Liefdesgedichten

Sonnetten over de liefde

IK

Heb je gezien hoeveel gedichten ik

Begin met «Ik»? Ik dit, ik dat, ik, ik!

Alleen maar «ik» zodat ik er in stik.

Word jij nu niet gek van dat ik-gehik?

Terecht geef jij me constant stuk op lik!

En niet terecht is dat ik daar van schrik.

Mijn ik-gebruik lijkt wel een soort van tic:

Mijn «ik» past slechts in het woord botterik.

’t Is waar: ik ben gewoon een stommerik.

Een lomperik, misschien een slechterik.

Emoties duimendik van schuimplastik.

Ik heb geen hart voor jou, maar rikketik.

Een woord verlaat mijn mond als valserik.

Ik trap voortdurend in dezelfde strik.

ANALYSE

Ik heb mezelf op de bank gelegd.

En ging eens bij mezelf in analyse.

Dus Theo kreeg het keihard voor zijn kiezen!

Want wat ging hij met zichzelf in gevecht.

Ik zei: «Theo, wat valt er te verliezen?»

En: «Hoor je wel eens wat je zelf zegt?»

Maar hij luisterde niet naar mijn adviezen,

En riep: «Al wat je zegt is onterecht!»

Maar plotseling zei hij: «Dit is theater!

Ik stop nu met dit snikkende gesnater.

Ik ben niet meer mijn eigen psychiater.»

Vraag: Is de analyse nu gelukt?

Ach, Theo blijft van jou totaal verrukt.

En dan heb ik mij heel zwak uitgedrukt.

IK GA WEG

Ik heb vandaag geen zin in zelfbeklag.

Noch zal ik me beklagen over jou.

Ik doe van alles met een blijde lach

En hoop dat ik mijn geest daarmee verbouw.

Zeg schat, ik heb de was maar opgehangen.

De nieuwe in de wasmachine gedaan.

Zacht floot ik toen het liedje van verlangen

En van een schip dat dreigde te vergaan.

‘k Heb koffie aan de overkant gedronken.

Daarna gewerkt, en getelefoneerd.

Dacht: ben ik werkelijk zo diep gezonken?

Maar daarmee niet mijn geest verder bezeerd.

Ik ga nu wel, hoewel ik hier wil blijven.

Waar je ook bent: ik bel je tegen vijven.

EEN BOTERHAM MET EI

Vertel eens even hoe het met je gaat.

Heb je de woorden die ik schreef gelezen?

De jouwe trouwens mochten er ook wezen.

De letteren: er staat nooit wat er staat.

'k Heb voor mezelf daarnet een ei gebakken

En op een bruine boterham gedaan.

Toen in gedachten even stil gestaan

Bij wat emotionele ongemakken.

Ik dacht: het leven is als ei op brood.

Het smaakt, maar ’t is een staat ook van beleg,

Van oorlog, met een dooier op het veld.

Constant wisselt de vraag: wie is de held?

Is vrede mogelijk na overleg?

Of dienen we te strijden tot de dood.

ALLEEN IS MAAR ALLEEN

Je hoort opeens dat je een avond zwijgt.

Je praat wel veel, maar slechts in jezelf.

En zomaar, tegen een uur of elf,

Merk je dat je van niemand antwoord krijgt.

Je pakt de telefoon en wil gaan bellen,

Maar je bent steeds met jezelf in gesprek,

Want je moet jezelf nog zo veel vertellen.

Wie jou nu ziet denkt zeker: die is gek.

Je praat met iedereen die er niet is.

En kunt daarom de slaap maar moeilijk vatten.

En zelfs dromend denk je: wat is er mis?

Het is niet waar: je bent niet bij elkaar,

Al ben je om me heen — is dat niet raar?

Poes waar ben je? Je kon zo spinnend katten.

DE MENSELIJKE GEEST

Ik denk — maar niet met grote regelmaat —

«Ach, wat is toch de ‹menselijke geest›?»

Ik weet, dat ik hem liefheb en hem haat,

Dat hij mij vrijheid geeft en mij bevreest;

En ook dat hij het is die mij geneest;

Mij steeds terzijde staat met wijze raad;

De enige die mijn gedachten leest;

Mij kent als «gekkerd» en als psychopaat.

Hij is, vermoed ik, mijn verzorgingsstaat;

En met een eigen secretariaat

Zowel een allo- als homeopaat.

Maar ook een wild en tegelijk wreed beest;

Dat je verscheurt! Dan ben je er geweest.

De menselijke geest is één groot feest!

OPGEDRAGEN AAN HET GELD

Ik heb je — net als liefde — steeds weer nodig

en weet niet of ik je nog wel verdien.

Was je voor mij maar altijd overbodig;

ik heb je nooit zo vaak en veel gezien.

Ach, hoe moet ik je in je waarde laten?

'k Wil alles met je doen als ik je had.

Maar jouw tekort brengt mij in alle staten:

'k Verlang naar je als naar een echte schat.

Vertel me: hoe moet ik over je denken?

Ik mis je zo, nu je niet bij me bent.

Ik dorst naar je, maar niemand wil mij schenken.

In vroeger tijd ben ik met jou verwend.

Mijn rijkdom was dat ik je weg kon geven.

Laar mij dat wéér doen, want dat noem ik leven.