Klassieke muziek - Prokofjev

Sovjetrealisme

Het Radio Filharmonisch Orkest neemt onder leiding van vaste gastdirigent James Gaffigan de symfonieën van Prokofjev op.

Na de eerste uitgave met de Derde en de Vierde brengt cd-label Challenge nu de Zesde en Zevende. Groot geluid, groots spel; daar kunnen Sjostakovitsj-fans nog wat van opsteken. Die zeven symfonieën van Prokofjev zijn sterker en geconcentreerder dan het vijftiental dat de tijd- en landgenoot naliet. De langzame delen van de Tweede, de Derde en de Vierde symfonie zijn diep en wonderschoon, demonisch classicisme. Maar Sjostakovitsj heeft zijn aura; martelaar onder het juk van Stalin.

Over dat lot kon Prokofjev trouwens meepraten. Zijn pleitbezorgers zijn er alleen nooit in geslaagd het op hem af te laten stralen. Het kan zijn dat de hautaine componist de knuffelfactor miste. Hij keerde in 1936 vrijwillig en vol zelfvertrouwen naar de Sovjet-Unie terug om er, Stravinsky was gevlogen, de vrijgekomen plaats van grootste sovjetcomponist te bekleden. Dat lukte niet, en na de Tweede Wereldoorlog was de ambitieuze Prokofjev tot alles bereid om bij de autoriteiten in het gevlij te komen. In 1947 legde hij de eerste hand aan zijn opera Het verhaal van een echte man, wanstaltig sovjetrealisme over een gevechtspiloot die zich na een amputatie van beide benen terugvecht naar de cockpit.

Toch stond hij in februari 1948 met Sjostakovitsj en anderen in de beklaagdenbank wegens formalisme, het woord voor alles wat volgens de ideologische waan van de dag indruiste tegen het ideaal van een voor het volk toegankelijke muziektaal. Prokofjev schreef de vakbroeders die hem veroordeelden verzoenlijk dat hij vast voornemens was zijn Verhaal van een echte man zo simpel mogelijk te maken. Dat werd het; shit met kapitalen. In de Zesde, 1947, hoor je hem met het oorlogsleed nog in de benen proactief zijn zwaard van Damocles omvatten. De machtige, herfstachtige zwaarte van het openingsdeel op die wonderlijke deining van zes- en negenachtste-maten, de aangrijpende Parsifal-sferen in het largo sonderen de voorgevoelens – psychoanalytisch afgetrainde Sjostakovitsj-duiders kunnen hun lol op. De begaafde Gaffigan verzacht met een brede, volle klank en rustige tempi de groteske dreunritmen, stijlbloemen uit Prokofjevs balletten. Vooral de zwakke finale is voor karikaturisering vatbaar met die onuitstaanbaar lompe Prokofjev-hoempa voor piano, basklarinet en fagot, tuba, pauken, celli en contrabassen, of de bespottelijke opwaartse secunden van de tubasolo. Pas bij de terugblik op het hobothema uit het eerste deel in het andante tenero en de aansluitende, grimmige herneming van het uitgangstempo wordt het intrigerend. Het slot is een afgrond en Gaffigan weet er een enorme spanning in te leggen. Zelfs de Zevende symfonie, de zwakste in de reeks, krijgt een soort vaal-retrospectieve glans die ik niet eerder hoorde.

Hoe prachtig speelt het rfo, nu actueel als onderwerp van een rapport dat de Raad voor Cultuur uitbracht over de muziektaken van de omroep. Volgens de Raad moeten orkest en Groot Omroepkoor, de parels van Hilversum, zich meer op hun studiotaken richten omdat ‘de focus te veel ligt op de concertpraktijk’. Dan krijgen andere orkesten ook een kans op de podia die nu het Radio Filharmonisch bezet in de vrijdagavondserie van Avrotros en het zondagochtendconcert in het Concertgebouw. Jammer dat het rfo zoveel beter is. Dat wordt met mannen als Gaffigan nog eens een echt toporkest. Chapeau en sterkte, jongens.