduceren tot een primitieve handeling: de verdrijving van demonen door de zwijnen - niet-Russen, buitenlanders, aanhangers van een ander geloof - de afgrond in te jagen.
De roman Een dag in het leven van Ivan Denisovitsj is een voortreffelijk verhaal, maar volgt daaruit dat de onbeholpen, slecht aaneengepaste stukken en brokken tekst die onlangs in het tijdschrift Novy Mir zijn gepubliceerd als twee nieuwe verhalen van Solzjenitsyn, meesterwerken zijn? De bewonderaars van de schrijver beweren van wel - Ja! Ja! Ja! Meesterwerken! Het is pijnlijk artikelen te lezen van gerespecteerde critici die proberen te bewijzen dat een ratjetoe van woorden, uitgegeven onder de naam Solzjenitsyn, briljant is, en beweren dat het aan jou ligt als je stijl noch zin in die verhalen kunt ontdekken, dat jij blind en doof bent en niets van literatuur begrijpt. Het is niet de tekst die geprezen wordt, maar de schrijver - moge zijn naam glorieus voortleven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen.
Voor allen die genieten van kijken naar ’s levens schouwspel is dit slechts een variatie op het thema sic transit gloria mundi. En hoe helderder de gloria straalt, des te treuriger is het te zien hoe ze voorbijgaat. Het treurigste, en ook het meest instructieve, is dat men ziet hoe weinig tijd nodig is voor opkomst en ondergang, hoe mensen wonen in de ruines van hun vroegere wereldformaat, hoe de laatste paar discipelen, die gezworen hadden de waarheid te zeggen, beschaamd zichzelf en hun Leermeester voorliegen. Dit bevestigt slechts de oude maxime dat liefde meer macht heeft dan waarheid, en dat geloof kostbaarder is dan feiten. De trouw van zulke sektariers kan alleen maar bewonderd worden; als velen voor hen trekken ze barrevoets voort over de stoffige wegen, ze slaan op een trommel en verkondigen dat de Waarheid gevonden is - terwijl het leven, luidruchtig en complex en sluw, de andere kant uit gaat en hun zwakke gezang overstemt.
Deze maandag, ’s avonds, was de laatste Ontmoeting met Solzjenitsyn. Heeft er iemand naar hem gekeken? Op een andere zender van onze bescheiden televisie had hij concurrentie van een reportage uit India: Het universum volgens de bekende goeroe Osh.
Dus zijn ze toch nog helemaal tot de Indische Oceaan gekomen, die schurken. Dat komt ervan als je niet luistert naar de oude man.