Souffleurs

In de zilveren toren. Op onvoorziene ogenblikken, onderdelen van seconden, in de hand gewerkt door de aanblik van de gemeen blauwe lucht en het onwezenlijk aantal schoorsteenpijpjes daaronder wordt de voorgrond het theater en de achtergrond de wereld.

Inderdaad, zij die zitten, vullen zich met kleurig vulsel en de lopenden reiken het aan. Hier en daar een enkele staande. Van boven uitlopend in een hevig kijkende. Buñuel, weet je wel. Eten zelf is al absurd. Anderen daarbij laten toekijken obsceen. De bedienden onderhouden zich met elkaar als een kluitje souffleurs op hun congres, af en toe door een te harde wind van één van hen uit elkaar gedreven.
Als klant moet je voorzichtig zijn. Een onwillekeurig verzakte mondhoek kan een bede om genade inluiden en elke opgetrokken wenkbrauw een extra dubbele portie oeufs masqués Jolie Madame.
Er is inderdaad een podium, er is een toneelstukje. Het heet ‘De mooiste canardier’. Zijn neus begint midden op zijn voorhoofd, iets hoger zelfs en stort zich vandaar als een karmijn dooraderde en vlijmscherpe klip in van opzij gezien minstens drie s-bochten naar beneden waar hij niet eerder eindigt dan eerst het middelpunt van een zorgzame snor en zeker voor drie kwart de lippen te zijn gepasseerd. Ogen kunnen hier geen tegenspel bieden. Als licht bebroede eieren drijven ze stuurloos rond in overjarige oesterschelpen.
Af en toe klotsen ze over de rand, wippen de eetkamer binnen. Hijzelf is het gebaar geworden, van eigen rechterhand, waarin slechts een vork maar een ervaren vork. Dit is de tienduizendste eend waarvan bloed en lever zingen over hun 'Instant volé à la quotidienne morosité!’ A Capella. Alleen de Madeira applaudisseert. Klaterend.
'Hebben wij het bij het juiste eind?’ lachen de neusvleugels van onze allereigenste ober. 'Is dit uw van bloedworst doorlopen bladerdeeg met zijn appelpuree?’