Paul McCartney

Songschrijver als dichter

De legendarische Paul McCartney schreef samen met John Lennon voor de Beatles onvergetelijke nummers. In de bundel ‹Blackbird Singing› zijn niet alleen zijn songteksten bijeengebracht, maar ook bijna vijftig echte gedichten.

«Most of my life has been spent/ Painting pictures in song», mijmert Paul McCartney in een van de gedichten die zijn verzameld in Blackbird Singing. Nu, op 58-jarige leeftijd, presenteert hij zichzelf als een literator die soms schilderijen maakt met alleen maar woorden. Door deze bundel kunnen we nu beoordelen of hij er iets van kan. Ongetwijfeld zal het feit dat McCartney zich voordoet als een dichter voor sommigen belachelijke hoogmoed zijn; zit de wereld nu echt te wachten op meer verzen van een man die zulk gebazel afscheidde als Silly Love Songs, Mull of Kintyre en Morse Moose and the Grey Goose? Maar als we beter bestuderen wat hij in zijn carrière allemaal heeft gepresteerd, zullen we McCartney’s woordhouwerij niet meteen van de hand wijzen; hij schreef per slot van rekening ook de tekst van Yesterday, Let It Be en (voor het grootste deel) Eleanor Rigby. De toch zo scherpe criticus John Lennon vertelde (tien jaar nadat de Beatles uit elkaar waren gegaan) dat zijn oude songschrijvende partner behoorlijk geslaagde teksten kon schrijven als hij maar zijn best deed. In het bijzonder bewonderde John wat hij noemde de «mooie, kosmische regel» waar Paul mee kwam tegen het einde van de laatste Beatles-plaat Abbey Road: «And in the end the love you take/ Is equal to the love you make» — een behendige herformulering van de Gouden Regel.

McCartney’s werk met de Beatles zit vol met zulke rake slagen. In Penny Lane, lyrisch en muzikaal zijn meest complete song, geeft hij een warmvoelend, duurzaam inzichtelijk portret van het leven in het naoorlogse Groot-Brittannië. Zijn karakterschetsen zijn specifiek genoeg om de individuen onmiddellijk tot leven te brengen, en tegelijkertijd zo archetypisch dat ze een complete maatschappelijke werkelijkheid oproepen: «The little children laugh at him behind his back», zingt hij over een bankier die zo in beslag wordt genomen door zijn uiterlijk dat hij geen regenjas wil dragen, zelfs niet in een stortbui; «In his pocket is a portrait of the Queen», negen woorden die alles zeggen wat we moeten weten over een stoere brandweerman en tegelijkertijd verwijzen naar een essentieel aspect van de Britse identiteit in de tijd dat het rijk afbrokkelde; en, het hoogtepunt, de existen tiële effectbal over een «pretty nurse… selling poppies from a tray/ And though she feels she’s in a play/ She is anyway.» Deze regels, levendig, compact, scherp en wijs, zouden ook poëzie zijn als ze niet werden ondersteund door een onweerstaanbare melodie.

McCartney was duidelijk niet zo'n talentvolle dichter als Lennon, maar het ontbrak hem zeker niet aan verfijning of sociaal gevoel. John, de zelfverklaarde working class hero, neigde naar grootse filosofische statements, zoals in All You Need is Love en Revolution, maar Paul was beter in het portretteren van het leven en de verwachtingen van echte mensen uit de working class, zoals in Lady Madonna en She’s Leaving Home. Natuurlijk waren de resultaten het meest geslaagd wanneer de twee heren hun respectieve voorkeuren vermengden. In A Day in the Life, het meesterwerk dat Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band afsluit, wordt Lennons veelzeggende kritiek op de leegheid van status en materialisme — «Nobody was really sure if he was from the House of Lords» — onderbouwd door McCartney’s pittige beschrijving van het zich ’s morgens vroeg naar het werk haasten — «Woke up, fell out of bed» — voordat ze luisteraars wenken zich bij hen aan te sluiten op het pad naar verlichting: «I’d love to turn you on.»

Allevier de Beatles streefden naar een betere wereld, ook Paul McCartney. Maar anders dan John Lennon en George Harrison preekte hij nooit; sterker nog: soms bracht hij zijn boodschappen zo indirect dat ze geheel en al over het hoofd konden worden gezien. In de inleiding van Blackbird Singing staat een fascinerende passage (overgenomen uit McCartney’s geautoriseerde biografie Many Years From Now door Barry Miles) die onthult hoe McCartney kwam tot het schrijven van de prachtige ballade waaraan dit boek zijn titel ontleende. De melodie was er eerst, legt Paul uit, geïnspireerd door een stuk van Bach. Toen kwam de tekst en die — wie wist dat? — was gericht aan mensenrechtenactivisten in de nasleep van de moord op Martin Luther King jr. «Ik had een zwarte vrouw in gedachten, en niet zomaar een vogel», zegt Paul, om daaraan toe te voegen dat zijn boodschap aan haar was: «Ik wil je aansporen om te blijven proberen, om vertrouwen te hebben, want er is hoop.» Die boodschap werd echter versluierd, zodat de oorspronkelijke openingszin «Black woman living in Little Rock» werd: «Blackbird singing in the dead of night», gevolgd door: «Take these broken wings and learn to fly/ All your life/ You were only waiting for this moment to arise.» McCartney zegt dat hij deze meer symbolische benadering koos opdat zijn song op de omstandigheden van alle luisteraars zou slaan. Het nummer mag daardoor een bredere, en meer tijdloze aantrekkingskracht hebben gekregen, maar tegelijk is de politieke impact ervan gedempt.

Blackbird Singing bevat 52 songteksten (22 uit de Beatles-tijd en dertig uit McCartney’s solojaren) en 45 echte gedichten. In zijn uiterst bondige voorwoord verklaart Paul dat hij serieus poëzie begon te schrijven toen hij hoorde over de dood (in 1993) van zijn levenslange vriend Ivan Vaughan, bij Beatles-trivia-experts beroemd als de man die in 1957 Paul uitnodigde voor het summer garden-feest waar hij en John elkaar voor het eerst ontmoetten als tieners.

Er volgden meer gedichten, en uiteindelijk begon Paul te geloven dat gedichten en songteksten «even goed in staat zijn om diepe gevoelens over te brengen». Hoewel veel dichters die stelling zullen verwerpen, is het waarschijnlijk waar, en in elk geval is het iets anders dan beweren dat poëzie en songteksten onderling inwisselbaar zijn. Omdat woorden in een tekst extra kracht ontlenen aan de muziek die ze omgeeft, terwijl de woorden in een gedicht het helemaal alleen moeten zien klaar te spelen, zou je kunnen stellen dat poëzie een moeilijker vorm is om onder de knie te krijgen. Aan de andere kant is het schrijven van een melodie geen eenvoudige zaak, en dus zijn de grootste kunstenaars van allemaal misschien de songwriters die zowel de muziek als de teksten schrijven. Hoe dan ook, gedichten verdienen het om op hun eigen merites te worden beoordeeld, en die van McCartney zijn geen uitzondering.

Een gedicht, of eigenlijk elke geschreven tekst, kan het best worden beoordeeld aan de hand van één simpele vraag: heeft het iets te zeggen en zegt het dat op een memorabele manier? Zo ja, dan slaagt het er waarschijnlijk in dat «diepe gevoel» over te brengen — of het nu verdriet, blijheid, woede, onzekerheid, solidariteit, inzicht of verwarring is — die McCartney impliciet als zijn eigen literaire kwaliteitsnorm hanteert. Jammer genoeg wordt die norm in dit boek zelden gehaald. Paul zei eens dat hij deels graag songs schreef met John omdat ze allebei snel werkten; ze hadden een heilig geloof en vertrouwen in hun creatieve instincten. Dat is prima als je een duizelingwekkend talent hebt en als de muze die dag aan je zijde is, maar anders kan het ellende betekenen. En dat is hier het geval.

Veel gedichten in Blackbird Singing lezen alsof ze in één ruk zijn opgeschreven en nooit meer zijn herzien; ze zijn niet zozeer slecht als wel onaf en inconsequent. Anti-Alarm Call, bijvoorbeeld, gaat over in bed blijven op een koude, natte ochtend — absoluut een veelbelovend onderwerp — maar na zeven regels gerijmel als: «Fifteen minutes more/ What are you waiting for?» dooft het uit met de kreupele conclusie: «Better stay inside/ Hibernate and hide.» Een nog korter gedicht is Moon’s A Mandarin, een titel die wordt herhaald in de openingsregel en dan wordt gevolgd door: «Orange segment/ Stars as clear as you like. Smelling of pines/ And eucalyptus/ Quite a night.» Zulke poëzie riekt naar luiheid, lange tijd een zwakte van McCartney, zoals Lennon en anderen hebben verklaard.

Een ander probleem waar Paul McCartney in zijn solocarrière last van heeft gehad, is dat niemand in staat lijkt hem te redigeren. Wie durft de componist van een paar van de meest geliefde, volmaakte songs van de twintigste eeuw te vertellen dat er aan zijn laatste creatie nog eens even flink geschaafd moet worden? Er zijn maar drie mensen die op dat niveau van vertrouwdheid en gelijkheid met Paul kunnen praten; een van hen stierf twintig jaar geleden, en de andere twee werken nog maar zelden met hem.

Dat de Beatles-albums zo'n constant hoge kwaliteit hadden — song na song was goed, zo niet fantastisch, en maar heel weinig, godzijdank, waren prullen — kwam voor een deel door de felle kritiek en concurrentie binnen de band: alleen het allerbeste werk overleefde. Paul heeft nog steeds dat soort feedback nodig, maar opmerkingen van vroegere medewerkers als Elvis Costello — toch niet echt een verlegen mens — wijzen erop dat hij dat gewoon niet tolereert. Adrian Mitchell, de dichter en gewezen journalist die dit boek heeft geredigeerd, raakt aan dit gevoelige onderwerp wanneer hij in zijn inleiding opbiecht: «Soms heb ik suggesties gedaan voor kleine wijzigingen of schrappingen en soms accepteerde Paul die.» Aangezien Mitchell vleierig verder gaat door McCartney, bloedserieus, in dezelfde poëtische traditie te plaatsen als Homeros en Blake, is het niet vreemd dat Paul de meeste suggesties van Mitchell meende te kunnen negeren. Een strenge redacteur had McCartney kunnen behoeden voor gillers als Rocking On!, dat zo begint: «I want to smell your underarm odor/ I want to drink your ice cream soda», en vervolgens door zes al even beschamende regels voortstrompelt alvorens te besluiten met: «When this world is dead and gone/ We will still be Rocking On!» Zelfs de allerswingendste beat eronder zou die tekst nog niet kunnen redden.

Een goede redacteur zou McCartney ook hebben kunnen aanzetten tot het bijslijpen van de talrijke gedichten die werkelijke flair en verbeeldingskracht laten zien, zoals Full Moon’s Eve, met zijn pakkende openingsbeeld: «On a full moon’s eve/ A tiger sprang/ And gnawed on/ Who I used to be.» Maar, net zoals ook de zwakste soloalbums van Paul McCartney altijd briljante momenten kennen, herbergt dit boek toch ook enkele ruwe diamanten. Black Jacket is een prachtige, sobere evocatie van de dialectiek van de rouw, misschien geïnspireerd door het overlijden van Pauls vrouw Linda: «Sadness isn’t sadness/ It’s happiness in a black jacket/ Death isn’t death/ It’s life that jumped off a tall cliff.» En Steel, met niet meer dan negentien woorden, laat zien dat zelfs extreem korte gedichten een rake klap kunnen uitdelen, als ze maar goed in elkaar zitten.

Zou ook maar een van deze gedichten zijn gepubliceerd als de naam van hun auteur niet Paul McCartney was geweest? Waarschijnlijk niet, en hetzelfde geldt voor McCartney’s recente uitstapjes naar klassieke composities. Toen hij onlangs werd geconfronteerd met de negatieve reacties van Britse critici op zijn gedichten antwoordde Paul dat hij in deze fase van zijn leven in het geheel niet geïnteresseerd is in wat de critici zeggen, en als ze het niet mooi vinden, dan: «Read my lips: F… you.»

Het is leuk voor Paul McCartney als hij persoonlijke bevrediging ontleent aan het liefhebberen in aanpalende kunstvormen, maar als hij zulke kritiek wil vermijden, zou hij zijn enorme talenten moeten concen treren op wat hij het best kan: popsongs schrijven.

Sceptici zullen tegenwerpen dat Paul zelfs op dit gebied volkomen aan het eind van zijn Latijn is, dat hij zijn beste werk maakte in de tijd van de Beatles, en dat het sindsdien één lange weg omlaag is geweest. Maar McCartney heeft een paar uitstekende songs geschreven in zijn soloperiode, en misschien wel nooit een ontroerender nummer dan Here Today, een song die bijna geheel werd genegeerd toen hij uitkwam in 1981 maar die gelukkig in dit boek weer tot leven wordt gebracht.

In Here Today, dat werd geschreven voor John Lennon, na zijn vroegtijdige dood, wordt de vraag gesteld hoe John zou terugdenken aan zijn vriendschap met Paul als hij vandaag hier zou zijn. «You’d probably laugh and say/ That we were worlds apart», zingt zijn oude partner, alvorens te antwoorden met zijn nooit-aflatende opgewektheid: «But as for me/ I still remember how it was before» — hoe de twee elkaar voor het eerst ontmoetten, samen lachten en soms huilden, en «didn’t understand a thing/ But we could always sing.» Dan de slot regel: «And if I say I really loved you/ And was glad you came along/ Then you were here today/ For you were in my song.» Een simpel sentiment, maar het zorgt voor rillingen over de rug in innige verbinding met de hartverscheurend melancholieke, wondermooie melodie die McCartney er omheen wikkelt. Dat is de reden dat, hoezeer hij ook een middelmatige dichter op papier mag zijn, Paul McCartney’s plaats in de muziekgeschiedenis voor een lange, lange tijd is verzekerd.

Paul McCartney, Blackbird Singing: Poems and Lyrics, 1965-1999

Vertaling: Rob van Erkelens