Somber

Ook voor hen die nog wel een vaste baan hebben en die denken rechten te hebben, zijn de tijden onzeker geworden. Het salariaat vreest het precariaat.

Het is een vicieuze cirkel en we draaien ons er behoorlijk in vast. Vertrekkend directeur van het Centraal Planbureau, Coen Teulings, wees er vorige week nog eens op: Nederlanders zijn somber en daarom consumeren we minder. Maar omdat we minder consumeren lopen de inkomsten van de staat terug, waardoor er wederom bezuinigd moet worden van het kabinet. Daar worden we nog weer somberder van, waardoor we de hand nog eens extra op de knip houden. En zo verder. Teulings stelde daarom voor, keurig indirect trouwens, om in 2014 nieuwe bezuinigingen achterwege te laten.

Een andere vertrekkende directeur, Paul ­Schnabel van het Sociaal en Cultureel Plan­bureau, probeerde vorige week in zijn afscheidslezing de somberte te relativeren door te wijzen op allerlei internationale ranglijstjes waarin Nederland het helemaal niet slecht doet, zoals de Misère Index, Better Life Index of tevreden-met-het-eigen-leven-index. Als Nederlanders dan alleen de Grieken voor zich hebben op het ranglijstje consumentenvertrouwen, dan lijkt het inderdaad alsof ‘hier iets geks gaande is’, zoals Teulings had gezegd.

Toch is dat gebrek aan consumentenvertrouwen helemaal niet gek. Onzekerheid speelt daarbij een belangrijke rol. Als íets een mens somber maakt en vertrouwen wegneemt, is het wel onzekerheid. Onzeker word je niet van een paar euro minder in je portemonnee, maar wel als zich rondom werk en arbeid – een niet onbelangrijk onderdeel van ons bestaan – revolutionaire ontwikkelingen voltrekken waarbij de mens op een wegwerpartikel begint te lijken.

Ook Schnabel hintte in zijn afscheids­toespraak naar één onzekerheid op dit terrein. Hij erkende dat ‘we er ook rekening mee moeten houden dat de prijs van arbeid zal dalen’. In een interview in de Volkskrant van afgelopen zaterdag somde de Britse econoom Guy Standing een veel groter aantal onzekerheden op: ontslagrecht, pensioen, bescherming tegen ziekte en ongeval op het werk, kansen om zich verder te ontwikkelen, vertegenwoordiging door vakbonden, adequate lonen en beroepsidentiteit. Het staat volgens hem allemaal onder druk. Let vooral ook op dat laatste wat hij noemt. In een maatschappij waarin je bent wat je doet, is dat verlies van je beroepsidentiteit volgens mij een niet te verwaarlozen factor. Met de titel van zijn boek, The Precariat, is de Brit Standing met een nieuwe benaming gekomen voor de groeiende groep mensen die voor weinig geld en weinig zekerheid vaak lange dagen moet werken om nog enigszins rond te kunnen komen. Preca­riaat, daarin zitten de woorden precair en proletariaat, het bindt onzekerheid aan de bezitloze arbeidersklasse, raker kan het bijna niet.

Bij de Haagse discussie over het versoepelen van het ontslagrecht en het verkorten van de duur van de werkloosheidsuitkering naar één jaar, waarna bijstand volgt, gaat het niet over een onsje meer of minder, maar over heel fundamentele ingrepen die alles te maken hebben met de veranderingen op de arbeidsmarkt waar Standing het in zijn boek over heeft.

Onlangs verwoordde Alexander Pechtold de idee achter de versobering van de WW op een wijze die hard zal aankomen bij hen die het betreft. De d66-leider beweerde in de Haagse wandelgangen dat er iets mis is met elke oudere die langer dan een jaar werkloos is. Volgens Pechtold is niet de crisis daaraan schuld, maar de persoon zelf. Hij liet in het midden of de oudere werkloze schuld heeft door zijn verouderde opleiding, een verkeerde werkmentaliteit of doordat hij er moeite mee heeft zijn vertrouwde beroepsidentiteit in te ruilen voor een andere, minder in aanzien staande identiteit die gepaard gaat met minder gunstige arbeidsvoorwaarden, minder aanzien en minder zekerheid. Maar wat er ook met hem mis is, op compassie van Pechtold hoeft hij niet te rekenen.

Werknemers- en werkgeversorganisaties overleggen deze weken over de door het kabinet voorgestelde verkorting van de WW-duur. Regeringspartij pvda had deze niet in het verkiezingsprogramma staan, maar coalitie­genoot vvd wel en zo kwam de maatregel in het regeerakkoord terecht. Het kabinet zoekt echter naar draagvlak in de polder en de werknemers­organisaties staan niet te juichen. Nu zelfs vvd-fractievoorzitter Halbe Zijlstra zich al heeft laten ontvallen dat de ingreep in de WW-duur wat hem betreft bespreekbaar is, lijkt het er daarom op dat dit voornemen van het kabinet het mogelijk niet zal halen.

De hamvraag is echter: is er dan sprake van afstel of alleen van uitstel? Ik denk het laatste. Bij de partijen die de verkorte WW-duur in hun verkiezingsprogramma hadden staan – naast vvd en d66 waren dat ook cda en GroenLinks – was de idee daarachter te principieel om ineens helemaal opzij te zetten. Ook in GroenLinks, waar fractievoorzitter Bram van Ojik al heeft laten weten van het standpunt over de WW-duur terug te komen, zal de discussie weer oplaaien. Want die principiële discussie gaat over insiders op de arbeidsmarkt die zonder ingreep in de WW betere rechten hebben dan de groeiende groep outsiders die deze rechten niet opbouwen. Zeg maar, in de woorden van de econoom Standing, over het salariaat, zij die nog wel een vaste baan hebben en dachten rechten te hebben, versus het precariaat.

Die tweedeling blijft als de WW ongemoeid wordt gelaten. Tenzij er een andere manier wordt gevonden om toch te bereiken wat Pechtold voor ogen heeft: dat (aanstaande) werklozen snel naar een andere baan gaan. Maar dat kan in dit scenario dan ook een baan zijn met minder gunstige arbeidsvoorwaarden, minder aanzien en minder zekerheid, waardoor deze werknemers toch tot het precariaat gaan behoren.

De leden van het salariaat vrezen dat bestaan van het precariaat, ook zonder dat ze ooit van Standing of dat woord hebben gehoord. Ze hoeven ervoor maar om zich heen te kijken. Wat ze zien maakt hen somber en onzeker.