Sophie calle heerseres van het toeval

Sophie Calle, Absence, tot en met 29 mei in Museum Boymans-Van Beuningen te Rotterdam. Sophie Calle, Het adresboekje, Uitgeverij Duizend en Een, f29,50
Ze achtervolgt wildvreemden op straat. Ze snuffelt in andermans bezittingen. Ze dringt ongevraagd onbekende levens binnen. Maar zelf blijft ze buiten schot. Haar werk is nu te zien in museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Wie is Sophie Calle? Een interview met vragen zonder antwoord.

Zaterdag, 26 maart 1994. Sophie C. heeft de nacht doorgebracht in Hotel A. te R. Om 10.00 uur laat zij zich wekken. Ze bestelt ontbijt op haar kamer en blijft in bed liggen. Om 11.50 uur staat ze op. Om 12.00 uur verlaat ze het hotel en begeeft zich te voet naar het nabij gelegen museum voor beeldende kunst. Om 12.05 uur meldt Sophie C. zich aan de balie van dit museum. Om 12.10 uur ontmoeten wij elkaar.
Sophie Calle (1953) blijkt een tengere donkerharige Francaise. Innemend, maar afstandelijk. Van tevoren had ik nauwelijks een idee hoe ze er uit zou zien. Op de paar foto’s die ik van haar zag was ze steeds op de rug te zien of met gedeeltelijk bedekt gelaat. Hoewel Calle het tot haar professie heeft gemaakt ongevraagd in andermans leven te wroeten, laat ze de ander alleen op haar voorwaarden in haar eigen leven toe. Ik heb met haar afgesproken om haar te interviewen, maar Calle trekt ter plekke haar toezegging in. Vriendelijk glimlachend zegt ze me dat er sprake moet zijn van een misverstand. Ik heb de indruk dat ze liegt. Ook al omdat ik kort voor onze ontmoeting de film Double Blind heb gezien, waarin Sophie Calle en haar vriend Greg Shephard elkaar voortdurend met leugens bestoken en om het hardst schreeuwen dat de ander een leugenaar is.
Calle is wel bereid een gesprek met mij te voeren, zegt ze, maar ze wil absoluut niet geinterviewd worden. Waar het gesprek eindigt en het interview begint, is niet duidelijk. Deze houding is typerend voor het meeste werk van Calle, waarin zijzelf weliswaar aanwezig is, maar altijd als schaduw, op veilige afstand van degene die zij volgt of interviewt. ‘Je moet de ander nooit tegemoet treden, je moet hem volgen, je moet hem nooit beminnen, je moet hem nader zijn dan zijn schaduw. En je moet weg zijn voordat hij zich omkeert.’ Deze woorden van de Franse filosoof Jean Baudrillard zouden het motto kunnen zijn bij het gehele oeuvre van Sophie Calle.
Een van haar eerste werken ontstaat bijna toevallig. Na zeven jaar over de wereld te hebben gezworven, keert Sophie Calle eind jaren zeventig terug naar haar thuishaven Parijs. Om zich de stad weer toe te eigenen, begint ze willekeurige personen op straat te volgen, die haar naar onvermoede plekken voeren. Al snel wordt het schaduwen van onbekenden een doel op zich. Sophie Calle neemt haar fototoestel en een notitieboekje mee en registreert als een ware detective het doen en laten van haar 'objecten’. 'Voor het plezier van het achtervolgen en niet omdat zij me interesseerden’, noteert Sophie Calle later.
Op een middag wordt ze voorgesteld aan ene Henri B., die zij even daarvoor nog heeft gevolgd. Hij vertelt haar dat hij binnen enkele dagen op reis gaat naar Venetie. Ze besluit hem achterna te reizen. Het kost haar enkele dagen om Henri B. in Venetie te traceren. Hij blijkt in een hotel op een steenworp afstand van het hare te verblijven. Om niet herkend te worden moet Calle zich vermommen. Ze fotografeert Henri B. tijdens zijn wandelingen door Venetie. Ze maakt dezelfde foto’s als hij, noteert met een horloge in de hand wat hij doet en informeert bij de mensen die hij heeft gesproken naar wat zijn plannen zijn. Ze wordt zijn schaduw.
Suite Venetienne (1983) is de neerslag in boekvorm van deze achtervolging. Jean Baudrillard schreef er een voorwoord bij, waarin hij, opmerkelijk genoeg, stelt dat Henri B. geen slachtoffer is: de situatie kan zich immers omkeren. In een stad als Venetie zijn de straatjes zo smal dat de achtervolgde automatisch achtervolger wordt zodra hij zich omkeert. Calle was zich terdege van dit risico bewust. 'Ik ben bang’, schrijft ze. Suite Venitienne gaat dan ook meer over Sophie Calle dan over de onbekende Henri B., die ondanks de twee weken durende observatie niet veel van zichzelf prijs geeft. Baudrillard gaat nog verder: 'Door iemand stap voor stap te volgen wist men al zijn sporen uit.’ De foto’s die Calle neemt zijn 'opnamen van een afwezigheid’. Eigenlijk steelt Calle dus de sporen van haar object met haar fotocamera, zoals primitieve volkeren vaak in de veronderstelling verkeren dat de camera hun een deel van hun wezen ontneemt. Als Henri B. haar op een bepaald moment inderdaad ontdekt en ineens voor haar staat, wil Calle hem fotograferen. Hij doet zijn hand voor zijn gezicht en roept: 'Nee, dat is niet eerlijk!’
Tijdens ons gesprek doet Calle voortdurend pogingen de rollen om te draaien. Ze wil op veel vragen geen antwoord geven en begint op haar beurt vragen aan mij te stellen. Calle is gek op dergelijke omkeringen. In 1981 geeft ze haar moeder de opdracht een detective in te huren die haar een dag lang moet achtervolgen. Zonder dat de achtervolger er weet van heeft, staat hij onder strakke regie van de achtervolgde. Calle weet die dag dat ze wordt geschaduwd en doet allerlei dingen 'voor hem’, zich afvragend of hij het zal opmerken. Het resultaat is een nauwgezet verslag zoals zij dat zelf ook maakte van haar eigen achtervolgingen.
In datzelfde jaar keert ze ook terug naar Venetie om er voor drie weken te gaan werken als kamermeisje in een hotel. Daar onderwerpt Calle de persoonlijke bezittingen van de hotelgasten aan een nauwgezet onderzoek. Van elke kamer maakt ze een verslag, later bijeengebracht in het boek L'Hotel. Ze fotografeert de voorwerpen in de kamer en noteert welke boeken iemand leest, op welke bladzijde de lezer is gebleven, welk nachtgoed de gast draagt, wat er op de propjes papier in de prullenbak staat geschreven. Meestal blijven het puzzelstukjes, deze observaties, die samen geen betekenisvol geheel vormen. Maar een enkele keer leggen ze een stukje van een verhaal bloot dat de fantasie op hol doet slaan. Zoals kamer 30, waarin een man alleen slechts een nacht doorbrengt. Calle vindt een keurig gestreken, niet gedragen zijden nachtjapon op een stoel en naast vele andere dingen ook nog een rekening van hetzelfde hotel, precies een jaar daarvoor, waaruit blijkt dat deze man daar toen de nacht doorbracht met zijn vrouw.
De fascinatie die Calle aan de dag legt voor de levens van willekeurige mensen gaat steeds verder. In juni 1984 vindt Sophie Calle een adresboekje op straat. Het behoort toe aan ene Pierre D. Ze kopieert het en stuurt het anoniem naar de eigenaar terug. Vervolgens belt ze allerlei mensen uit het adresboekje op met de vraag of ze hen mag interviewen over Pierre D. Er zijn een paar verontwaardigde afwijzingen, maar de meeste vrienden en kennissen van Pierre D. blijken bereid iets over hem te vertellen. De aan Calle gedane ontboezemingen verschijnen een maand lang dagelijks in het Franse dagblad Liberation. Het beeld van Pierre D. wordt er, ondanks de grote hoeveelheid informatie, niet duidelijker op. Hij blijft een onbekende voor Calle. De laatste aflevering van Le carnet is ingeruimd voor een furieuze reactie van de werkelijke Pierre D., vergezeld van een foto van een naakte Sophie Calle, naar verluidt op straat gevonden. Het laatste geeft aan hoe uitgekleed de man zich voelde door Calles voyeurisme. Le carnet verscheen onlangs als Het adresboekje in een Nederlandse uitgave. Het is een prachtig vormgegeven boekje, maar spijtig genoeg is de reactie van Pierre D. niet opgenomen.
Ik vraag Calle of ze de Amerikaanse schrijver Paul Auster kent. Ze kent hem persoonlijk, antwoordt ze. Auster modelleerde een belangrijk personage in Leviathan, een van zijn laatste romans, naar de persoon van Sophie Calle. Dat personage, kunstenares Maria Turner, heeft qua uiterlijk niet veel met Calle gemeen; ze is lang en blond, maar haar leven is zo ongeveer een kopie van dat van Calle. Ook Turner vindt een adresboekje, maar die vondst heeft desastreuze gevolgen: het kost twee mensenlevens.
Austers fascinatie voor Sophie Calle moet wel wederkerig zijn. Het oeuvre van Auster is doortrokken van een zelfde interesse voor toeval, verdwijningen en achtervolgingen als dat van Calle. Veel van zijn romans knipogen naar het detectivegenre. Zoals The New York Trilogy (1985), dat bestaat uit drie verhalen waarin achtervolgingen centraal staan. In een van de verhalen schaduwen twee detectives, Black en Blue, elkaar zo grondig, dat ze tenslotte in elkaar verdwijnen. In een ander vehaal komt een schrijver toevallig in de rol van detective terecht en volgt een man totdat deze volledig opgaat in de stad. Toeval speelt een beslissende rol in deze verhalen. Dat geldt ook voor het werk van Sophie Calle. Maar anderzijds staan de gebeurtenissen onder een strakke regie van Calle zelf. 'Heerseres van het toeval’, noemde Auster Calles evenbeeld Maria Turner.
Wat echter vooral uit het werk van Paul Auster spreekt, is de onkenbaarheid van de ander. De identiteit van de personages in zijn boeken is nooit zeker en kan volkomen onverwacht wisselen. Detectiveschrijver wordt detective, hoer wordt keurig getrouwde dame, grootmoeder wordt moordenares. Niemand is wat hij lijkt te zijn en uiteindelijk blijft iedereen afwezig.
De observaties van Sophie Calle lijden aan hetzelfde tekort: ze brengen ons niet dichter bij de geobserveerden en welbeschouwd ook niet dichter bij Calle zelf. Ook het sterk autobiografisch getinte werk dat Calle in Rotterdam laat zien, houdt ons in onzekerheid over de werkelijke Sophie Calle. Ze vertelt anekdoten uit haar eigen leven die worden opgeroepen door een voorwerp: een schoentje, een badjas, een pruik, een tafellaken. De verhaaltjes tonen ons onverbloemd haar lief en leed. Maar tegelijkertijd heeft elk verhaaltje iets volstrekt onalledaags, waardoor ik me afvraag of Calle de waarheid vertelt. 'Mijn oudtante heette Valentine. Ze was op 4 februari 1888 geboren. Toen ze zesennegentig was, was ze het leven moe. Maar ze had zich een doel gesteld: honderd jaar oud worden. Tijdens haar doodsstrijd, kort voor ze honderd zou worden, kwam ze weer tot bewustzijn om te vragen: “Hoeveel dagen nog?” Het waren er nog zes. Ze mompelde: “Ik houd het vol. Ik houd het vol.” Ze is op 4 februari 1988 gestorven.’
Het kan geen toeval zijn dat in Moonpalace (1989) van Paul Auster een oude man, die later de grootvader van de hoofdpersoon blijkt te zijn, een soortgelijke doodsstrijd levert. Hij wil koste wat het kost op 12 mei sterven en komt steeds weer even bij bewustzijn om te vragen wat de datum is. Tenslotte weet hij zijn overlijden te rekken tot 00.02 uur op 12 mei. Of Auster zich op het verhaal van Calle heeft gebaseerd of zij zich op dat van hem, blijft onduidelijk.
Maar doet het er eigenlijk wel toe of de verhalen van Calle waar zijn of niet? Voor Sophie Calle naar eigen zeggen wel. Ze liep eens rond op een tentoonstelling waar ook werk van haar hing en ving toevallig (?) een gesprek op van drie mensen die net haar werk hadden bekeken. 'Het was een prachtig verhaal’, zei een van hen, 'jammer dat het niet echt is.’ Calle had ze ter plekke door elkaar willen schudden. Toch noemde haar goede vriend Herve Guibert, de Franse schrijver die in 1991 aan aids overleed, haar een 'fantaste’ en 'fijnzinnige leugenaarster’.
Eigenlijk is de vraag of Calles verhalen waar zijn of niet nauwelijks interessant. Wat er toe doet is juist de twijfel die de verhalen oproepen. De onzekerheid die ze wekken over de informatie die wordt gegeven. Het feit dat we niet weten of een verhaal fictie of werkelijkheid is. Alles en iedereen is uiteindelijk onkenbaar.
In The Blind (1986) vraagt Calle aan blinden die nooit hebben kunnen zien, wat hun voorstelling van schoonheid is. Calle probeert hun woorden in een foto te vatten. De combinatie van deze foto’s met de woorden van de blinden en hun portretten geeft aan hoe onmogelijk de taak is die zij zichzelf heeft gesteld. In Ghosts (1991) vraagt Calle aan conservatoren, suppoosten en ander personeel van het Museum of Modern Art in New York of ze beschrijvingen en tekeningen kunnen maken van vijf tijdelijk afwezige schilderijen. De schilderijen zijn uitgeleend en Calle heeft de lege plekken vervangen met de herinneringen van het personeel. Hun subjectieve mededelingen zeggen meer over henzelf dan over het afwezige schilderij.
Waarheid en leugen spelen ook de hoofdrol in de film Double Blind (1992). De film is een verslag van een reis die Calle samen met Greg Shephard dwars door Amerika maakt en die eindigt met hun drive-in- marriage in Las Vegas. Beiden zijn in het bezit van een videocamera, waarmee ze hun reis, maar vooral hun onuitgesproken gedachten over elkaar vastleggen. De twee bevechten voortdurend elkaars aanspraak op de waarheid. 'Leugenaar’, roept Calle Shephard toe. Maar ook, tegen zichzelf: 'Waarom lieg ik?’ Het volkomen ongeloofwaardige huwelijk dat volgt, blijkt echter werkelijkheid te zijn, alhoewel het niet lang zou standhouden. Shephard en Calle raken al tijdens de montage van de film in de problemen en liggen nu in scheiding.
In het Rotterdamse Boymans-museum laat Calle twee projecten zien onder de titel Absence. Het ene deel bestaat uit de autobiografische verhaaltjes die aan een voorwerp zijn gekoppeld. Deze voorwerpen heeft Calle ondergebracht in de collectie Kunstnijverheid en Vormgeving van het museum op de lege plaatsen die ontstonden doordat voorwerpen uit de collectie tijdelijk zijn weggehaald. Het andere werk heet Last Seen. Daarin borduurt ze voort op het gegeven van het afwezige kunstwerk. Maar terwijl het in Ghosts ging om tijdelijk verwijderde kunstwerken, gaat het in Last Seen om werken die zijn gestolen. Daardoor is de zaak meer beladen. De kunstwerken zijn gestolen uit het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston, dat is gevestigd in een Venetiaanse villa. De grondlegster van het museum heeft in haar testament laten bepalen dat de opstelling van de collectie onder geen beding mag worden veranderd. Na de diefstal is het museum daarom tot in het einde der dagen veroordeeld tot het conserveren van haar lege plekken. Calle fotografeerde de plekken en heeft ook nu weer het museumpersoneel om herinneringen en beschrijvingen van het verdwenen werk gevraagd. Hun verhalen hangen naast de foto’s, gevat in de vorm en originele afmetingen van het verdwenen kunstwerk.
Of het nu kunstvoorwerpen betreft of mensen van vlees en bloed: het gaat in het werk van Sophie Calle altijd om pogingen iets wat afwezig is aanwezig te stellen. Maar nooit slagen we er als lezer of als toeschouwer in er de vinger op te leggen. Sophie Calle stort ons keer op keer in een beklemmende onzekerheid.