…sop…

Mooi tussenweer is het. Weer om fatalistisch bevlogen naar Bretagne af te reizen en de kop in de bossen te steken. Verstrekkende wandelingen langs het kanaal van Nantes naar Brest te maken, nadenkend stil te staan bij anonieme kolenbrandersgraven, verstrooid een oude paddestoel (Phallus impudicus) een schop te geven en de keel vol te storten met clandestiene kleurloze boeren-Calvados.

Nog een keer Job, als de drommel nog leeft, ‘C'est bete ca!’ horen zeggen en de Bretonse lach van zijn moeder te horen knetteren. Geen woorden zijn mooier dan vieze woorden in het Bretons. Neem scarendrue bij voorbeeld.
Wie zeker niet meer leven zijn de dametjes die beneden in Gouarec (ik woonde boven in Keraudic en Plelauff) een restaurantje dreven. Ten behoeve van toevallige wegwerkers, een assistent-houtvester en rondtrekkende verkopers van ijzerwaren en werkkleding.
Het middagmaal (een ander menu was er niet) begon drie keer per week met een potage cultivateur. Sop dat eruit zag alsof ze het, evenals de naam zelf, net vijf minuten tevoren bedacht hadden.
Mais non! Met gemengde gevoelens was het dan ook dat ik via de encyclopedie constateerde dat hij echt bestaat en dus ook bestond. Het is iets van wortelen en uien en bakken in boter en bouillon en bacon. En ook aardappel en meiraapje en prei en een beetje suiker. Niets voor mij in ieder geval. Vandaar ook geen recept, van daar.
De moeder van Job vertelde eens op een avond dat wanneer je een uil hoorde roepen er iemand stierf. Misschien was het wel in dezelfde nacht dat ik de deur opendeed en een ring om de maan zag en er een grote pad op de drempel zat en de pad en ik naar elkaar keken. En Job had eens in de verte een caravan in de fik zien staan. Hij moest nog steeds heel erg lachen als hij daar aan dacht. 'C'est bete ca!’, zei hij.