Sorry, dat er nu pas sorry wordt gezegd

In een interview met Der Spiegel in 2000 wordt Ian Kershaw, een van de grootste kenners van nazi-Duitsland, gevraagd hoe de holocaust mogelijk is geweest. Het antwoord is uiteraard niet eenduidig, maar hij had wel de sleutel gevonden in de uitspraak ‘Dem Führer entgegen arbeiten’, die Werner Willikens, staatssecretaris van het Pruisische economisch ministerie, in 1934 deed tijdens een speech voor zijn ambtenaren.

Kershaw vertelt dat dit hem groot inzicht gaf: in het hiërarchische systeem gingen ambtenaren handelen in de geest van hun chefs – tot in de hoogste gelederen van de partijtop. Dé leider zelf heeft nooit het startsein gegeven tot het industrieel uitmoorden van ‘Untermenschen’. Op de Wannseeconferentie, waar vijftien hoge ambtenaren begin 1942 onder leiding van Heydrich vergaderden over de eindoplossing van het joodse vraagstuk, heeft niemand dit expliciet uitgesproken, zo bleek later uit de notulen. De uitroeiing vond in het geheim plaats, ver weg van de bewoonde wereld. Als er berichten doorsijpelden bleef het te onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Zo was het ook voor de Nederlanders ongewis wat de werkelijke bestemming was toen in de zomer van 1941 de deportaties begonnen.

Het is belangrijk dat premier Rutte nu excuses heeft uitgesproken over het overheidshandelen tijdens de bezetting; ambtenaren keken weg en een deel werkte actief mee. Daarmee waren zij zeker niet allemaal overtuigde nazi’s, zij deden gewoon hun werk. Eichmann was er zo van onder de indruk dat hij in een interview voorafgaand aan zijn proces (1961) zei over Nederland: ‘Daar verliepen de transporten zo vlekkeloos dat het een lust was om naar te kijken.’

Eichmann roemde de vlekkeloosheid van onze transporten

Wél zijn de excuses van Rutte laat. Op de valreep, er is nog een handjevol overlevenden. Die zijn blij en geëmotioneerd, maar het besef doet pijn dat dit niet gebeurde toen zij na de oorlog terugkeerden in een land waar geen aandacht was voor hun onpeilbare leed en ambtenaren zich bureaucratisch opstelden bij het regelen van zaken als de teruggave van onroerende en roerende goederen, levensverzekeringen of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Voor de ‘kille ontvangst’ heeft toenmalig premier Kok zijn excuus aangeboden in 2000, verder ging hij niet. De tijd was kennelijk nog niet rijp voor de pijnlijke vraag waarom er van alle bezette gebieden uit Nederland percentueel (75 procent) de meeste joden zijn afgevoerd en niet zijn teruggekeerd uit de nazikampen.

Onder historici begon hiervoor in de jaren negentig van de vorige eeuw aandacht te komen. Er kwam een mix aan verklaringen. De meedogenloze afstraffing van de Februaristaking in 1941. De meewerkende rol van de Joodse Raad. Maar vooral: Nederland was weliswaar niet diep antisemitisch, maar wel gezagsgetrouw en door de verzuiling sterk gesegregeerd, waardoor de onderlinge solidariteit zwak ontwikkeld was.

Het bleek een fatale combinatie: het ‘civiel’ bestuur van de bezetter dat volop ruimte bood voor een keihard bewind en een gezagsgetrouw Nederlands bestuursapparaat – van hoog tot laag namen ambtenaren, burgemeesters, spoorwegpersoneel en politiemensen actief deel aan de voorbereidingen en uitvoering van de vervolging van joden, terwijl de bevolking passief toekeek.

Het naoorlogse beeld van een land dat zich had verzet begon toen te kantelen, en wordt nu pas formeel erkend in het verlengde van de lang uitgestelde komst van het Nationaal Holocaust Museum en het Holocaustmonument. Elke generatie moet de vraag blijven stellen hoe de holocaust mogelijk was. Genocide is er niet van de ene op de andere dag. Rassenwetten, beroepsverbod, vernielingen van joodse winkels, razzia’s – iedereen zag het. Slechts een klein, moedig deel van de bevolking verzette zich. Ook dat mag nooit vergeten worden, nu de focus ligt op overijverige ambtenaren.