Sophokles is nog goed bij

Sophokles, Aias. Vertaald door Gerard Koolschijn en C.M.J. Sicking, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 86 blz., Ÿ 29,90 ..LE SINDS Aristoteles in de vierde eeuw voor Christus zijn literatuurwetenschappelijke inzichten wereldkundig maakte, geldt de Athener Sophokles (496-406) als de toneelschrijver bij uitstek. In zijn lange leven schreef deze aristocraat een honderdtal stukken, waarvan er zeven compleet bewaard zijn gebleven. Vier daarvan, Koning Oidipous, Oidipous in Kolonos, Antigone en Elektra, worden met enige regelmaat gespeeld, Trachiniai nooit, en de twee overige, Philoktetes en Aias, een enkele keer.

Vooral Koning Oidipous staat bekend als voorbeeldig drama met een verhaal dat ons nog steeds iets te vertellen heeft. Ik heb dat nooit begrepen, want het stuk hangt van ongeloofwaardige toevalligheden aan elkaar en de stijl is voorspelbaar als een symfonie van Mozart. En Antigone, een zogenaamd politiek explosief stuk dat ieder jaar wel ergens te zien is, vind ik door de slappe dialogen, karikaturale argumentaties en belachelijke afloop al helemaal niet om door te komen.
AIAS VORMT een gunstige uitzondering. Het stuk is, zoals vaker bij Sophokles, een soort tweeluik. In de eerste helft staan de waanzin en zelfmoord van de protagonist centraal, de tweede helft stelt de vraag of zo'n gevaarlijke gek wel een eervolle begrafenis verdient. Doordat het stuk begint en eindigt met een scŠne waarin Odysseus optreedt, wekt de plot toch de indruk van een afgerond geheel. En hoewel het verhaal een paar onwaarschijnlijke elementen bevat, is de tragiek van Aias onmiskenbaar.
Het stuk speelt zich af aan het einde van de Trojaanse oorlog. Nadat Achilleus verraderlijk is neergeschoten ontstaat in het Griekse kamp een discussie over de vraag wie zijn door de god Hephaistos vervaardigde wapenrusting mag hebben. Aias, die algemeen als de grootste held na Achilleus beschouwd wordt, meent er recht op te hebben, maar omdat deze reusachtige vechtmachine niet zo goed uit zijn woorden kan komen, legt hij het af tegen de gladjanus Odysseus. Razend omdat hem niet de eer wordt betoond die hij verdient, zint Aias op wraak. ’s(Nachts rent hij in psychotische toestand zijn tent uit met de bedoeling zijn woede op de Griekse generaals te koelen, maar de godin Athene stuurt kudden runderen en schapen op zijn pad, die hij op weerzinwekkende wijze afslacht. Enkele dieren sleept hij zelfs mee zijn tent in om ze daar te martelen. Op dat punt in het verhaal begint het toneelstuk.
Odysseus, die inmiddels heeft ontdekt wat er met het vee is gebeurd en vermoedt dat Aias de dader is, vraagt de godin Athene of zij er meer van weet. Met een misselijk makend genoegen roept zij Aias naar buiten, en waar Odysseus bij is, vraagt zij hem wat hij met Odysseus heeft gedaan. Aias: ‘Odysseus? Die zit binnen, meesteres: een heerlijke gevangene. Ik wil nog even wachten voor ik hem laat sterven.’ Athene: 'Wat wilt u eerst nog doen? Wat wint u met dat uitstel?’ Aias: 'Eerst zal ik hem nog aan een tentpaal binden en zijn rug tot bloedens toe open zwepen.’ Athene: 'Nu, als het u plezier doet dat te doen, ga dan uw gang, leef u volledig uit.’ Zelfs Odysseus heeft met de malende held te doen.
Wanneer Aias weer bij zinnen komt en beseft wat hij heeft aangericht, begrijpt hij dat de goden tegen hem zijn: eerst heeft hij Achilleus’ wapenrusting niet gekregen, vervolgens is hij er niet in geslaagd zijn rivalen te doden, en bovendien heeft hij zich belachelijk gemaakt door al die onschuldige dieren over de kling te jagen. Voor een held als Aias, wiens zelfrespect staat of valt met wat zijn medekrijgsheren van hem denken, is er maar ÇÇn uitweg: 'Het is een schande te verlangen naar een lang bestaan wanneer je in je ellende geen verandering ziet (….) Nee, een edelman moet eervol leven of anders eervol sterven. Meer valt er niet te zeggen.’
Zijn vrouw Tekmessa tracht hem ervan te overtuigen dat hij haar en hun zoontje, dat naar de krankzinnige naam Breedschild luistert, niet in de steek mag laten, en uit zijn antwoord maakt ze op dat hij inderdaad van zelfmoord afziet. Het tekent het isolement waarin Aias terechtgekomen is, dat niemand zijn woorden begrijpt wanneer hij zegt: 'Ik ga nu daarheen waar ik heen moet gaan.’ Hij loopt naar het strand en werpt zich in zijn zwaard.
DIE ZELFMOORDSCENE is om verschillende redenen uitzonderlijk: niet alleen wordt de eenheid van plaats doorbroken, bovendien doodt hij zich ten overstaan van het publiek, terwijl sterfscŠnes in Attische tragedies gewoonlijk niet op het podium plaatsvinden, maar in de coulissen.
Wanneer Aias gevonden is, wil zijn halfbroer Teukros hem begraven. Teukros is de zoon van een slavin en bekleedt daarom een ondergeschikte positie in het Griekse leger. Menelaos verbiedt hem zijn broer te begraven, omdat Aias volgens hem als vijand beschouwd moet worden: en vijanden begraaf je niet, die laat je liggen, ten prooi aan honden en gieren. Maar Menelaos is een slappeling die zich door Teukros genadeloos laat afzeiken. Ook Agamemnon, een hautaine blaaskaak, wil de begrafenis verbieden. Maar dan verschijnt Odysseus, die ervoor pleit Aias fatsoenlijk te begraven. Agamemnon is verbijsterd: 'Neemt £, Odysseus, het voor hem tegen mij op?’ Odysseus: 'Ik ja. Ik haatte toen het goed was om te haten.’ (….) Agamemnon: 'U wilt dus dat ik deze dode laat begraven?’ Odysseus: 'Zeker. Eens komt het ook met mij zover.’ Agamemnon: 'Ja. Elk mens doet altijd alles voor zichzelf.’ Als Agamemnon Teukros vervolgens toestemming verleent de uitvaart van zijn broer te regelen, weigert deze de hulp van Odysseus te aanvaarden, 'uit vrees om iets te doen wat de overledene zou storen’. Odysseus heeft het fatsoen zich niet op te dringen. En daarmee eindigt het stuk.
HEEFT DEZE tragedie ons nog iets te zeggen? Op het eerste gezicht misschien niet. Het is niet moeilijk Aias als psychiatrisch pati‰nt te beschouwen, zodat je hem niet au sÇrieux behoeft te nemen. En het feit dat alle personages, behalve Tekmessa, geobsedeerd zijn door de angst hun gezicht te verliezen, lijkt niet meer van deze tijd. Maar zodra je je realiseert dat de wereldpolitiek nog steeds wordt bepaald door enge mannen die bereid zijn terwille van hun reputatie gehele volksstammen uit te roeien, komt Sophokles’ tragedie opeens een stuk dichterbij.
Daarbij komt dat Aias een weliswaar gestoorde, maar niettemin indrukwekkende persoonlijkheid is, dat niemand er ook maar enige moeite mee zal hebben zich in Tekmessa in te leven, en dat Teukros waarschijnlijk de aardigste kerel uit Sophokles’ gehele oeuvre is. Bovendien is het deftige Grieks door Koolschijn en Sicking onberispelijk en tijdloos vertaald, al is het jammer dat ze hun werkwijze nergens verantwoorden. Misschien stimuleert deze tekst een theatermaker het stuk op de planken te brengen. Dat is dan weer eens wat anders dan Antigone.