Sophocles aan het spaarne arthur van schendel

Vijftig jaar geleden, op 11 september 1946, overleed Arthur van Schendel. Bij zijn dood was hij een literaire legende. Ter Braak, Du Perron en Vestdijk zagen hem als de grootste Nederlandse schrijver van zijn tijd. Inmiddels is zijn roem tanende. Uitgeverij Meulenhoff probeert daar wat aan te doen door herdrukken op de markt te brengen van Het broos geluk, Het fregatschip Johanna Maria, De wereld een dansfeest, Minnebrieven van een Portugese non en De mooiste verhalen van Arthur van Schendel. In deze Groene herlezen Nelleke Noordervliet, Oek de Jong en Marcel Möring hun favoriete roman van de eertijdse grootmeester.
Arthur van Schendel, Een Hollands drama
HET GEZICHT op Haarlem is niet ingrijpend veranderd. Men mag hopen dat wijs beleid ten grondslag ligt aan het behoud van Haarlems silhouet, maar het zal zonder twijfel eerder te danken zijn aan de gezapigheid van een economisch stabiele regio waarin betrekkelijk weinig gebeurt.

Er is geen overheersende tak van industrie die plotseling bloeit of teloorgaat, er is geen nerveus kloppend financieel hart, er zijn geen havens, geen departementen, en voor de kunst is Haarlem de stad van try- outs. Het is er goed wonen. Haarlem is een stad in de luwte. De luwte van Amsterdam, van de duinen en van de Bavo. Van veraf zie je die machtige kerk boven de stad uit rijzen. Een enorm middenschip met een bescheiden toren, een door mensenhand gemaakte Mont Blanc.
Wie de kerk schroomvallig nadert en ’s avonds rond een uur of negen op een terrasje aan de voet van een van zijn steunberen plaatsneemt, wordt verrast door de stem van kleine klokken. Een reus met het geluid van Klein Duimpje. Ting-teng, gaat het, ting-teng en nog eens ting-teng, ting-teng. Het houdt niet op. De plaat blijft in de groef hangen en de technicus is pleite, denkt de moderne mens. Maar nee, het hoort zo. Het zijn de Damiaatjes, de zenuwslopende Damiaatjes, een aparte afdeling van Bavo’s klokkespel. Het klankbeeld van een Hollandse stad wordt bepaald door authentiek klokgelui, zoals dat van een willekeurige arabische stad wordt bepaald door de elektronische roep van de muezzin. Over het algemeen prefereer ik een carillon boven het snerpende Allah Akhbar, maar na een half uur Damiaatjes weet ik het niet meer. Echt Hollands zijn ze wel. Vandaar dat de klokken van de Bavo het achtergrondkoor vormen bij Een Hollands drama van Arthur van Schendel.
Het verhaal speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw in het kalme Haarlem. De gebroeders Werendonk en neef Floris Berkenrode drijven - hoe kan het ook anders - een grutterswinkel. Hun zuster is getrouwd met ene Berkenrode, die een gokker en schuinsmarcheerder blijkt te zijn. Hij raakt in ernstige financiële moeilijkheden en pleegt zelfmoord. De oudste broer, Gerbrand Werendonk, neemt de schuld van zijn zwager over, opdat zijn neefje Floris niet de schande van zijn vader zal hoeven dragen. Het is een wat overdreven plichtsbesef maar men prijst hem ervoor. Zeker de schuldeisers. De last is zwaar. Men moet zich veel ontzeggen. De zuster kan het niet aan en kwijnt weg. Het kind blijkt de slechte neigingen van de vader te hebben, en wordt daarom streng maar rechtvaardig opgevoed onder het motto: ‘Wie wil kan zich tegen het kwaad verzetten.’ Het kind is zich van de schande en van zijn schuld bewust. En lijdt eronder. Hij kan echter geen weerstand bieden en delft keer op keer het onderspit. Spijt en schaamte, kommer en kwel alom. Werendonk wil de jongen koste wat kost redden, maar Floris acht zichzelf reddeloos. Het conflict vindt zijn apotheose in het slot: Floris steekt het huis in brand en wil daarin ten onder gaan, oom Gerbrand gaat naar binnen om hem te redden maar wordt door zijn neef knock-out geslagen. Samen komen ze in de vlammen om. Dat alles in een smal straatje vol neringdoenden in de schaduw van de kerk met het weer als symbool voor de gebeurtenissen: druilerig.
Geld, zonde en erfelijkheid zijn de ingrediënten van Een Hollands drama. In de titel al heeft Van Schendel duidelijk gemaakt dat de Haarlemse tragedie de grenzen van de stad te buiten gaat. Maar die sonore titel bergt eveneens een mogelijke kritische noot, een ironische toon in zich. Van Schendel heeft niet alleen maar een aangrijpende tragedie willen schrijven, hij heeft er zijn commentaar in verstopt.
MENIGEEN heeft gewezen op de overeenkomsten tussen Van Schendels Haarlemse drama en dat van de oude Grieken. Er is eenheid van plaats en handeling; er is een koor, in de vorm van de buren, dat commentaar levert op de handeling; en zelfs komen de schikgodinnen op cruciale momenten van hun etherische aanwezigheid getuigen. Gerbrand Werendonk wordt als een klassieke held ten val gebracht. Hij struikelt over zijn eigen ambities.
De overeenkomsten springen misschien in het oog, en het is verleidelijk Van Schendels visie op het 'noodlot’ een Griekse, ja zelfs universele dimensie te geven. Sophocles aan het Spaarne. Maar ondanks de atmosfeer van diepe treurigheid en de geur van natte winterjassen die uit de bladzijden opstijgt, is het een misverstand Een Hollands drama te zien als een noodlotstragedie waarin de held onafwendbaar op zijn ondergang afstevent met de zekerheid en de regelmaat van het tergend ting-teng van de Damiaatjes.
DE STELLING waar het drama om draait wordt op de eerste bladzijde gegeven in de verbleekte woorden van Gerbrands vader (ook al een zelfmoordenaar), die op Gerbrands geboortedag in zijn kasboek (let wel: kasboek! En niet: bijbel) had geschreven: 'een kind als het geboren wordt is zo wit als sneeuw maar wie wel toeziet bemerkt op de sneeuw een rode vlek: dat is de zonde’. Het doet onweerstaanbaar denken aan de plaatjes waarmee katholieke kinderen vroeger werden gehersenspoeld, grote vlekken voor doodzonden, kleine rode vlekken voor dagelijkse zonden en spatjes voor peccadilles. Het brandmerk van het kwaad is in iedereen aanwezig. 'Men verlangde het goede en men was vol van het kwaad’, zo beschrijft Gerbrand het gruwelijke conflict waaraan mensen ten prooi zijn. En hij stelt zijn leven in dienst van de overwinning op het kwaad, in zichzelf en in anderen. Het kwaad in zichzelf heeft hij aardig onder de duim. Dat sterkt hem in zijn overtuiging dat de menselijke wil c.q. een groot godsvertrouwen alles vermag. Zijn neefje Foris heeft ofwel een grotere dosis kwaad gekregen dan zijn oom ofwel een zwakkere wil. Floris is het negatief van Gerbrand. 'There but for the grace of god go I’, moet Gerbrand gedacht hebben. En als Gods genade dan niet voldoende is om zijn neef te redden, dan doet de oom het wel. Op zijn manier. Niet zozeer star als wel vasthoudend. Hij blijft de jongen op de huid zitten met vergevensgezindheid en stil verwijt. Hij laat hem niet los. En mijn plicht is het over hem te waken, al was hij in de hel dan haalde ik hem eruit. Gerbrand neemt de plaats in van God. Hij zal het weten.
De hubris van de klassieke held is echter geen arrogantie maar onmatigheid. Trots is geen schande in de oudheid. Men mag zich goddelijk wanen. Maar overdrijving is uit den boze. De christelijke interpretatie van hubris is in afwijking van de oorspronkelijke betekenis te sterk gaan leunen op het verbod tegen de goddelijke wet of het noodlot op te staan. In die zin kan Een Hollands drama dan ook niet calvinistisch worden genoemd. Gerbrand is een echte klassieke held: niet zijn opstandigheid tegen het noodlot richt hem ten gronde, maar zijn onmatigheid in de strijd. De trouwe Jansje, werkster in huize Werendonk, wijst daarop. Tegen broer Frans Werendonk zegt ze: 'Praat toch eens met je broer dat hij verstandig wordt. Zeventigmaal vergeven is goed, maar hij is onze lieve heer niet, hij heeft al meer gedaan dan van een gewoon mens gevraagd kan worden.’
Behalve een karakterfout (hamartia) die leidt tot onmatigheid (hubris) is er nog een derde element dat de handeling in de tragedie stuurt. Dat is het misverstand. Een oppervlakkige lezing van Een Hollands drama suggereert dat het fundamentele misverstand ligt in Gerbrands overtuiging dat in strijd tussen wil en noodlot de wil kan winnen. Het menselijk noodlot ligt in de dagelijkse strijd tegen het kwaad. Je moet vechten. Je moet willen winnen. Je moet ervan overtuigd zijn dat je kunt winnen. Floris is daarvan niet overtuigd. Hij gaat ten onder en sleept Gerbrand mee. Zo lijkt de conclusie: het noodlot wint het van de wil. Hoe je ook knokt, wat je ook doet, je verliest. Het pessimisme zegeviert over het optimisme.
Maar zo simpel ligt het niet. Van Schendels stelling is dat de mens ten overstaan van het noodlot gedwongen is een keuze te maken voor het optimisme. Dat wil zeggen: niemand kiest bij zijn volle verstand voor een bij voorbaat verloren strijd. Gerbrand heeft dus gelijk. Maar de mateloosheid van zijn gelijk brengt hem ten val. Het misverstand waardoor de tragische afloop onafwendbaar wordt, is Gerbrands opvatting dat zijn handelwijze om zijn gelijk te krijgen de enige juiste is. Hij maakt alles en iedereen in zijn omgeving ondergeschikt aan zijn idee, en is ook daarin onmatig.
Het noodlot en het kwaad nemen bij Van Schendel een totaal andere vorm aan dan bij de klassieken. In de tragedies rond Mycene en Thebe wortelt de mateloosheid in machtswellust en moord en bloedwraak en incest, in Haarlem blijft men steken in diefstal, bedrog en straatschenderij. Wanneer Floris op zijn dieptepunt is aangeland, wordt hij door zijn oom in een tapperij aangetroffen in Den Haag of all places. Wat hij gedaan had in dit laatste jaar was erger dan hij zeggen durfde, hij hoorde niet meer bij fatsoenlijke mensen. Van Schendel schroomt ons in te lichten over de gruwelijkheden door Floris begaan. Daarmee blijft de verleiding van het kwaad enigszins schimmig en moeilijk voorstelbaar, hoewel de lezer Floris wel degelijk enkele liederlijke seksuele uitspattingen zou gunnen. Dan heeft die jongen die lol tenminste gehad. Sappige scènes aan de zelfkant van het leven zouden de sombere economie van het verhaal geweld aan hebben gedaan. Want economisch schrijft hij. De enige man-vrouw relatie die in Een Hollands drama voorkomt is de kuise verkering tussen Floris en Wijntje. Maar ook de prille liefde heeft een functie in de ondergang van Floris: zelfs een zachtmoedig en trouw meiske ('en helder ding’) kan hem niet uit de put van het pessimisme trekken.
Gerbrand en Floris hangen beiden dezelfde moraal aan. Zijn geen van beiden bereid een compromis te sluiten. Met het ideaal van het absolute goed valt niet te sjoemelen. Floris bevrijdt zich in schijn van de oude moraal, hij zoekt de verleiding van het kwaad, doet stoer over vrijheid, maar hij kan de vrijheid niet aan en hij smeekt om straf door een hogere macht. Als niemand hem wil straffen, moet hij dat zelf maar doen.
MAAR ER IS meer aan de hand in Een Hollands drama. Kenners van Van Schendels werk wisten geen raad met de figuur van Frans, de klokkeluider van de Bavo, de ietwat simpele broer van Gerbrand. Hij lijkt een man die niet wordt geplaagd door een diep plichtsbesef, anderzijds offert hij zichzelf net zozeer op als Gerbrand. Hij loopt een beetje met zijn hoofd in de wolken en weet alleen te praten van de klokken en de huizen in de stad, maar als het er echt op aankomt, is hij doortastender dan Gerbrand. Enerzijds berust hij in de onmogelijkheid het lot naar je hand te zetten, anderzijds is zijn meebuigen in de storm een effectievere manier om overeind te blijven dan verzet. Zijn fatalisme berooft hem niet van de mogelijkheid te genieten van het leven. Volgens Van Heerikhuizen, die op het werk van Van Schendel promoveerde, is Frans 'de enige figuur in het boek die niet goed uit de verf is gekomen omdat hij uit tegenstrijdige tendenties werd geformeerd’. Dat is niet juist gezien. Frans heeft een andere manier gekozen om het noodlot het hoofd te bieden dan in tragedies gebruikelijk. Rustig en bescheiden. Zijn eenvoud is bijna de garantie voor zijn gelijk. Frans houdt het drama open. Hij biedt een ontsnappingsclausule. Hij belichaamt het redelijk alternatief.
Frans houdt maat. Hij liegt weleens, maar nooit dwangmatig. Hij gaat weleens met dubieus volk om, maar blijft op het rechte pad. Hij heeft zich een moraal eigen gemaakt die het compromis tussen ideaal en werkelijkheid niet schuwt. Hij begrijpt dat je de last van een ander niet kunt dragen. Als hij zich schuldig maakt dan is het aan opportunisme en gemakzucht, uitvloeisels van een modern individualisme dat makkelijk in het moeras van het amorele verdwijnt. De grondtoon van zijn leven is het ting-teng van de Damiaatjes. 'Ze betekenen dat we altijd weer hopen kunnen.’ 'Alles vergaat, ook de zondigheid van de mens.’ Dat lijkt meer op het panta rei van Heraclitus dan op de predestinatie van Calvijn. Van Schendel zwalkt dus niet tussen tegenstrijdigheden. Juist in de figuur van Frans heeft hij heel consequent en consistent zijn commentaar op het Hollandse van het drama verwerkt: de zonde gaat voorbij, geld is niet belangrijk en erfelijkheid belet een mens niet van het leven te genieten.
Even terug naar Aristoteles, die in zijn definitie van de tragešdie opmerkte dat door medelijden (eleos) en vrees (phobos) de katharsis van dergelijke emoties wordt bewerkt. Die definitie heeft aanleiding gegeven tot tal van interpretaties. Is de tragedie de soap van de oudheid: huil maar eens lekker uit in de veiligheid van het theater? Verkrijgen we door het meebeleven van de ondergang van een integere, maar misleide held hooggestemde en zuivere emoties? Worden we een beter, gevoeliger mens? Martha Nussbaum heeft erop gewezen dat katharsis niet moet worden begrepen als een medische handeling. De tragedie is geen purgeermiddel, maar een middel om kennis en inzicht te verwerven in de eigen ziel. Katharsis moet worden vertaald als inzicht, helderheid. Geven we ons dan rekenschap van de mogelijkheid dat medelijden en vrees in de oudheid weleens konden worden gezien als minder gewenste gevoelens, die maar leiden tot overdreven sentiment of irrationele angst, dan is de tragedie eens te meer een middel om via een omweg matigheid en beheersing te preken. We krijgen inzicht in onszelf, niet door middel van identificatie maar juist door middel van afstand. De katharsis waartoe een tragedie moet leiden bij het publiek is al in Frans gegeven.
De afstand tot de problematiek waar Gerbrand en Floris mee worstelen is inmiddels, een eeuw later, wel gegarandeerd. Plichtsbesef en schuldgevoel hebben andere vormen aangenomen. Ons inzicht in de bedoelingen van Van Schendel wordt daarom misschien duidelijker. Dat inzicht wordt door Frans gegeven. Altijd blijven hopen.
Het huis staat in brand, maar de klokken moeten worden geluid. Ting-teng luiden de Damiaatjes. Laat je niet kisten door de overweldigende aanwezigheid van de kerk. Hij heeft maar een kleine stem. Ting-teng. Ting- teng.