Interview Fleur Bourgonje

«Soms denk ik dat ik nomadenbloed heb»

‹Labyrint› heet de nieuwste roman van Fleur Bourgonje, die ze wederom schreef in een staat van vervoering. «Het is een verhoogde vorm van bewustzijn, een optimale concentratie waarin de taalgevoeligheid en de ontvankelijkheid voor beelden groter zijn.»

Op tafel roze amaryllissen in een glazen vaas, ernaast ligt een nieuwe uitgave van Geluk van György Konrád. In de keuken staat tegen de muur een zonnig houten terrastafeltje met een klapstoeltje van een Parijs’ café, op de planken erboven kleurig aardewerk. Ze serveert een taartje. De ronde vorm en de bosvruchtrode kleur deden haar denken aan een looikuip. In haar onlangs verschenen roman Labyrint beschrijft ze hoe het looien van koeienhuiden in zijn werk gaat. Halfnaakt staan mannen tot aan hun middel in de kuipen, met hun benen de huiden heen en weer bewegend opdat ze zo egaal mogelijk worden geverfd. Ze heeft er bovenop gestaan in de Marokkaanse stad Fez, mond en neus afgedekt met een doek met pepermuntbladeren: «De stank is niet om te harden. Ik viel bijna flauw. Het is ongelooflijk zwaar en smerig werk. In de zomer staan de looiers bij een hitte van veertig graden in de kuipen met verf en loog.»

Fleur Bourgonje (56) is bekend als schrijfster van romans en verhalen die zich afspelen in Latijns-Amerika en het Midden-Oosten. Ze debuteerde in 1985 met de roman Spoorloos, waarin de hoofd persoon haar geboortedorp in Gelderland verlaat om in de voetsporen van haar oma de wijde wereld te verkennen. De compacte verteltrant en de poëtische toon waarmee ze in luttele bladzijden totaal verschillende atmosferen weet op te roepen, werden kenmerkend voor haar werk. In een gestaag tempo publiceert Bourgonje romans, novellen, verhalen en gedichten. Drie jaar geleden verscheen De dijk waarlangs we lagen, een melancholieke roman over een aantal schoolvrienden die voor een reünie bijeenkomen in Hollandsche Rading. Daarna verscheen de novelle Araya, waarin een vrouw na 25 jaar terugkeert naar de plek in Vene zuela waar ze met man en kind een tijdlang heeft gewoond. In hetzelfde jaar verscheen de gedichtenbundel Sintering, en nu dus de roman Labyrint, die is gesitueerd in Fez.

Als ik een opmerking maak over de regelmaat van haar productie zegt Fleur Bourgonje, zonder valse bescheidenheid: «Ik doe niets anders.» Daarna vertelt ze dat Labyrint en Araya, identiek sjiek gebonden uitgegeven met wit omslag en kleine illustratie, bij elkaar horen. De dichtbundel die ze de komende maanden in het Adriaan Roland Holsthuis in Bergen hoopt af te maken — een gelegenheid gecreëerd door het Fonds voor de Letteren — zal het geheel comple teren.

Fleur Bourgonje: «Deze boeken hebben zich aangediend in een bepaald ritme. Ze zijn in dezelfde stroom van inspiratie, in dezelfde vervoering geschreven. Nu is het op. Alles wat ik in mijn hoofd had, is eruit.»

Wat is dat dan, die vervoering?

Bourgonje formuleert voorzichtig, en waarschuwt dat het wel allemaal «grote woorden» zijn: «Het is een verhoogde vorm van bewustzijn, een optimale concentratie waarin de taalgevoeligheid en de ontvankelijkheid voor beelden groter zijn. Trance is te veel gezegd, het is echt vervoering. De aandrang tot schrijven is heel groot, de gevoeligheden zijn toegespitst. Ik schrijf dan het best. Het is niet alleen een emotionele gemoedstoestand. Er ontstaat een harmonie tussen de gevoeligheid en de rede. Als schrijver moet je natuurlijk toch aan de touwtjes trekken. Je kunt niet oeverloos beelden op je af laten stormen, er moet een ordenende instantie zijn.»

Verkeer je als schrijver niet permanent in een dergelijk ontvankelijke gemoedstoestand?

«Meestal wel, maar je moet ook nog tot een creatieve daad zien te komen. Dat is typerend voor wat ik vervoering noem. Als schrijver sta je voortdurend open, maar je slaagt er niet altijd in vorm te geven aan wat je denkt en voelt. Dat lukt alleen op uitzonderlijke momenten. De katholieken noemen het een staat van genade. En die kan nooit echt lang voort duren. Dat zou uitputtend zijn.»

Ze legt uit: «Ik schrijf al mijn boeken volgens een dichterlijk procédé. Dat heeft te maken met die hoge vorm van concentratie. Mijn werk ontstaat vanuit een beeld dat zich opeens aandient. Voor Araya was dat een beeld uit een film, van een vrouw in het zwart met een mand op haar hoofd. Er raakten steeds meer herinneringen aan die film op drift. Ik ben inderdaad naar Araya afgereisd, en daarna werd het het werk van de schrijver in mij om de juiste vorm voor het verhaal te vinden. Labyrint begon met het beeld van die kuipen gevuld met verfstoffen. Toen dat beeld zich eenmaal had vastgezet, diende zich steeds meer materiaal aan. Boeken over verfkunst, muziek uit Andalusië die vooral in Fez wordt gespeeld en beluisterd… Langzaam breidt zo’n informatie- en indrukkenstroom zich uit, tot het moment aanbreekt dat ik denk: nu kan ik er niet meer onderuit, nu móet ik het boek wel gaan schrijven.»

Kun je zo’n staat van genade die je tot schrijven brengt, afdwingen?

«Ik denk het niet. Er moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan, waarvan ik me niet helemaal bewust ben. Ik heb bijvoorbeeld dagenlang in het labyrint van Fez rondgelopen. Maar ik heb me daarna niet naar het hotel gehaast om te gaan zitten schrijven. Dat komt pas later. Ik kan heel goed indrukken vasthouden in mijn geheugen, als ik thuiskom draai ik als het ware die film af. In ieder geval moet het rustig zijn op de plek waar ik schrijf.»

Haar Amsterdamse etagewoning, zo op het oog een oase van rust, ruimte en licht, van nabij uitkijkend op het Rijksmuseum met een doorkijkje naar het Museumplein, is nogal gehorig. Niet alleen ondervindt ze geluidsoverlast van haar buren, ook is men al een hele tijd bezig de riolering te vernieuwen aan de kade. Tot overmaat van ramp wordt er naast haar verbouwd; de werkzaamheden zijn op haar verzoek vandaag even stilgelegd omdat we elkaar anders niet zouden kunnen verstaan. «Ik breng de timmerlui straks wel even een stukje taart.»

Labyrint heeft als motto een gedicht van Emily Dickinson, met als beginregel: Tell all the Truth but tell it slant (Zeg heel de Waarheid — maar gebogen). Het zet de toon voor een verhaal waarin steegjes en alkoven een belangrijke rol spelen. Een man en een vrouw, beiden hebben ze iemand verloren, beginnen voorzichtig een verhouding met elkaar. Maar al aan het begin van het verhaal raken ze elkaar kwijt in het labyrint van Fez.

Fleur Bourgonje: «Ik wilde twee mensen laten verdwalen in een ruimte die begrensd was. Alleen als ze elkaar kwijtraakten, kon ik hun leven gestalte geven. Als ze hand in hand waren verdwaald, kon dat niet. Fez bleek de ideale locatie. De oude kern, de medina, is een volkomen ommuurde stad met poorten die ’s avonds voor buitenstaanders worden afgesloten.»

In Labyrint legt de mannelijke hoofd persoon, verdwaald geraakt in Fez, zijn fototoestel op een gegeven moment terzijde. Want: «Zolang ik maar geen foto of schets maak, zolang ik maar geen woorden vind bestáát dit wat ik hier zie; als ik het vastleg of beschrijf verandert het, dan is het weg.»

Het lijkt alsof je hier de beperking van het schrijven aangeeft.

«Schrijven is altijd benaderen. Je schrijft steeds om de essentie heen, je probeert er zo dicht mogelijk bij te komen. Als je té dicht bij de essentie of bij de waarheid komt, kun je je eraan branden. Het benoemen neemt het mysterie weg. Wat dat betreft komt het in het schrijven, net als in het leven en in de liefde, op de kunst van het omcirkelen aan. Het schokt mij dat mensen menen dat alles eerlijk en direct gezegd moet worden zonder de omstandigheden of de gemoedstoestand van de gesprekspartner in acht te nemen. Je ziet soms mensen lijden of helemaal verkrampt raken als ze de zogenaamde waarheid in het gezicht krijgen geslingerd.»

Zowel ‹Araya› als ‹Labyrint› gaat over de rol die het verleden in iemands leven kan spelen, en of dat al dan niet met iemand op de loop gaat.

«In Araya valt het verleden de hoofd persoon, een vrouw, in de rug aan. Het dringt zich op en krijgt haar in de greep. Labyrint komt eigenlijk uit Araya voort, in die zin dat ik een roman wilde schrijven met personages die geen slachtoffer zijn van het verleden. Zíj zijn de handelende personen, en zoeken naar een manier om hun verleden in te passen in het heden.»

In de hoek van de kamer, bij het raam, staat haar bureau. Aan de muur erboven hangt een grote zwartwitfoto van een smid. Haar vader.

Fleur Bourgonje: «Ik kom uit een familie van smeden, en ben opgevoed in grote achting voor mensen die dingen maken en dat zo deskundig mogelijk doen. Schrijven is ook een ambacht. De staat van genade waarover ik het net had, is meer de poëtische kant. Uit mijn kinderjaren heb ik het beeld overgehouden van mijn vader en grootvader die in de smederij staan en hun ijzer met de tang in het smidsvuur houden. Als het roodgloeiend is, wordt het op het aambeeld gelegd en er wordt net zo lang op gehamerd tot het de juiste vorm heeft. Daarna gaat het in de koelbak. Voor het uitoefenen van een ambacht heb je geduld en doorzettingsvermogen nodig. Je gaat door tot je vindt dat het goed is. Om te kunnen schrijven, moet je talent hebben, maar het is ook een kwestie van gewoon hard werken en je bekwamen.»

Word je daadwerkelijk beter?

«Oefening baart kunst. Dat is bij ieder vak zo. Het is aan de ene kant de technische beheersing die groter wordt, maar ondertussen krijg je ook steeds meer levenservaring. Je krijgt meer inzicht in de wereld, in het leven en in je eigen ziel, en misschien ook een beetje in de ziel van een ander.»

Zijn er zaken waarover je niet kunt of wilt schrijven?

«Ik zou niet goed over seks kunnen schrijven, omdat ik dat vind behoren tot de meest intieme intimiteit van mensen. Erotiek is iets anders. Liefde is iets anders. Maar tegenwoordig…» Ze corrigeert zichzelf onmid dellijk. «Ik lijk wel een oud wijf!» Licht toe dat er nogal wat romans zijn die bol staan van platte seksuele beschrijvingen. «Ik zou het niet kunnen, maar ook niet willen. De Kama Soetra bestaat immers al. Schrijven over de liefde, of over het probéren te benaderen van het fenomeen van de liefde, vind ik al een heel grote opgave. Dat vind ik eigenlijk het moeilijkste wat er is.»

Denk je aan lezers als je schrijft?

«Tijdens het schrijven denk ik geen moment aan de lezer. En na het verschijnen van het boek houd ik me eigenlijk het liefst zo weinig mogelijk bezig met de ontvangst, recensies en verkoopcijfers. Ik wil daar liever niet door worden beïnvloed, ik wil me onafhankelijk blijven voelen. Maar ik moet ook leven, een taartje kunnen kopen, m’n schoenen laten verzolen. Dus ik hoop dat ik van mijn werk kan leven. In die zin houden lezers me wel bezig. Ik ben van deze aarde, ik ben geen engel. Maar het is niet mijn aard om me, tegen mijn eigen ideeën en stijl in, te voegen naar de smaak van een ander. Ik streef er in mijn schrijven naar zo diep mogelijk te gaan. Als schrijver moet je de bril van de ideologie, van de religie of het fatsoen afzetten om je licht te laten schijnen op wat ons werkelijk beweegt of juist niet beweegt. Dat kan schokkend zijn, of ontroerend, maar ook luguber en afschrikwekkend. Toch is dát het waarnaar ik op zoek ben.»

Bourgonjes personages vertonen een intrigerende mengeling van een avontuurlijke levenshouding en een weemoedige inslag, in zekere zin een weerspiegeling van het reislustige temperament van de schrijfster.

Fleur Bourgonje: «Ik voel vaak de behoefte om nieuwe dingen te zien, nieuwe landen te bereizen. Ik vind het ook een uitdaging om op een plek opnieuw te beginnen. De nieuwe omgeving heeft nog geen beeld van mij, ik heb nog geen beeld van de omgeving. In zo’n situatie kun je soms een ander register opentrekken. Het verleden kun je als het ware achter je laten. Je kunt het in je geheugen bijzetten om vrijer in het heden iets nieuws te beginnen. Als dat mogelijk is. Als dat lukt.»

Knap.

«Voor mij is het een natuurlijk verlangen. Ik zou morgen uit Amsterdam weg kunnen gaan. Soms denk ik dat ik nomadenbloed heb. In Fez gaf iemand me een boek over de filosofie van het nomadenbestaan. Het is een bestaan waarbij je niet gebonden bent aan materiële dingen. Je neemt alleen mee wat in je hoofd zit en dat blijkt dan ook vaak genoeg te zijn. Solidariteit is voor nomaden heel belangrijk; de ene keer vraag jij hulp aan iemand, de andere keer is het andersom. Verder is waakzaamheid belangrijk: er kan altijd iets gebeuren waardoor je plotseling moet vertrekken. En gastvrijheid. Als je niet gastvrij bent voor een ander, is die ander dat ook niet voor jou. Ik heb me nooit gebonden gevoeld aan materieel bezit, op een paar dierbare voorwerpen na. Moeilijker is het natuurlijk om dat te zeggen van mensen. Maar ik kan afscheid nemen van mensen en later het contact weer oppakken. Ik hoef niet voortdurend in de nabijheid te verkeren van de mensen van wie ik houd. Ik heb al veel huizen, steden, landen achtergelaten, heb vaak van vriendenkring moeten veranderen, heb mijn studie moeten afbreken…»

Maar hoe doe je dat dan met geliefden?

«Als ik van iemand houd, zoek ik zo goed en zo kwaad als het gaat naar een leefstijl die bij de verhouding past. Het is mooi als de geliefde mee op reis kan, maar er zijn reizen die ik liever alleen maak want dan ben ik ontvankelijker voor indrukken. Toen mijn dochter nog op school zat, was het ingewikkelder. Maar zelfs toen zorgde ik er vaak voor dat ze met me mee kon. ‹Ik leer haar onderweg die lesjes wel›, zei ik dan tegen de leraar. Zij heeft grote reizen met mij gemaakt.»

En de melancholie in je boeken?

«Ik ken het gevoel van missen heel goed. Ik ben geen nomade. Ik ben niet iemand die door de woestijn trekt en z’n tent opslaat. Ik ben van hier. Dus weet ik ook heel goed wat afscheid nemen is. Of wat het verliezen van een geliefde is. Het weggaan van een kind. Een deel van het leven ís volgens mij melancholie. Melancholie heeft voor mij geen zwaarmoedige lading. Het is het mooie van de herfst, een soort ondertoon van het leven, het verglijden van de tijd, het verval. Ook liefde kent verloop.»

Fleur Bourgonje

Labyrint

Uitg. Atlas, 138 blz., € 14,50