Apologie van het excuus

Sorry, sorry, sorry!

Wie een natuurlijke inclinatie tot schuldgevoel heeft maakt graag verontschuldigingen. Of heeft sorry zeggen niets te maken met schuld? Is het gewoon strategie? En zo ja, werkt het? Een zelfonderzoek, door een ziekelijk geval.

Het woord sorry ligt mij op de lippen bestorven. Zelf word ik er al tureluurs van en mijn omgeving vindt het nog veel irritanter, al ligt het dieptepunt alweer even achter me. Dat was op een vrij grauwe zondagmiddag midden jaren negentig, op de velden van voetbalclub hbs (Houdt Braef Stant) in de bosjes van Pex, bij Kijkduin.

Voetballen is een uitdaging voor hen die de neiging hebben de eigen imperfectie breed uit te dragen met het woord sorry. Ik zei het na iedere bal die ik speelde. Ook voor minder verontschuldigende types is dat nog te begrijpen, want een pass komt zelden precies goed aan. Sorry dus. Maar ik maakte ook excuses als ik dribbelde met de bal, zelfs als ik tegenstanders passeerde, juist omdat ik de bal dan niet afspeelde. Sorry.

‘Welke gek maakt nu zijn excuses als hij de tegenstander dolt?’

De retorische vragen werden allengs minder vriendelijk. Ik dreef medespelers tot wanhoop.

Die zondagmiddag stond onze centrale man achterin, Aad, opeens vlak voor me. We keken elkaar recht in de ogen. Hij wilskrachtiger dan ik. Hij moest naar me toe zijn gerend, want ik stond, als aanvaller, zelden bij hem in de buurt.

‘Als jij nog één keer sorry zegt’, en hij zette zijn woorden kracht bij met een opgeheven wijsvinger: ‘Dan sla ik je vol op je bek.’

Ik wist in de gauwigheid maar één reactie. Juist: ‘O, sorry…’

Direct besefte ik wat ik had gezegd, eerder dan Aad – gelukkig. Ik zette een sprint in, om zo snel mogelijk bij hem vandaan te komen. Aad erachteraan. De tegenstanders keken verbaasd toe. Dat waren de mannen van het Voorburgse Tonegido (Tot Ons Nut En Genoegen Is Deze Opgericht), een club die in kringen van Groene-lezers waarschijnlijk enige naam heeft door de eenzame vandaal, een typetje van Kees van Kooten.

Na de wedstrijd probeerde ik het een van de verbaasde Tonegido-spelers uit te leggen, in de kantine.

‘Ik zeg net even te vaak sorry.’

‘Waarom doe je dat dan?’

Dat is een goede vraag, vond ik destijds ook. Ik dacht er vaak over na: waarom verontschuldig ik me toch zo vaak?

Het excuus dat in Engeland bestaat, had ik niet. Daar zeggen ze gemiddeld zo’n acht keer per dag sorry – uit onderzoek gebleken – maar daar wordt het woord ook ingezet in de betekenis van: ga eens aan de kant. Donder op. Net als ‘excuse me’. Deze week nog kreeg ik een e-mail uit Engeland met de openingszin: ‘I’m very sorry to bother you’ – waarna een vrij aantrekkelijk aanbod volgde. Hier is sorry toch voornamelijk: excuus voor wat ik net zei of deed. ‘Sorry waarvoor?’ vragen vrienden. ‘Wel, sorry, eigenlijk voor alles.’

Treinreizigers op een perron lenen eerder hun mobiele telefoon uit als aan het verzoek wordt toegevoegd ‘en sorry voor de regen’

De voetballer van Tonegido concludeerde: ‘Lijkt me een typische studistenziekte.’

Ik was destijds inderdaad student, aan een universiteit. Hij was tapijtlegger. Ik dacht dat hij een punt had. Ik vermoedde dat mijn overvloedig geëxcuseer iets te maken had met privilege, een bevoorrechte jeugd, en een gepast schuldgevoel daarover. Vooral mijn moeder, dochter van een hoogleraar wijsgerige ethiek en christen-socialist in de stijl van Willem Banning, drukte me bij voortduring op het hart hoe goed mijn broertjes en ik het hadden. Telkens ‘checkte’ ze of we ons daar wel bewust van waren. Ondertussen maakte mijn vader badinerende grappen over de buren, mannen die hun labrador uitlieten met een golfstick, in een lommerrijke villabuurt waar het gezin Van Os een van de grote huizen uit de jaren dertig bewoonde. Ik trakteerde vriendjes op een citaat dat ik Hemingway toedichtte: ‘Hoe breder de gazons, hoe smaller de geesten.’

Op een zonnige zaterdagmorgen luisterde ik met mijn vader, in de tuin, naar de radio. In het Vara-programma In de Rooie Haan, een icoon van de polarisatie tijdens de vroege jaren tachtig, vertelde Marcel van Dam de luisteraars en het aanwezige, vaak joelende publiek, dat als Lubbers en zijn kabinet de voorgestelde bezuinigingen zouden doorzetten, het volk in opstand zou komen. Letterlijk. Ze zouden wel eens kunnen oprukken naar de buurten waar de rijken huisden.

Mijn vader nam het kennelijk niet zo letterlijk, want terwijl ik het in mijn broek deed, was hij het roerend met Van Dam eens en, erger, hij leek het een uitstekend vooruitzicht te vinden. Dat zou ze leren, dat rechtse volk.

Maar pap, daar wonen wij toch ook? Als de ‘belubberden’ in opstand komen, dan toch tegen ons?

Mijn herinnering vertelt me niet wat mijn vader of moeder antwoordde, wel dat ik er ’s nachts over piekerde. Hoe liep dit af? Hoe viel de opstand te voorkomen? Ik wist dat de ‘belubberden’ gelijk hadden. Marcel van Dam had gelijk: de opvoeding van mijn ouders wierp zijn vruchten af. Bovendien was ik ervan overtuigd – en dat ben ik eigenlijk nog steeds – dat maatschappelijk succes niet te danken is aan verdienste, maar vooral aan toeval, geluk, je opvoeding, genenmateriaal en andere factoren die je niet in eigen hand hebt. De wereld is fundamenteel oneerlijk en zelf bulkte ik van het geluk. Geboren met een staatslot in de hand.

Lange tijd was mijn theorie dat ik me daar graag voor wilde excuseren, vaak en veel, tegen hen die het wilden horen én tegen hen die dat niet wilden. Die theorie schiet te kort, weet ik inmiddels.

Dat inzicht kwam pas laat, met de Fortuyn-revolte. Om een lang verhaal kort te maken: steeds vaker ontmoette ik belubberden die mij meningen op de mouw spelden waar ik het onmogelijk mee eens kon zijn. Niet alleen in de taxi. Ik weet niet meer precies het moment, maar ik herinner me nog wel het hoofd van de vijftiger van wie ik, plotseling sterk overtuigd, wist: bij hem sta ik niet in het krijt. Ik hoef geen sorry te zeggen, of te denken. Kortom, juist toen de kranten volstonden met opinieartikelen die universitair geschoolden, liefst uit de grachtengordel, opriepen de oren te luister te leggen in volkswijken, dacht ik: eikel. Donder op, uit welke wijk je ook komt. Niks geen sorry voor jou.

Het ge-sorry werd minder, maar hield niet op: begin op je dertigste maar eens aan een nieuw leven. Zo blijf ik me excuseren voor bedienend personeel; wat voor troebele verhoudingen zorgt en ongemakkelijke situaties. Maar de privilegetheorie heb ik verworpen. De eigen jeugd leent zich vooral goed als projectiescherm, of om het modieuzer te zeggen: als echoput. Bovendien had mijn broertje, met wie ik twaalf maanden verschil, nooit last gehad van de sorry-ziekte, hoewel hij toch een identieke opvoeding had genoten. (Al luisterde hij vermoedelijk nooit mee naar In de Rooie Haan.)

De zoektocht naar een verklaring ging door, nu in de literatuur. Die stelde me teleur. In de Angelsaksische wereld zijn het vooral taalkundigen die zich erover bogen. Hun bevindingen, in het kort: Amerikanen gebruiken het woord zelden, de Britten menen het nooit en de Canadezen overdrijven het.

Interessant is wel wat ene A. A. Gill, een journalist, schreef in The Angry Island (2008). Voor Britten, meent Gill, is sorry een profylactisch woord; de bedoeling ervan is te voorkomen dat er iets naars gebeurt. Of dat er überhaupt iets gebeurt. ‘Het woord beschermt de gebruiker en de ontvanger voor potentieel explosieve consequenties van de waarheid.’ Er is ook geen discussie met een sorry-zegger te beginnen, die voor je het weet zegt: ‘God ja, je hebt helemaal gelijk.’ Sorry is het wapen van een conflictvrezend mens. Zijn stopwoord.

Daar zit iets in, natuurlijk, en toch is het niet het hele verhaal. Want excuseren onderhoudt ook een ambivalente relatie met arrogantie. Dat lijkt ongerijmd. Niet voor niets zien talloze psychologen in het vermogen sorry te zeggen een weldadige bescheidenheid en nederigheid (‘zouden meer mensen moeten doen’) en een teken dat iemand zijn prefrontale kwab en dus zijn gevoel voor nuance heeft ontwikkeld. Toch is juist enige arrogantie vereist om het woord eenvoudig en frequent over de lippen te krijgen. Het duurde even voor ik dat zag. Wat hielp was de ontdekking dat ik er meer sorry’s uitgooi onder mensen die ik niet interessant genoeg vind voor een stevige discussie, dan in gezelschap waar ik graag discussieer.

Waarom geen excuses aan de keeper maken? Sorry zeggen voor een onhoudbare bal? Is dat niet het toppunt van fatsoen? Of toch pure hypocrisie?

Een studievriend met wie ik dagen doorbracht had dat door. Hij zei eens: ‘Je moet er echt mee ophouden, dat ge-sorry, al is het omdat je het nooit meent.’

De vriend was mokkend lid van een studentenvereniging. Op een dronken avond zei een verenigingslid tegen hem: ‘Jij voelt je beter dan wij.’ De vriend dacht daar even over na en zei toen: ‘Ja, dat klopt.’ Dat was het einde van zijn tijd bij de vereniging. Voor mij, eveneens lid, gold die mening evengoed. Maar met oeverloos ge-excuseer maskeerde ik mijn arrogantie. Met het ge-sorry mitigeerde ik eventueel (en terecht) wantrouwen.

In mijn zucht meer te begrijpen van het ge-sorry kwam ik dat vaker tegen: met sorry valt vertrouwen te winnen, ook in de dagelijkse omgang en zelfs met volkomen belachelijke excuses. ‘Overbodige excuses’ noemt een Harvard-studie uit 2013 het, gepubliceerd in het tijdschrift Social Psychological and Personality Science. Het blijkt dat treinreizigers die wachten op een perron eerder hun mobiele telefoon uitlenen als aan het verzoek wordt toegevoegd ‘en sorry voor de regen’, dan aan mensen die gewoon om de telefoon vragen. Zonder sorry.

Sorry als strategie dus. In 2011 verscheen een artikel in het Journal of Law and Human Behavior dat overtuigend laat zien dat je excuseren ten overstaande van een politieagent die je aanhoudt voor te hard rijden, leidt tot een lagere boete. Gemiddeld genomen werkt dat beter dan een ontkenning of een rechtvaardiging, of niets zeggen. Zo’n strategische sorry kan zonder daadwerkelijk gevoel van schuld. Een taalkundige, Edwin Battistella, probeert sorry zelfs los te koppelen van schuldgevoelens. In zijn boek Sorry About That: The Language of Public Apology (2014) schrijft hij: ‘Met sorry zeggen doet een spreker weliswaar verslag van zijn gevoelens, maar zeker niet altijd van een oprecht gevoel van schuld dat hij wil rechtzetten.’ Tegelijk, zo beweerden drie wetenschappers al in 1994 in Psychological Bulletin, is verwijtbaarheid niet noodzakelijk voor het ervaren van gevoelens van schuld. Ik merkte het al in de tuin, luisterend naar In de Rooie Haan: ‘gevoelens van schuld kunnen ook zonder gevoelens van verantwoordelijkheid inspireren tot een verontschuldiging.’

De columnist van een radioprogramma waar ik ooit werkte, Arjan Peters, beweert dat ik mijn sorry’s ook inzette als instrument. Ik ging voor twee jaar naar Amerika en Peters zei, bij mijn afscheid: ‘Pieter heeft ons de indruk gegeven dat wíj de serieuze, hardwerkende carrièretijgers waren, en dat hij het al een hele eer vond om als een soort ongevaarlijke, goedlachse, studentikoze fröbelaar in ons gezelschap te mogen verkeren.’ Pieter deed zich onbelangrijk voor, zei hij, maar werkte ‘consequent aan een zorgvuldig uitgedokterd imago van excuus-journalist’ om intussen in de luwte zijn eigen plannetje te smeden. En, hopla, opeens zat-ie in Amerika. Correspondent van De Groene Amsterdammer maar liefst; plannetje geslaagd. En, wie weet, misschien zelfs op zak van zijn vrouw. Peters: ‘Je moet in dezen het ergste niet uitsluiten.’

Let wel: strategieën kunnen natuurlijk verkeerd uitpakken. Zeker bij excuses die slechts voortkomen uit een verlangen aardig te worden gevonden. Of fatsoenlijk. Een sterk voorbeeld leverde de hoofdredacteur van nieuwssite Vice, Casper Sikkema, een paar maanden geleden. Hij schreef een empathisch bedoeld excuusmailtje aan een vrouw die het niet trok dat hij iets over #MeToo had durven beweren op tv. Zij meende dat hij haar op een dronken avond in bed had gepraat; hij was ‘pusherig’ geweest. Ja, schreef Sikkema terug, nu zij hem eraan herinnerde kon hij zich goed voorstellen dat zijn optreden op tv haar niet lekker had gezeten. Sikkema’s mailtje zag zij vervolgens als schuldbekentenis en nu vond ze dat hij moest doorpakken en publiekelijk excuses maken. In een artikel. Natuurlijk op voorwaarde dat ze zelf anoniem bleef.

Sikkema had genoeg ruggengraat om dat te weigeren, maar te laat. Het kwaad was geschied. Zijn empathisch bedoelde mailtje belandde bij zijn collega’s, bazen en de Volkskrant. En terwijl de krant nog nadacht of de kolen het sop wel waard waren, ontsloegen zijn bazen hem. Wegens ‘ontoelaatbaar gedrag’. Echt waar.

Sikkema’s carrière is (voorlopig) stukgelopen omdat hij zijn excuses maakte – zonder sprake van schuld. Dom.

Ik ken Sikkema niet persoonlijk, maar dat hij sorry zei, neemt me voor hem in. Want al heb ik met de jaren de frequentie van het sorry-zeggen weten terug te draaien (zonder therapie, even opscheppen) mijn sympathie voor sorry-zeggers blijft onverminderd groot. Ik heb Ed van Thijns woede in het boek De sorry-democratie (1998) over zich excuserende politici ook niet begrepen; zelfs zij kunnen rekenen op mijn sympathie. Ik zet hierbij ook graag de recordhouder even in het zonnetje: vvd’er Ard van der Steur die, zo bevestigen de handelingen van de Tweede Kamer, in maar liefst vijf verschillende debatten zei: ‘sorry’. Openlijk. Critici als Van Thijn zeggen: je moet staan voor wat je gedaan hebt. En wat als dat helemaal fout is? Aftreden!

Die halsstarrige opvatting leidt tot tribale toestanden waarin mensen hun ongelijk blijven verdedigen tot de dood erop volgt. Of de dood van anderen – nee, dit is geen overdrijving.

Ik, sorry-zegger, zeg: excuses herinneren ons, ondanks alles, aan het menselijk tekort. Excuses, excessief of niet, laten zien dat verbetering mogelijk is. Ze bevestigen het bestaan van een orde der dingen die mooier is dan de realiteit. Excuses zijn daarmee het tegengif van sarcasme. En natuurlijk, misschien is die hogere morele orde onhaalbaar – sorry dat ik er niet aan voldoe – maar de erkenning van het bestaan ervan alleen al, zou voor een christen-socialist als mijn opa geruststellend zijn. Hij zal het ons sorry-zeggers vergeven dat we niet naar de kerk gaan, vermoed ik, mits we erkennen dat er meer is dan louter individuele wil en macht.

Want met alleen wil en macht draait de geschiedenis uit op een successie van wraaknemingen. Wie sorry uitbant, zadelt zichzelf met eerwraak op – en nee, dat is helemaal niet zo’n grote sprong, al ga ik de tussenstappen nu niet uitschrijven. Kort gezegd: het probleem van deze wereld is niet dat te veel mensen te vaak sorry zeggen. Een excessieve sorry-zegger hoeft zich niet te excuseren.

Natuurlijk, hij moet wel maathouden. Een grens vinden. Het sprintje van Aad was niet onredelijk.

In de kantine van Tonegido wist ik nog niet van het bestaan van Ernest Wilimowski (1916-1997), de Pools-Duitse voetballer met zes tenen aan zijn rechtervoet. De man houdt voor zowel het Poolse als het Duitse nationale elftal het record gemiddeld aantal doelpunten per wedstrijd. Niks Gerd Müller of Robert Lewandowski. Hij had tevens een eigenaardige gewoonte: na een doelpunt lachte hij de zojuist verschalkte keeper uit. Een onwellevend trekje dat ploeggenoten hem terecht probeerden af te leren: lol hebben in vernedering is niet oké.

Ik had de Tonegido-speler graag willen voorleggen wat Wilimowski had moeten doen. Juichend weglopen? Dat is de norm. Maar waarom geen excuses aan de keeper maken? Sorry zeggen voor een onhoudbare bal? Is dat niet het toppunt van fatsoen? Of toch pure hypocrisie? De Tonegido-speler had wellicht gelijk, het is een studistenziekte. Maar eentje waarvoor ik me niet wil excuseren. Dus voor een keer: geen sorry.