Soumaya’s pad

Het verhaal van Soumaya houdt de Nederlandse moslimwereld diepgaand bezig. Zij wilde haar voor de islam niet bepaald vleiende verhaal terugtrekken uit een interviewbundel. Maar dat dreigde averechts uit te pakken.
HET IS EEN merkwaardige zaak die de president van de Amsterdamse rechtbank vorige week dinsdag ter behandeling kreeg. Geruggesteund door de Nederlandse Moslimraad (NMR), een koepel van verschillende belangenorganisaties die een betrekkelijk klein deel van de Nederlandse moslims vertegenwoordigt, spande een hoog opgeleide, jonge islamitische vrouw een kort geding aan tegen het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), in het bijzonder Jos Palm en Mar Oomen, respectievelijk uitgever en auteur van En de goden verhuisden mee, een verzameling interviews met niet-westerse migranten over de manier waarop ze in Nederland hun godsdienst belijden. Inzet van het proces: de geïnterviewde moslimvrouw herkent haar eigen woorden niet meer. Erger: ze vindt het verhaal anti-islamitisch vol vooroordelen.

Merkwaardig is het proces omdat de aanklaagster in het verhaal anoniem wenste te blijven, bang verketterd te worden door de Marokkaanse islamitische gemeenschap, terwijl ze met het proces juist uit de anonimiteit stapt. Ook het feit dat uitgerekend het KIT wordt gedaagd, wekt verbazing: het Instituut heeft immers een uitstekende reputatie als het gaat om welwillendheid jegens niet-westerse culturen. Evenals ontwikkelingsorganisatie Novib, mede-uitgever van het boek. Een eerder aangespannen kort geding werd vlak voordat het boek verscheen door de jonge vrouw en haar advocaat afgeblazen. De auteurs houden bovendien vol dat ruim vóór de publikatiedatum voldoende bemiddelingspogingen door hen op touw zijn gezet.
Soumaya eist dat het boek uit de handel wordt genomen. Ze vindt dat de auteurs haar levensverhaal ‘verkracht’ hebben. 'Ze gebruiken mij om hun eigen vooroordelen over islam en moslims te beschrijven’, zei ze tegen dagblad Trouw. Volgens de advocaat van de tegenpartij gaat het niet om een religieus geschil maar om een journalistieke kwestie.
IN HET VERHAAL is de vrouw zo onherkenbaar mogelijk gemaakt. Haar naam werd veranderd in Soumaya, herkenbare informatie werd weggelaten of verhaspeld, en omdat ze het vóór de uitgave maar niet eens kon worden met de auteurs, werd achterin het boek de volgende regel opgenomen: 'De geïnterviewde in het verhaal “Soumaya’s weg” heeft te kennen gegeven dat de weergave in enkele passages niet strookt met haar eigen visie.’
Wat wil Soumaya nog meer?
'Dat het verhaal wordt bijgewerkt om de anti-islamitische teneur eruit te verwijderen’, zegt S. Abdus Sattar, woordvoerster van de NMR. 'Er wordt in Nederland veel onzin geschreven over de islam, maar van het KIT en de Novib hadden we dat niet verwacht. We zijn benaderd door Soumaya zelf en houden ons dus nadrukkelijk op de achtergrond. We steunen haar alleen moreel, want we hebben geen cent.’
'Soumaya’s weg’ is het met distels bezaaide pad van een meisje dat zich tracht te emanciperen binnen een islamitische migrantenfamilie. Haar ouders zijn Berbers, afkomstig van het Noordmarokkaanse platteland. Als Soumaya vijf jaar oud is, haalt vader haar samen met moeder, broertjes en zusjes naar Nederland, waar hij al enige tijd werkt. Binnen enkele jaren belandt haar oudste zus in een blijf-van-mijn-lijfhuis en verdwijnen twee broers achter de tralies. Yusuf dealde - dat was nog goed te praten: 'Iedereen leek in drugs te handelen, veel jongens werden opgepakt.’ Saïd stal, dat leidde onherroepelijk tot verstoting. Hij deed een zelfmoordpoging. Moeder werd steeds strenger in de leer en was ervan overtuigd dat Soumaya slechts studeerde om onder haar huishoudelijke plichten uit te komen. Muziek was haraam - verboden - en kort haar alleen voor hoeren. Soumaya mocht niet mee op schoolreisjes, moest naar de koranschool en durfde niet met haar ouders op vakantie naar Marokko, bang om uitgehuwelijkt te worden. Ze liep weg, maar keerde op haar schreden terug.
Het geloof van haar ouders komt er in Soumaya’s relaas niet al te best van af: 'Je doet iets wat volgens de imam en de koran niet geoorloofd is. Je doet het omdat je weet: op de lange duur is het beter, voor mij, voor mijn kinderen. Je bent hartstikke bang, volgens de regels kom je in de hel terecht. Dat is voor mij geloof. Dat is voor mij overgave aan God.’
SOUMAYA MOET van het verhaal geschrokken zijn toen ze het teruglas: haar relaas beantwoordt wel erg aan het platte polderbeeld van de islam. In het aan flarden gerecenseerde Tegen de islamisering van onze cultuur schetst Pim Fortuyn de typisch Hollandse gezond-verstandreactie op de hindernissen voor 'culturele, mentale en sociale integratie’ die de islam volgens hem voor vrouwen opwerpt: 'De positie van vrouwen zelf is ondertussen aan allerlei beperkingen en codes onderhevig. Beperkingen en codes die in ons land geen enkele grond vinden in wet- of regelgeving, integendeel zelfs in een aantal gevallen regelrecht in strijd zijn met die wet- en regelgeving, zoals met artikel 1 van de grondwet. Indien dit zou gebeuren in een keurige middenstandswijk ergens in Nederland onder oorspronkelijke Nederlanders, zouden pek en zwavel hun deel zijn en zou de politiek, zo niet justitie, zich er diepgaand mee inlaten.’
Juist opgeschreven of niet, Soumaya’s verhaal draagt in de ogen van moslimorganisaties in Nederland natuurlijk niet bij tot een positieve waardering van de islam. Volgens woordvoerster Sattar moet het nu maar eens uit zijn met die stereotyperingen. De Hollandse kortzichtigheid neemt volgens haar soms de vormen van een hetze aan, niet alleen door het boek van Fortuyn. Sattar: 'Om u een voorbeeldje te geven: Ik werkte laatst mee aan een uitzending van Radio West. Daar kreeg ik van alles over me heen, uitlatingen van mensen die alleen maar arbeidsmigranten hebben meegemaakt die hierheen zijn gehaald om hun handen, niet om hun hoofd. Zulke mensen zien de islam als een onoriginele en vooral gevaarlijke godsdienst. Eenzijdige en bekrompen visies dus.’
In een ingebracht processtuk zet de Nederlandse Moslimraad haar bezwaren uiteen. Het verhaal geeft een onjuist beeld van de islam als godsdienst, suggereert een dictatuur van imams, geeft een sterk vervormd beeld van de Marokkaanse samenleving, en portretteert Soumaya en vooral haar broer Saïd als slachtoffers van de islam en de invloed van de imams.
De imam over wie Soumaya in haar verhaal zo nu en dan een onwelwillende opmerking plaatst, was ook niet de meest progressieve. Ze doelde op Abdellah Al Khamlichi, die zijn conservatieve wereldbeeld vastlegde in een bundel preken met als titel De rechte weg naar de hemel en de slechte weg naar de hel, vorig jaar nog voor vijftien gulden verkrijgbaar in Marokkaanse moskeeën in Nederland. Soumaya’s vader was bestuurslid van de moskee waarin deze man preekte. Imam Khamlichi stak zijn weerzin jegens de westerse samenleving niet onder stoelen of banken. Hij schreef: 'Het imiteren van ongelovigen heeft onze persoonlijkheid vernietigd.’ 'Het aannemen van een niet-islamitische nationaliteit is een grote zonde.’ Hij concludeerde zelfs: 'Het wonen in een niet-islamitisch land is verboden.’ Inmiddels is hij teruggekeerd naar Marokko.
Volgens Sattar schuilt het gevaar in de generalisering van dit verhaal: 'Ik kan me voorstellen dat je zegt: een of twee imams waren slecht, maar je mag niet de suggestie wekken dat dat in het algemeen zo is. Hier staat geen enkel kader omheen, dus is het net alsof het een algemene uitspraak is. Dat werkt stereotyperend. Bovendien wordt haar etniciteit in een afschuwelijk daglicht gesteld. Het lijkt alsof de Marokkaanse gemeenschap helemaal geen emancipatie toestaat. Maar zo simpel ligt dat natuurlijk niet. We zouden het stadium van generaliseren nu toch eindelijk voorbij moeten zijn. De meeste groeperingen zijn hier nu zo'n 25-30 jaar. We laten ons niet meer gebruiken. Het wordt hoog tijd dat we eens om de tafel gaan zitten, misschien ook met de pers, om te praten over wat we tegen dergelijke negatieve beeldvorming kunnen doen.’
De Volkskrant berichtte vorige week dat de Nederlandse Moslimraad in samenwerking met migrantenorganisaties en islamitische organisaties waaronder de Islamitische Raad Nederland (IRN), die groter en conservatiever is dan de NMR, zou bekijken wat er kon worden gedaan 'om de hetze tegen de islam het hoofd te bieden’. Samenwerking binnen de Nederlandse moslimwereld is altijd een heikele zaak geweest. Kunnen we binnenkort misschien toch een gesloten front verwachten? Sattar: 'Dat denk ik niet. Wat in de Volkskrant stond heb ik nooit zo gezegd. Laten we wel wezen: de grootste moslimgroepen, Turken en Marokkanen, komen uit heel verschillende culturen. Je verstaat elkaar letterlijk en figuurlijk niet. En zeg nou eerlijk, denk je echt dat Nederland blij zou zijn met een gesloten moslimfront?’
A. Karagül, woordvoerder van de IRN, spreekt liever niet over een hetze: 'Dat klinkt zo sensationeel. We moeten niet onnodig olie op het vuur gooien, dat brengt ons alleen maar schade toe. Samenwerking is altijd mogelijk, maar zou eerder op andere belangrijke gebieden moeten plaatsvinden.’
DE NMR IS NIET de enige islamitische instantie die zich zorgen maakt over het negatieve karakter van Soumaya’s verhaal, ook bij de Islamitische Stichting Nederland, vertegenwoordiger van de Turkse moslims, is men bezorgd. Woordvoerder Ciftci: 'De laatste tijd komt het negatieve beeld van de islam wel erg nadrukkelijk aan de orde. Het beeld leeft dat imams niet op de hoogte zijn van de Nederlandse situatie en dat ze hier de traditionele islam willen toepassen. Dat vind ik heel ongenuanceerd. En dat de minister van Binnenlandse Zaken zich daarom bezighoudt met het opzetten van een liberale Nederlandse imamopeiding is natuurlijk ook hoogst opmerkelijk. Wist u trouwens dat jongeren die tegenwoordig de moskee bezoeken zich heel weinig inlaten met criminaliteit?’
Volgens Ciftci bestaat er tegen zo'n hetze maar één probaat middel: samenwerking. 'Je kunt natuurlijk niet verwachten dat alle moslims in Nederland het zomaar met elkaar eens zijn, maar verdeeldheid vind ik een wat te zwaar woord. U moet het zo zien: elke groep is op zijn eigen manier bezig zich hier te handhaven.’
ISLAMOLOOG Marien van den Boom, initiatiefnemer en docent van de HBO-opleiding islam aan de Hogeschool Holland in Diemen, begrijpt de verontwaardiging onder moslims wel, maar vraagt zich af of een rechtszaak de beste manier is om deze te uiten. Van den Boom: 'De islam komt er natuurlijk bekaaid af, maar ik kan hier in het geheel geen anti-islamitische tendensen in bespeuren. Eigenlijk is Soumaya een heel goede moslim. Uit het verhaal blijkt dat ze op een heel authentieke manier met haar geloof bezig is. Maar ja, iemand die kwaad wil, kan hier altijd stereotypen in vinden. Maar dat geldt ook voor een buitenstaander die Maarten ’t Hart leest. Er is wel een constante negatieve onderstroom. Als ergens moslims binnenkomen, gaan er meteen overal toeters en bellen. Irrationele angsten of wij onze vrijheid wel kunnen blijven behouden en zo.’
Fatima Elatik, bestuurslid van diverse migrantenorganisaties en projectmedewerkster integraal jeugdbeleid in Rotterdam, vindt Soumaya’s verhaal een regelrechte verdraaiing van de werkelijkheid. Elatik: 'Ik lees hierin het belachelijke verhaal van een zielig moslimmeisje dat stelt dat alle ellende die haar is overkomen, haar door de islam is aangedaan. Uiteindelijk wint ze toch door hulp van buitenaf, mensen die goed voor haar zijn. Dat is niet het juiste verhaal. Dit meisje deed het op eigen kracht. Ze heeft zichzelf omhooggewerkt en sterk gemaakt. Ze laat zich niet bepalen door haar eigen achtergrond, noch door de Nederlandse samenleving met haar neokoloniale houding. Wij wachten niet meer op mensen die ons verhaal vertellen. Dat doen wij zelf wel.’
Elatik ziet het proces niet direct als het gevolg van een hetze tegen de islam, maar stelt wel dat het in het verlengde ligt van een negatief en incorrect beeld van de islam. 'Zo'n boekje van Pim Fortuyn - moslims zélf zijn tegen de islamisering van de Nederlandse samenleving, dus waar maakt die man zich druk om? De islam is een religie, een levensovertuiging, geen taakstraf of inburgeringsproject.’