Soms moet een mens zich uitleven

Dik van der Meulen, Het bedwongen bos, Nederlanders & hun natuur. € 24,50

Het kan geen toeval zijn dat uit de twee bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur een op z’n minst ambivalente verhouding tot de natuur spreekt. In zijn De Dapperstraat stelt J.C. Bloem onomwonden dat natuur iets is voor ‘tevredenen en legen’, om eraan toe te voegen dat die natuur in ons land sowieso niets voorstelt: ‘Een stukje bos ter grootte van een krant,/ een heuvel met wat vilaatjes ertegen.’ Maar ook de ‘brede rivieren’, die Marsman ‘traag door oneindig laagland [ziet] gaan’, zijn getemd door de mens. Ze bewegen zich immers te midden van ‘boerderijen (…), boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een groots verband’. De natuur in Nederland is hand made. Ze heeft bijna altijd iets kneuterachtigs, iets bedachts, iets aangeharkts.
Maar, zoals Dik van der Meulen in Het bedwongen bos: Nederlanders & hun natuur laat zien: de verhouding tussen de mens en de natuur is altijd ambivalent geweest. Enerzijds was de natuur nuttig en onontbeerlijk, anderzijds was ze een bron van gevaar. Een bos was een partij hak- en sprokkelhout waar je hooguit je varkens hun kostje bij elkaar kon laten scharrelen. Maar in een bos huisde, in de vorm van wilde dieren en struikrovers, ook het gevaar, en een woest klotsend binnenmeer kon voor overstromingen zorgen, terwijl daaronder een groot areaal aan vruchtbare landbouwgrond lag.
Van der Meulen opent zijn boek met een vlot geschreven overzicht van de ontwikkelingen die het denken over de natuur doormaakte, om vervolgens uitvoerig stil te staan bij de omslag die zich eind negentiende eeuw voltrekt. Als na 1870 de industrialisatie in ons land langzaam op gang komt, begint bij enkelen het besef door te dringen dat de natuur niet alleen uit utilitaristisch oogpunt kan worden bekeken, maar ook als waarde op zichzelf. En dat op een moment dat veel ‘natuurschoon’ onherstelbaar vernietigd wordt. Zo is juist in 1870 het laatste oerbos in Nederland, het Beekbergerwoud, gekapt en ontgonnen. En begin twintigste eeuw wordt op het nippertje voorkomen dat het Naardermeer, na een mislukte inpolderingspoging, door Amsterdam als vuilstort wordt gebruikt. Pas als het bijna te laat is, wordt er iets ondernomen om natuur te behouden. Wat dat betreft is Van der Meulen pessimistisch over de rest van de wereld: ‘Een bloeiende natuurbeweging in China, Indonesië, Brazilië en Congo is pas te verwachten als ook daar bijna alle natuur verdwenen is.’
Wat uit Het bedwongen bos duidelijk wordt, is dat het inzicht dat de natuur waardevol is heel geleidelijk is doorgedrongen tot het grote publiek, en dat er nog steeds enorme meningsverschillen zijn over wat ‘natuurbehoud’ is. Van der Meulen vertelt dit verhaal op basis van omvangrijk literatuuronderzoek en tal van bezoeken aan natuurgebieden, zodat het boek afwisselend leest als een geschiedenisboek en een journalistieke reportage.
Terugkijkend aan het begin van de 21ste eeuw doen die eerste natuurbeschermers ons af en toe de wenkbrauwen fronsen. Zo had de eerste voorzitter van de in 1902 opgerichte Ornithologische Vereniging, René Charles baron Snouckaert van Schauburg, als hij de natuur in trok nooit een verrekijker bij zich, maar wel een geweer. De grote natuurbeschermer Jac. P. Thijsse, de man van veel populariserende publicaties en vooral van de roemruchte Verkade-albums, wist hij op de kast te krijgen door op te merken dat als hij even geen zin had in al dat getjilp hij zijn geweer te voorschijn haalde. Overigens schreef diezelfde Thijsse in 1934 het enthousiaste artikel De natuurvriend en de automobiel, waarin hij dat transportmiddel aanprees als een verplaatsbare schuilhut, en daarmee als ideaal middel om schuwe dieren te observeren.
Hoewel zulke anekdotes het boek tot een plezier om te lezen maken, wordt het interessantste deel gevormd door de hoofdstukken waarin Van der Meulen de discussies beschrijft die de laatste decennia over het natuurbehoud worden gevoerd. Wie de controverses tussen voorstanders van ‘agrarisch beheer’ en die van het scheppen van ‘nieuwe natuur’ leest, waarbij de laatste categorie weer uiteenvalt in elkaar fel bestrijdende facties, denkt bij biologen en natuurbeschermers niet snel meer aan irenische, goedmoedige en onthechte zielen die het gewoel van de stedelijke samenleving achter zich hebben gelaten. Bovendien worden die ‘elitaire’ natuurliefhebbers tegenwoordig stevig aangevallen door naar het populisme neigende ‘reaguurders’, die niets moeten hebben van de ‘milieumaffia’ en de ‘natuurbobo’s’ die met het uitzetten van paarden, runderen en wellicht zelfs wolven de ‘gewone man’ uit de natuur wegjagen.
Voorts laat Van der Meulen mensen aan het woord die op het door J.C. Bloem verwoorde standpunt staan, zoals emeritus hoogleraar cultuurwetenschappen Hans van den Bergh: ‘De natuur is één grote oppositie tegen het leven en een helse kracht die ons eronder probeert te krijgen. Ik zie met genoegen dat diezelfde natuur in de mens een tegenkracht heeft gecreëerd, zodat we nu iets van al die ellende kunnen bezweren. (…) De natuur is een hel van tsunami’s en vulkaanuitbarstingen.’ Toch ziet hij in dat de natuur ook een nuttige functie heeft: ‘De beschaving is soms ook een last die je wel eens even wilt afleggen. Soms moet een mens zich uitleven, en daarvoor hebben we het bordeel en het bos.’

DIK VAN DER MEULEN
HET BEDWONGEN BOS: NEDERLANDERS & HUN NATUUR
SUN, 386 blz., € 24,50