Film: ‘The Lighthouse’

Soms aardappelen, soms kreeft

Verhalen uit de Oudheid en verwijzingen naar schilderkunst en literatuur tekenen The Lighthouse, de nieuwe film van Robert Eggers. Toch gaat hij vooral over het herkenbaar menselijke: wanhoop en obsessie.

Robert Pattinson en Willem Dafoe in The Lighthouse © A24 Films

Een van de twee mannen in de vuurtoren, de oude Wake, is diep gekrenkt als de veel jongere Winslow neerbuigend doet over zijn kookkunsten. Onduidelijk is hoe lang ze al gestrand zijn op het eiland, waar ze dienst doen als wachters; ze zijn alle gevoel voor tijd kwijt. Maar ze hebben het duidelijk gehad met elkaar. Dan is de camera vol op Wake’s gezicht gericht, zodat de diepe plooien, de slechte tanden en vooral de verwilderde ogen een heel verhaal over wanhoop en obsessie vertellen. Zijn reactie is evenwel hilarisch. Hij kijkt naar Winslow en vraagt smekend met een prevelend stemmetje: ‘But yer fond of me lobster?’

Zijn accent is dat van een zeeman uit negentiende-eeuws New Hampshire of misschien New Bedford, Massachusetts, waar Ahab uit Moby Dick met zijn walvisvaarder Pequod de zee op gaat op zoek naar de witte walvis. Wake is zo’n matroos als derde stuurman Stubbs die niet zonder metaforen kan praten, alhoewel hij dat niet door heeft, bijvoorbeeld als hij zijn mannen aanspoort harder te roeien wanneer ze achter een walvis aanzitten. ‘Why don’t you snap your oars, you rascals (…) the devil fetch ye, ye ragamuffin rapscallions (…) why in the name of gudeons and ginger-cakes don’t ye pull?’ Zo praat ook Wake, maar er zitten veel meer geesten in hem dan alleen die overgewaaid zijn uit Herman Melville.

Je kunt onmogelijk naar The Lighthouse kijken zonder de andere verhalen te zien die wild en wonderlijk in de film echoën. Heel anders was de eerste film van de Amerikaanse regisseur Robert Eggers. Waar The Witch (2015), over hekserij in New Hampshire in de zeventiende eeuw, een studie in narratieve eenvoud is, is The Lighthouse een en al intertekstualiteit, de term die postmoderne denkers sinds de jaren zestig gebruiken als verklaring voor de wijze waarop een netwerk van verhalen de betekenis van literaire werken, maar ook van de werkelijkheid zelf, bepaalt. Het vreemde in het geval van Eggers’ nieuwe film is dat je die allerminst postmodernistisch kunt noemen. Integendeel zelfs. Zo is er een duidelijke, lineaire plot. En kun je aan het einde tamelijk precies formuleren wat de film betekent, ook al zegt Eggers in interviews nadrukkelijk dat hij juist wil dat de kijker de bioscoop verlaat met in zijn hoofd ‘vragen en nog eens vragen’.

Nee, The Lighthouse geeft antwoorden, kennelijk tegen wil en dank, juist omdat we die andere verhalen hebben als richtingwijzers. Hierin ligt juist het grote plezier van de film: je kijkt, maar meer nog traceer je de verwijzingen naar de andere verhalen. Dit proces voltrekt zich vanaf de eerste minuten wanneer Wake (Willem Dafoe) en Winslow (Robert Pattinson) in de late achttiende eeuw op het vuurtoreneiland bij de kust van New Hampshire arriveren. Meteen is duidelijk dat hier andere krachten in het spel zijn dan alleen die van de natuur. Als ze zich omdraaien met de vuurtoren op de achtergrond zien ze hoe een mistbank op de kim het schip dat ze bracht opslokt. Zo verdwijnt de laatste verbintenis met de herkenbare werkelijkheid. Het angstwekkende geluidsdesign – een misthoorn klinkt gekmakend – weerklinkt in de woeste zee en de razende wind. Op haar beurt geeft de natuur de verontrusting in het gemoed van de mannen weer. Die zitten ingekapseld in kleine kamertjes en tussen gietijzeren wenteltrappen. Het beeld is zwart-wit en vierkant, alsof je naar een film uit de jaren twintig kijkt.

© A24 Films

De twee mannen, de een een zeerot met zout in de aderen, de ander een ‘mooie jongen, een pláátje’, wennen maar langzaam aan elkaar. Winslow drinkt nauwelijks en zegt aanvankelijk weinig, Wake zuipt als een ketter en praat aan een stuk door. Net als de personages van Melville lijkt het alsof hij niet anders kan dan ‘literair’ zijn. Neem zijn heildronk aan tafel waar ze soms aardappelen, soms kreeft eten: ‘Should pale death, with treble dread, make the ocean caves our bed, God who hears the surges roll, deign to save the suppliant soul. To four weeks.’

Ondanks de praktische zaken – als wachters moeten ze de vuurtoren onderhouden – ligt het bovenzinnelijke vlak onder de oppervlakte. Wake voorkomt dat Winslow in de buurt van de lamp en de lens in de top van de toren komt. Want daar gebeurt iets vreemds, vermoedt Winslow, er zit ‘een of andere betovering in die lamp’. Dat kun je wel zeggen, want op een gegeven moment ziet Winslow een slijmachtige substantie uit de ruimte met de draaiende lamp druipen. Dit kan sperma zijn. Mannen zijn immers maar mannen, zeker wanneer de eenzaamheid op zo’n verlaten eiland toeslaat, maar dat verklaart niet de enorme glibberige tentakel die over de ijzeren rastering bij de lamp heen glijdt.

Constant is er de dreiging van iets duisterders, een ziekte

De plotselinge aanwezigheid van het monsterlijke activeert ook weer andere verhalen: de kraak uit het gedicht uit 1830 van Alfred Lord Tennyson (There hath he lain for ages and will lie); het monster uit H.P. Lovecrafts The Call of Cthulhu (1929); en vooral de gedaanteverwisselaar uit de begintijd van de aarde, dienaar van Poseidon, de ‘oude man van de zee’: Proteus. Hij woonde op het eiland Pharos waar hij meester en herder van zeemonsters en -dieren was. Hij kon veranderen in van alles, bijvoorbeeld in een zeeserpent. Als je wilde weten hoe het verder moest met je leven, kon hij het je voorspellen, maar dan moest je hem eerst vastpakken. Dat lukte Menelaos. Hij wilde na de Trojaanse oorlog namelijk weten welke goden hem konden helpen weer naar huis te gaan.

Winslow wil naar huis, maar meer nog gaat het hem om dat licht boven in de toren waar Wake het alleenrecht van opeist. Dit maakt de jongere man tot Prometheus die het vuur van de goden had gestolen en dat aan de mensen had gegeven. Dat kwam hem duur te staan. Voor zijn straf werd hij eeuwig aan een rots vastgeketend waar roofvogels kwamen om zijn lever op te eten, wat in het geval van Winslow temeer relevant is aangezien hij in de loop van het verhaal een dorst naar naar alcohol ontwikkelt (en er wórdt toch veel gedronken in The Lighthouse, op een gegeven moment zelfs terpentine vermengd met honing). Dit verhaal krijgt later nog meer nadruk in een scène geïnspireerd op een schilderij van de achttiende-eeuwse Belgische symbolistische kunstenaar Jean Delville: Winslow naakt op een rots met vermaledijde zeemeeuwen die zich te goed doen aan zijn lichaam.

© A24 Films

Twee mannen op een verlaten eiland overgeleverd aan elkaar en aan de storm die elke minuut heviger wordt – dan is waanzin reëel. De onderhuidse spanning en de irritatie (Winslow: ‘Hou nou eens op met je kapitein Ahab-nonsens, je klinkt als een parodie!’) nemen toe. Allebei kampen ze met wanhoop ingegeven door hun persoonlijke geschiedenis. Hier komt weinig bovennatuurlijks bij kijken, sterker, de geheimen die ze herbergen zijn herkenbaar menselijk. Maar wat ze verborgen willen houden, raakt universele angsten en verlangens die er vanzelfsprekend toe leiden dat Eggers consequent al die andere verhalen, waar precies dezelfde motieven in voorkomen, door de film heen weeft. Zo op het oog af snappen we wat we zien, scènes zoals de mannen die, prachtig, samen dronken worden en dansen en zingen en zich opeens, in de ban van de roes, realiseren dat ze op het punt staan hartstochtelijk te gaan zoenen. Maar net zoals Wake’s vertederende ‘But yer fond of me lobster’ is slechts de oppervlakte grappig. Constant is er de dreiging van iets duisterders, haast een ziekte, vormgegeven door de expressionistische belichting, de benauwende kadrering en de razende soundscapes.

De combinatie waanzin en vuurtoren leidt onvermijdelijk naar Eggers’ blauwdruk voor zijn film: Jean Grémillons Gardiens de phare (1929) waarin een vader en zijn zoon op een verlaten eiland arriveren om dienst te doen als vuurtorenwachters. Dan blijkt dat de zoon langzaam zijn verstand verliest doordat hij vlak voor vertrek gebeten werd door een met rabiës besmette hond. Vooral opvallend zijn de vrijwel identieke vormgeving, surrealistische elementen in droomsequenties en de nadruk op de mythische aantrekkingskracht van de lamp. En: een onderscheid in beide films tussen boven, de top van de vuurtoren, en beneden, waar de rotsen en de zee allerlei gevaren inhouden.

Dat we steeds dieper moeten, blijkt uit het zeeschaalbeeldje dat Winslow verstopt in zijn matras vindt: een zeemeermin. Meteen gaat er in het onderbewuste van de jongeman van alles bruisen. Hij droomt over het vinden van een beeldschone visvrouw, over seks met haar. Maar ze blijkt eerder Homerus’ mythologische nimf Scylla (lichaam met hondenkoppen, scherpe tanden, een vissenstaart). Ook verwijst het beeldje naar nog een symbolistisch kunstwerk over onderdrukte verlangens en monsterachtige driften: Meeresstille (Arnold Böcklin, 1887): een meermin met knalrood haar en een opvallend mannelijk gezicht ligt samen met boosaardige zeemeeuwen op een rots terwijl vlak onder het wateroppervlak een monster met dikke tentakels en scherpe rugvinnen wacht.

De dwingende invloed van zijn verlangens en misschien ook zijn zucht naar verlossing, gerelateerd aan zijn geheim, drijven Winslow steeds weer naar de lamp. Hij wil wéten; hij zoekt inzicht, kennis of betekenis. Daarmee is hij net als wij die niet anders kunnen dan naar aanleiding van wat we zagen te speuren naar zingeving. Willekeur is hier, ondanks de intertekstualiteit, niet aan de orde. De lamp suggereert een oerkracht, een soort kosmische energie die de bron van alles is, tegelijk mystiek en mythologisch, in ieder geval eeuwig. Nadat hij eindelijk de top heeft bereikt en in het licht heeft gestaard, betaalt Winslow zoals Prometheus een hoge prijs voor zijn arrogantie. Precies wat hij heeft gezien, zal nooit voor ons zijn. Gelukkig maar.


The Lighthouse is nu te zien