Nieuwe termen in het racismedebat

‘Sorry, ik dacht dat je een Marokkaan was’

Institutioneel racisme, micro-agressie, white privilege en hipster-racisme: begrippen uit het Amerikaanse racismedebat vinden hun weg naar Nederland. Maar zijn het wel accurate beschrijvingen van onze werkelijkheid?

Medium hh 43250898

Bent u blank en schiet u meteen in de verdediging als er naar uw smaak te snel over racisme wordt gesproken? Dan heeft u last van white fragility. U leeft in een comfortabele witte bubbel waar geen pijnlijke discussies over racisme worden gevoerd. Dat wilt u ook zo houden. Brengt iemand het toch ter sprake, dan reageert u gepikeerd of klapt u dicht. U bent te fragiel om dit debat aan te gaan.

De term ‘white fragility’ werd in 2011 gemunt door Robin DiAngelo, een Amerikaanse hoogleraar multiculturaliteit, die een naam wilde geven aan de soms defensieve of ontwijkende reacties van blanke mensen op racismedebatten. Inmiddels is het begrip ook in Nederland geland en dook het afgelopen mei op in een _NRC-_artikel (‘Je bent racistischer dan je denkt’) van schrijver Alma Mathijsen. White fragility is niet alleen een Amerikaans fenomeen, aldus Mathijsen, blanke overgevoeligheid in het racismedebat speelt hier evengoed.

Mathijsen is niet de enige die terminologie uit het Amerikaanse racismedebat gebruikt om iets over Nederlandse verhoudingen te zeggen. Begrippen die vroeger vooral circuleerden binnen Amerikaanse universiteiten vinden via sociale en traditionele media hun weg naar Nederland. De aantrekkingskracht is begrijpelijk. Tegenover de dooddoener dat racisme vooral in the eye of the beholder zit, staat nu een begrippenapparaat dat de schijn van onweerlegbare feitelijkheid heeft. Maar wat hebben we precies aan deze begrippen, en zijn het wel accurate beschrijvingen van de werkelijkheid? Tijd voor een toetsing van de vier belangrijkste termen die het Nederlandse racismedebat nog verder zullen bepalen.

Institutioneel racisme

In Nederland wordt deze term sinds twee jaar aan de man gebracht door Zihni Özdil, schrijver en docent aan de Erasmus Universiteit. Institutioneel racisme is in de definitie van Özdil de ‘diepe, onbewuste en structurele vormen’ die racisme heeft aangenomen in allerlei domeinen, van ‘de massamedia tot de arbeidsmarkt’. Aan de basis hiervan staan volgens Özdil de zwarte pagina’s uit onze geschiedenis – zoals slavernij – die tot vandaag doorwerken in onze instituten.

Özdil heeft de term van de Black Power-activisten Stokely Carmichael en Charles V. Hamilton, die in 1967 schreven dat er naast individueel racisme ook zoiets bestaat als institutioneel racisme, dat subtieler is en in beleid de Afro-Amerikaanse gemeenschap discrimineert. Voor het bestaan van institutioneel racisme in Amerika valt het nodige te zeggen. Racistische en discriminerende wetten die relatief kort geleden werden afgeschaft kunnen een institutionele doorwerking hebben. Maar is wat voor Amerika geldt ook van toepassing op Nederland?

Het is nogal lastig de logica te volgen van Zihni Özdil en anderen die institutioneel racisme ook in Nederland menen waar te nemen. Volgens hen is het een product van een racistisch verleden. Het is echter niet vastgelegd in regels, maar het werkt wel ‘onbewust’ door in het beleid en de gedragingen van onze instituten. Voorbeelden die ze geven: discriminatie op de arbeidsmarkt, racistische stereotypen op televisie, discriminerend optreden door de politie. Dat zijn overduidelijke tekenen van een racistische of discriminerende geest, maar waar zijn de aanwijzingen – hoe miniem ook – dat dit institutionele handelingen zijn die door een racistisch verleden zijn bepaald?

Institutioneel racisme is vooral een handige term, niet een accurate. Je beschuldigt er iedereen en niemand tegelijk mee en ontslaat jezelf op die manier van lastig, maar noodzakelijk denkwerk: wat is de precieze omvang van racisme binnen instituten, waar zijn de aanwijzingen dat het een bewuste of onbewuste weerslag is van een racistisch verleden?

Micro-agressie

Welke subtiele beledigingen krijg je als gekleurde student te horen als je studeert aan een Amsterdamse universiteit? Om dat inzichtelijk te maken gingen jongeren vorig jaar onder de noemer ‘I, Too, Am VU’ en ‘I, Too, Am UvA’ op de foto en toonden een bordje met daarop teksten als: ‘Waar kom je écht vandaan?’

Er bestaat een term voor dit soort vragen: micro-agressie. Hij werd begin jaren zeventig bedacht en definieert opmerkingen die niet beledigend of discriminerend bedoeld zijn, maar wel als zodanig geïnterpreteerd worden. Nog een voorbeeld van ‘I, Too, Am VU’: ‘Jij bent niet helemaal Nederlands, hè?’

Micro-agressie is misschien een wat suffe term – waarom erover inzitten als het micro is? – maar belangrijker is waar het naar verwijst. De pijn in micro-agressie zit vaak niet eens in de opmerkingen zelf, maar in het wereldbeeld dat erachter steekt, de bijna vanzelfsprekende houding dat de ander niet helemaal op gelijke voet staat met degene die de micro-agressie uitte. ‘Ach, maar neger is toch maar een woord?’

Hipster-racisme: comedian Jack Spijkerman vertelt Humberto Tan glimlachend dat hij ‘niet alleen donker maar ook nog dom is’

Iedereen die zich in een gezelschap begeeft waar hij of zij tot een etnische/raciale/seksuele minderheid behoort, kan meepraten over micro-agressies. De een schudt het wat makkelijker van zich af dan de ander. Voor sommigen is het niet minder ondermijnend dan openlijk racisme. De Afro-Amerikaanse dichteres Claudia Rankine publiceerde daarover vorig jaar de prachtige en prijswinnende dichtbundel Citizen waarin ze lyrisch en anekdotisch micro-agressies beschrijft – zonder ze als zodanig te benoemen – en wat de psychologische schade ervan is.

Dit laat overigens onverlet dat niet alles wat als micro-agressie wordt bestempeld ook werkelijk een micro-agressie is. ‘Sorry, ik dacht dat je een Marokkaan was’ staat op een bordje dat een van de studenten vasthoudt. ‘Neem je niet te veel hooi op je vork, twee studies…’ staat op een ander bordje. Micro-agressie? Of eerder een eerlijke vergissing/een oprechte uiting van zorg?

White privilege

De vanzelfsprekende voordelen die je als blanke hebt op niet-blanken. Voorbeeld: als je solliciteert onder de naam Rutger of Jan hoef je – in tegenstelling tot een Quinsy of Abulkasim – niet te vrezen dat je raciale of etnische achtergrond een probleem zal vormen. De term werd vorig jaar vast onderdeel van het Nederlandse racismedebat. In Amerika gaat white privilege wat langer mee. Blanke privé-scholen in New York geven workshops white privilege en de heuse White Privilege Conference – die sinds 1999 wordt gehouden – trekt elk jaar meer blanke bezoekers die bewust willen worden van hun witte privileges.

Maar de term is in sommige gevallen tot iets meer verworden dan alleen een diagnose van ongelijke raciale verhoudingen. Hij kan effectief zijn als hij ingezet wordt tegen racistische horken die zichzelf als de maat der dingen beschouwen. Soms is het ook een middel om elk kritisch tegengeluid in het racismedebat de nek om te draaien. Dat overkwam bijvoorbeeld Tal Fortgang, een blanke eerstejaars aan Princeton University, die op de campus vaak te horen kreeg dat hij zich eerst bewust moest worden van zijn witte privileges voordat hij zich kritisch kon mengen in debatten. In een essay (Checking My Privilege: Character as the Basis of Privilege) uit hij daar kritiek op omdat hij niet afgerekend wordt op zijn argumenten, maar op het feit dat hij een (vermeend) gepriviligeerde blanke man is.

Ook ogenschijnlijke (blanke) medestanders krijgen soms te horen dat ze te veel behept zijn met witte privileges. Bijvoorbeeld de blanke Amerikanen die eind vorig jaar op Twitter de hashtag #crimingwhilewhite begonnen om erop te wijzen dat een blanke minder te vrezen heeft van de politie. De kritiek op de hashtag kwam snel. Dat blanken hun contact met de politie überhaupt konden navertellen was op zichzelf al een wit privilege. Blanken moesten eerst daar rekenschap van geven voordat ze deel konden nemen aan het debat over racistisch politiegeweld.

‘Privilege-checking plays into the dangerous postmodern fallacy that we can only understand things we have direct experience of’, schreef journalist Tom Midlane drie jaar geleden in de New Statesman (The Problem with Privilege-checking) over de neiging elk afwijkend geluid de kop in te drukken door het langs de meetlat van privileges te leggen.

White privilege is een evidente maatschappelijke ongelijkheid. Wat het níet is, maar wat het in toenemende mate wel wordt: een kreet met een vervelend moralistisch toontje dat andere geluiden geen ruimte gunt.

Hipster-racisme
Je bent blank, hoogopgeleid, walgt van pvv-xenofobie en maakt af en toe een foute racistische grap. Dat mag jij, vind je zelf, want je bedoelt de grap ironisch en bent overduidelijk geen racist. Tja, aardig geprobeerd, maar ook jij maakt je schuldig aan racisme, en wel aan hipster-racisme.

De term dateert uit 2006 en is de enige op deze lijst die niet op een universiteit is bedacht. De eerste die ermee kwam was de Amerikaanse blogger Carmen Van Kerckhove. Zij muntte de term naar aanleiding van zogenaamde Kill Whitey-feestjes, waar blanke New Yorkse hipsters de zwarte hiphopcultuur parodieerden door zich oversekst te gedragen. Volstrekt ironisch allemaal natuurlijk, want ze zijn geen racisten, dus hoe kunnen ze zich aan racistische karikaturen bezondigen?

Hipster-racisme aanklagen gebeurde na 2006 vooral in de marge van het internet (zie racialicous.com). Het vond pas bredere ingang toen de drukbezochte feministische site jezebel.com in 2012 er aandacht aan besteedde (A Complete Guide to Hipster Racism). Sindsdien worden hipsters, of wat daar voor moet doorgaan, om de haverklap beschuldigd van hipster-racisme omdat ze zich te ironisch of ongevoelig uiten over rassenkwesties.

Is hipster-racisme ook een ding in Nederland? Niet onder die naam. Maar met een vleugje ironie racistische grappen maken is hier ook een populair tijdverdrijf. Zie comedian Jack Spijkerman die Humberto Tan met een brede glimlach vertelt dat hij ‘niet alleen donker maar ook nog dom is’; zie tv-presentatrice Daphne Bunskoek die een tv-fragment toont waarin slaven worden afgeranseld en daarover zegt dat het Zwarte Pieten zijn die straf krijgen omdat ze de staf van Sinterklaas kwijt zijn; zie zanger Gordon die een Chinese zanger vraagt welk nummer hij gaat zingen, ‘nummer 39 met rijst?’

Dit soort ironisch bedoeld racisme gaat al een tijdje mee in Nederland, en het aanklagen ervan ook. Harry Mulisch schreef er al over in het pamflet Het ironische van de ironie, waarin hij betoogde dat de grappen van Gerard Reve ondanks hun ironische vermomming een racistische kern hebben.

Het begrip hipster-racisme is nog niet volledig aangeslagen in Nederland. Misschien is dat omdat onze hipsters hypercorrect en niet-ironisch zijn. Maar de term is niet per se bedoeld om de hipster aan te klagen, hij heeft het eerder op een specifiek soort racisme gemunt, het ironische soort, de ik-kan-je-negerzoen-noemen-omdat-ik-toch-geen-racist-ben soort humor. En van dat soort humor stikt het in Nederland. Te verwachten valt dus dat de term hipster-racisme de weg van bovengenoemde termen zal volgen en nog vaker zal vallen in het racismedebat.