Soms zijn we te moe

Hoewel het aannemelijk is dat de tijd een lineair verloop heeft, in die zin dat wat eenmaal is voor­gevallen nooit meer terugkomt, wordt onze ervaring in hoge mate bepaald door processen die we cyclisch noemen. Niet alleen de afwisseling van dag en nacht en de kringloop van de seizoenen, ook het leven als geheel lijkt een ­structuur te kennen waarbij het eindpunt een terugkeer bij het begin is.

Lies Van Gasse, Wenteling, € 19,90

Medium van gasse   wenteling jpg

Blijkbaar is denken in cirkels een ­middel om greep te krijgen op wat permanent ontglipt. De Britse antropologe Mary Douglas heeft in Thinking in Circles (2007) laten zien dat daarom ook bijna alle literaire teksten cyclisch zijn opgebouwd, zelfs waar je dat in eerste instantie niet ziet, al geeft ze toe dat moderne literatuur een zekere voorkeur voor open einden vertoont.

De nieuwe bundel van dichter en beeldend kunstenaar Lies van Gasse (1983) heet Wenteling, en bestaat uit 33 ‘wentelingen’, slechts onderbroken door de cursief gezette gedichten Schot en Cirkel. Er zijn geen aanwijzingen voor dat het aantal wentelingen verwijst naar de leeftijd van Christus, maar dat de cyclus van dood en wederopstanding een rol speelt, is evident. In de eerste reeks gedichten is het ochtend, waarna het middag, avond en nacht wordt, in de tweede reeks herhaalt de cyclus zich in een hoger tempo, en aan het slot is het weer ochtend: ‘Deze ochtend, met niets dan gaten in het pantser/ sta ik weer bij het begin.’ Stelt het derde gedicht dat ‘het is begonnen’, halverwege de bundel schrijft Van Gasse:

Ik wil vrij zijn binnenin,

ook deze nacht

en ademen, opnieuw

beginnen.

De wenteling heeft zowel een existentieel als een poëticaal belang, maar dat betekent niet dat de bundel een gesloten systeem vormt, integendeel. Dit is open, wervelende poëzie die aan de greep ontsnapt en de lezer meevoert op een reis vol verrassingen. Datgene wat voortrolt, wentelt en kolkt is voor de stem, die zich vaak rechtstreeks tot een ‘u’ richt, net zo onbestemd als voor ons. ‘Dat wentelt zich en wiekt’, zegt ze, dat ‘legt zich in het leven neer’. Maar wat is dat dan?

In een nat land zou men het benoemen

als het zinderen van zon, de volle lucht

die aandacht eist, het leven buiten

de lichamen.

In de droogte borrelt het op

als water uit de bron,

wervelt het trappen af.

Noem het inspiratie of bezieling, de energie die het bestaan draaiende houdt en opwindend maakt, een kracht waarvan de aanwezigheid onmiskenbaar is zonder dat je hem kunt aanwijzen of benoemen, maar die zich ook als catastrofe kan openbaren. ‘Dat kirt als een niet te belopen pad./ Als grind in water,/ als zomers, ritselend riet.’ De bundel kan gezien worden als een queeste naar liefde, zin en betekenis. ‘Ik vroeg mij af wat het betekent// als geen touw haar knopen vindt’ en ‘wij laat zijn, maar ver­loren’. Er zijn momenten waarop het ideaal lijkt de volledige vrijheid te ervaren:

Wij willen varen, maar dan oeverloos.

Wij willen zingen zonder anker.

Het loskomen uit beklemmende structuren is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een sterke persoonlijkheid, maar dat afscheid kan ook pijnlijk en gevaarlijk zijn: ‘hoe zacht ik ook wil vallen,/ er zijn geen netten’. Het doet zich voor wanneer een geliefde ver­laten moet worden omdat het samenzijn een gevangenis is geworden. In een van de gedichten figureert een man ‘met een hart van karton’ en een ‘stamelend lid’, wiens zorg ‘onomwonden’ is, maar die toch op straat wordt gezet:

Dus deze ochtend

neem ik u in mijn handpalm

en stuur ik de katten na.

Soms kiezen zij uw veren.

Soms sluiten zij vol tederheid

hun monden om uw kop.

Het gedicht wordt afgesloten met een sarcastische strofe: ‘Ik heb uw kussen uit het raam gegooid./ U kan het komen halen.’

De spreker wil zich ontwikkelen, transformeren tot een nieuw zelf, maar stuit op de grenzen van haar eigen grenzen. ‘Ik wilde worden, maar ik was’ want diep vanbinnen blijkt er een muur te staan waar je steeds tegenaan loopt, en ‘hoe vaak wij ons ook keren,// we kunnen niet terug’.

We moeten ons neerleggen bij onze beperkingen, maar gelukkig is er taal die als wapen of kompas kan dienen, woorden die helpen het onbekende aan te boren en in kaart te brengen. Dat lukt niet altijd, want soms is het te warm om te schrijven, soms zijn we te moe, maar vaak neemt de taal zelf het initiatief en hoeven we slechts te volgen. Ik zet, zegt de dichter, ‘mijn potlood in het zand/ en in de wereld’, en zie: ‘het vers is in expansie’. Toeval speelt een grote rol: ‘Zij heeft onder een vlakke steen/ het mooiste woord gevonden.’ Het doel is een taal die niet meer uit woorden bestaat, maar de vorm aanneemt van nieuw leven, geen ‘zinnen meer, maar armen/ die als tentakels naar u reikten’. In het laatste gedicht is dat voorlopig gelukt:

Er was iets af.

Het woord was mijn enige berging

en ik kon niet onder de geboorte uit.

Terug bij af, misschien. Maar ieder moment kan de wenteling opnieuw beginnen.

Wenteling VI

Wij hebben een deur opengezet.

De wind trekt ons naar buiten

en met ons de tegels en het zand.

Er valt niets te verkrachten,

want wij zijn alleen maar pijn.

We hebben deze woorden.

We kunnen niet anders

dan ze in de juiste volgorde zetten

en denken: een tuin, een deur,

een late storm, twee katten.

Wat klein is, zet zich vast.

Wat groter is, verbuigt, verliest aan vorm.

In ons hart tekenen wij kamerplanten.

We varen met een anker.


Lies van Gasse
Wenteling
Wereldbibliotheek 64 blz.,
19,95