Sorry…

‘Hoe lang ben je nu al dood?’

‘Negentien jaar. Denk je veel aan me?’

‘Waarom is dat meteen weer de eerste vraag die je stelt? Ja, mam! Ik denk nog veel aan je!’

‘Fijn. Wat is er, schat?’

‘Niks. Niet echt iets.’

‘Jawel… Anders zou je niet met me willen praten. Wat is er?’

‘Ach… ik… Niks… Ik denk vaak dat ik jullie, pappa en jij bedoel ik, niet onder ogen durf te komen als jullie nog zouden leven.’

‘Ach lieverdje, waarom niet?’

‘Laten we het alsjeblieft over iets anders hebben…’

‘Nee, vertel mamma nou eens wat je dwarszit… Niemand ziet je. Ik ook niet. Zeg het nou maar.’

‘Ik… Ik… Nee, ik kan het niet zeggen.’

‘Zeg het nou maar.’

‘Nee… Ik vind het kinderachtig en onvolwassen… ik ben al oud. Nee! Het gaat niet.’

‘Waarom gaat het niet, schat?’

‘Omdat… omdat ik jullie… Ik zou het als verraad beschouwen als ik zou zeggen wat me dwarszat…’

‘Verraad!?’

‘Ja, mam…’

‘Jegens ons?’

‘Ja… het spijt me… Ik kan het niet… Het is ook niet iets wat me dwarszit, het is meer een vorm van gekwetstheid, en…’

‘Wat!? Gekwetstheid? Hebben wij, je lieve ouders, je gekwetst. Wij?’

‘Sorry, het spijt me… Zo bedoel ik het niet. Excuus, mam… Ik had het niet moeten zeggen.’

‘Hoe hebben wij jou dan gekwetst?’

‘Nee… nee!’

‘Ik moet nog steeds ­leren mijn mond te houden, mam’

‘Wij hebben alles voor je over gehad. Na de oorlog en na Indië kwam jij. Wij hadden drie jaar onder de Jappen geleden en een jaar onder de pemoeda’s. We waren alles en alles kwijt. En hier in Holland hadden we niks, helemaal niks. Niemand hielp ons, en…’

‘Het spijt me, mam.’

‘Nee, het spijt je niet! En we hebben alles en alles gedaan om jullie een fijne jeugd te geven en te laten studeren…’

‘Ja, mijn dank is ook groot en ik hou veel van jullie.’

‘En jij vooral was zo moeilijk.’

‘Het spijt me mam. Ik hou heel veel van jullie.’

‘En ik, ik zeker, heb je altijd beschermd.’

‘Ja mam, ik hou ook echt heel veel van je. Echt heel veel. En ik ben jullie dankbaar.’

‘En nu hebben wij je gekwetst!’

‘Nee, dat was een verkeerde opmerking van mij. Ik bedoel het ook niet zo.’

‘Hoe denk je dat wij uit zo’n oorlog zijn gekomen? Hoe denk je? Als vrolijke mensen? Hebben we jullie daarmee belast? Hebben we jou daarmee belast?’

‘Nee… Integendeel, mam. Jullie hebben altijd alles voor mij over gehad. En ik was een moeilijk jongetje. Ziekelijk ook.’

‘En dan zouden wij je gekwetst hebben!’

‘Dat was een hele foute opmerking van je zoon. Heel erg fout. Daarvoor bied ik je alsnog mijn excuses aan.’

‘Gekwetst. Mijnheer is gekwetst! Al die ruzies die jij met pappa hebt gehad… Wie heeft je toen beschermd?’

‘Jij, mam.’

‘Hoe kan jij nou gekwetst zijn? Heb jij een oorlog meegemaakt, heb jij familie verloren in die oorlog? Heb jij in het kamp gezeten? Heb jij honger gehad… Ik kan zo wel doorgaan.’

‘Ik moet nog steeds leren mijn mond te houden, mam.’

‘Dat kan je wel zeggen, ja! En heb je er wel eens aan gedacht dat je ons gekwetst kan hebben.’

‘Ja… ja, dat…’

‘Ik bedoel, wat hebben we teruggekregen van jou? Mijnheer wilde popster worden, de nieuwe Bob Dylan. Heb je ook maar één plaat gemaakt? Mijnheer wilde dichter en schrijver worden. Ik heb vanuit de hemel gezien dat ze speciaal voor jou, bij elke uitgeverij waar je publiceert, een extra versnipperaar hebben aangeschaft. Wat heb jij voor ons gedaan?’

‘Ja, dat is… dat is…’

‘Als we maar trots op je konden zijn. Gewoon trots. Zodat wij konden zien dat onze opvoeding goed was. Maar wat krijgen wij terug? We hebben je gekwetst!’