Opheffer

Soms begrijp ik ze gewoon niet

Waar zijn de Marokkaanse opinieleiders? «Wij zijn geen Marokkanen, wij zijn Nederlanders, dus gewone opinieleiders», zeggen opinieleiders van Marokkaanse afkomst terecht. En tegen mij: «Jij zegt toch ook niet steeds: ik ben Opheffer van Indische afkomst.»

Maar ja, toch wil je met iedereen praten, je wilt meningen horen, je wilt daadwerkelijk zien dat men geïntegreerd is, al ontbreekt het in de krant ook aan opinieleiders van Italiaanse, Spaanse, Griekse, Joegoslavische afkomst en weet ik veel uit welke landen we onze gastarbeiders hebben gehaald. Onze opinieleiders heten Plassterk, Van Dam, Van Gogh, Bleich, Blokker, Grijs, Van ’t Hek of Verlinde.

Omdat ik voor radio en tv werk, omdat ik mijn vinger wil leggen op de pols van deze tijd en omdat ik wil laten zien dat ik niet de lulligste ben, nodig ik wel eens collega-journalisten uit Marokko uit voor een interview of debat. En dan merk je de taalachterstand. Klemtonen verkeerd, vervoegingen verkeerd, bijvoeglijke naamwoorden verkeerd; er valt niet naar te luisteren. Althans, je luistert ernaar en je krijgt medelijden. Of je luistert ernaar en je voelt je onbehaaglijk. Je weet niet of je vraag goed is aangekomen, of de stelling duidelijk is, je durft ook niet hard te interviewen. Je gaat wel harder praten.

«Nee… nee… wat vindt u van die hoofddoekjes… Nee, niet uw vrouw… u… u…» Ik voer soms hopeloze gesprekken.

«Achmet, jij bent in Marokko geboren. Je bent hier tien jaar. Hoe komen die jongens in Amsterdam zo vervelend?»

«Jongeren, kaik’s hier, vervelend, musschien oudes, musschien vrienden, musschien school slecht, of anders, zijn niet veel, niet goed, niet dat je denkt… kan niet anders…»

«Ik begrijp je niet precies. Ligt het aan de ouders?»

«Oudes ja, ouder oud, nieuwe oudes niet. Veel kinder goeie opleiding geen last, maar wanneer broertje beter, hij niet meer willen, hij denkt ik kan leuke dingen doen, voor geld. Voor geld alles te koop. Makkelijk, dus hij neemt geld.»

Ik schaam me dat ik het zo opschrijf want ik denk niet dat ik met een dom iemand praat, maar er is weinig aan gelogen. Ik wil de ander begrijpen maar soms lukt dat niet. Letterlijk niet. En als ik het letterlijk moeilijk vind, kan ik het figuurlijk al helemaal niet meer bevatten. Ik snap er dus niets van, maar ik wil niet onbeleefd zijn. Ik hoor me mezelf aanpassen. En ik stel geen goede vraag meer.

Vrijheid heeft alles te maken met de taal die je spreekt. En de wijze waarop je die taal spreekt, bepaalt voor een groot gedeelte de ruimte van je vrijheid.

Ik hoor voor de tv mijnheer Pinto spreken. Het kan best zijn dat hij heel wijze dingen zegt. Maar ik kan het niet toetsen, want ik kan hem nauwelijks verstaan. Ik raak afgeleid door zijn merkwaardige zinconstructies, zijn dansende klemtonen, zijn glibberige bijvoeglijke naamwoorden die het zelfstandige naamwoord maar niet nuanceren. Pinto is kwaad, zegt hij, want hij schrijft steeds een artikel voor de NRC en dat neemt de redactie dan niet op. Logisch. Als dat stuk net zo geschreven is als hij praat, is het onbegrijpelijk. En het treurige is dat de allochtonen die wél toegang tot de krant krijgen altijd die aanpas-allochtonen zijn, die zo Nederlands zijn dat je er misselijk van wordt. Ze zijn studieus, welsprekend, ongelovig, hardwerkend en in feite schamen ze zich diep voor hun afkomst. Dat heb ik nu wel gezien.

Ik ben van het idee afgestapt dat je met name aan de mensen van Marokkaanse afkomst moet vragen hoe je de problemen hier met de Marokkanen oplost. Je moet mensen ondervragen die er verstand van hebben. Dat kunnen Nederlanders, Amerikanen, Duitsers en ook Marokkanen zijn. Die moeten dan maar met elkaar in debat.